Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD1852

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
22-10-2001
Zaaknummer
02177/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD1852
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 2177/00 E

Zitting: 15 mei 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoekster is door het gerechtshof te Arnhem bij uitspraak van 31 januari 2000 ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon, tweemaal gepleegd" veroordeeld tot twee geldboetes, elk van f. 1000. Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 580/00 E, 1863/00 E, 2945/00 E, 2948/00 E en 2949/00 E.

2. Namens verzoekster heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel omvat twee klachten. De eerste klacht luidt dat hoofdstuk II afdeling 3 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren onverbindend is vanwege strijd met de Richtlijn van 22 januari 1980 inzake de bestrijding van klassieke varkenspest (80/217/EEG) en de Richtlijn van 17 december 1992 inzake de bestrijding bepaalde dierziekten en vesculaire varkensziekte (92/119/EEG). De inhoud van de Richtlijnen wordt in bedoelde wet volgens de steller van de klacht op veel te ruime wijze uitgelegd. Zonder nadere motivering - die ontbreekt - is evenwel niet duidelijk op welk(e) punt(en) de Gezondheids- en welzijnswet volgens de steller van de klacht te ruim en daarmee strijdig met de richtlijnen is uitgelegd. Onder die omstandigheden acht ik mij ontslagen van de verplichting op deze klacht in te gaan (vgl. HR mei 2000, zaaknummer 01069/99 en HR 13 maart 2001, zaaknummer 00207/00/E).

4. De tweede in het middel opgenomen klacht strekt ten betoge dat het vervoersverbod, zoals opgenomen in het op basis van artikel 14ter, vierde lid, Richtlijn 22 januari 1980 inzake Bestrijding van klassieke varkenspest opgestelde rampenplan, onverbindend zou zijn.

Verzoekster heeft echter geen belang bij een beroep op onverbindendheid van bedoeld rampenplan, aangezien verzoekster veroordeeld is wegens het meermalen overtreden van het verbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b sub 2°, van de Regeling compartimentering varkens en vervoermiddelen voor varkens (Ministeriële regeling van 15 september 1997 Stcrt. 97. 177, zoals gewijzigd bij Ministeriële regeling van 13 oktober 1997, Stcrt. 97. 196), te weten: dat verzoekster binnen het gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van die Regeling vrachtauto's, kennelijk bestemd voor het vervoer van varkens, heeft vervoerd, zonder dat deze op overeenkomstig de aanwijzingen van de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees goed zichtbare plaatsen voorzien waren van een door de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees voor dat betreffende gebied bepaalde kenmerk.

De klacht faalt.

5. Voor het overige heb ik in het middel geen concrete klachten kunnen ontwaren die voldoen aan de in de reeds genoemde jurisprudentie gestelde eisen.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden