Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD1856

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
03070/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD1856
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 467
NJ 2001, 537
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03070/00

Mr Machielse

Zitting: 22 mei 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 15 december 1999 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond bevestigd, behoudens ten aanzien van de bewijsvoering, de kwalificatie van het onder 2., 3. en 4. bewezenverklaarde, de overwegingen omtrent de strafbaarheid van verzoeker en de motivering van de op te leggen straf. Aldus is verzoeker veroordeeld ter zake van 1. "een gewoonte maken van het opzettelijk verwerven, voorhanden hebben en of overdragen van door misdrijf verkregen voorwerpen " en 2., 3. en 4. telkens opleverend "medeplegen van andere dan de in de artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken, die krachtens wettelijke voorschriften op goederen moeten worden geplaatst, daarop valselijk plaatsen, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren" tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de onttrekking aan het verkeer van een aantal voorwerpen bevolen, zoals in het arrest weergegeven.

2. Namens verzoeker heeft mr. V.A.P.M. Malherbe, advocaat te Roermond, één middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel bevat de klacht dat het hof de verwerping van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan beroep op psychische overmacht niet althans niet genoegzaam naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

3.2. Het bestreden arrest houdt onder het kopje "De strafbaarheid van de verdachte" het volgende in:

"Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er bij verdachte sprake zou zijn van psychische overmacht, omdat zijn gezin werd bedreigd en hij enkel om die reden de strafbare feiten zou hebben begaan.

Het hof verwerpt dit verweer.

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van psychische dwang waar verdachte redelijkerwijs geen weerstand aan kon bieden."

3.3. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het gevoerde verweer, mist het dus feitelijke grondslag.

3.4. De steller van het middel betoogt, met een beroep op HR NJ 1982, 161, voorts dat het hof in het midden heeft gelaten of het de aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk heeft geacht, of heeft geoordeeld dat die omstandigheden een beroep op psychische overmacht niet rechtvaardigen.

3.5. Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat verzoeker de hem aangeboden gestolen voertuigen vrijwillig op het terrein van zijn bedrijf stalde, danwel kocht van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (bewijsmiddelen 1, 2, 4, 6, 7, 9, 11, 12, 13, 16, 19, 20, 22, en 23 ten aanzien van feit 1, AM) en ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 vrijwillig zijn medewerking aan het plegen van het feit verleende of daar zelf het initiatief toe nam (bewijsmiddelen 1, 7, 12, 13, 22, 26, 27, 30 en 31, AM).

3.6. In het licht van die vaststellingen kan de overweging van het hof naar mijn mening redelijkerwijze niet anders worden verstaan dan dat de door de raadsvrouwe van verzoeker gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Aldus verstaan is 's hofs beslissing niet onbegrijpelijk en kan deze, als van feitelijke aard, in cassatie niet verder ten toets komen. Het zou anders kunnen liggen als het hof enkel zou hebben overwogen dat "overmacht niet aannemelijk is".1

3.6. Het middel faalt dus en kan op de voet van art. 101a RO worden verworpen.

4. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl. HR 22 juni 1999, nr. 111.225.