Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD1846

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
20-07-2001
Zaaknummer
01528/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD1846
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 588
Wetboek van Strafvordering 588
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 461
NJ 2001, 532
VR 2001, 148
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 01528/00

Zitting 8 mei 2001

Conclusie inzake

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens rijden onder invloed veroordeeld tot een geldboete van vijftienhonderd gulden, subsidiair dertig dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. S.J. Schaap, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat verdachte op de juiste wijze is opgeroepen om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen. Hierdoor is het recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden, aldus de steller van het middel.

4. De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep op 9 juli 1998 is, omdat van verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats bekend was, uitgereikt aan de griffier die de dagvaarding heeft ontvangen en opgelegd. Ter terechtzitting van 9 juli 1998 heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst ten einde verdachte op te roepen op het adres [a-straat 1] te [woonplaats], het adres dat namens de verdachte bij het instellen van het appèl is opgegeven. De oproeping te verschijnen ter zitting van 19 oktober 1998 is wederom uitgereikt aan de griffier die de dagvaarding heeft ontvangen en opgelegd. Het Hof heeft (in andere samenstelling) het onderzoek opnieuw geschorst vanwege de niet juiste betekening van de oproeping. Vervolgens is tevergeefs getracht de oproeping voor de terechtzitting van 18 januari 1999 uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Omdat aldaar niemand werd aangetroffen en op het bericht van aankomst niet werd gereageerd, is de oproeping teruggezonden naar het parket waarna uitreiking heeft plaatsgevonden aan de griffier die de dagvaarding heeft ontvangen en opgelegd. Verdachte is op 18 januari 1999 bij verstek veroordeeld.

5. Artikel 588, eerste lid aanhef en sub b onder 2 Sv, schrijft voor dat indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie, uitreiking geschiedt aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde. Aangezien van verdachte in de gemeentelijke basisadministratie bekend was dat hij sinds 1991 was uitgeschreven naar het buitenland en van verdachte een feitelijk adres in Nederland bekend was, had de oproeping op het feitelijke adres, te weten de [a-straat 1] te [woonplaats] uitgereikt moeten worden. Dat is ook geprobeerd, maar er heeft op dat adres geen uitreiking kunnen plaatsvinden.

6. Art. 588, derde lid, sub c Sv. bepaalt dat indien geen uitreiking aan dat adres heeft kunnen geschieden, de mededeling wordt teruggezonden aan de autoriteit van wie zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van de aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt het schrijven uitgereikt aan de griffier die de brief per gewone post verstuurt naar dat adres.

7. Alhoewel de wet geen regeling heeft opgenomen voor het geval dat slechts een feitelijk adres bekend is en verdachte niet als ingezetene staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, moet het er voor gehouden worden dat de wetgever ook in die situatie bedoeld heeft dat de griffier de dagvaarding per gewone post naar het feitelijk adres verstuurt. Dit doet recht aan de gedachte dat zoveel mogelijk moet worden getracht dat de dagvaarding de verdachte ook daadwerkelijk bereikt. Nu dit niet is gebeurd, is de oproeping in hoger beroep niet rechtsgeldig betekend. In zoverre is het middel gegrond.

8. Uit de stukken volgt echter dat aan de oproeping voor de nadere terechtzitting in eerste aanleg dezelfde gebreken kleven. De inleidende dagvaarding is op 18 april 1997 op het politiebureau is uitgereikt aan verdachte. Daarbij heeft verdachte als adres opgegeven [a-straat 1] te [woonplaats]. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 juni 1997 volgt dat op verzoek van verdachte de politierechter het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd heeft geschorst. Getracht is de oproeping voor de zitting van 17 november 1997 uit te reiken aan het adres de [a-straat]. Nadat niet was gereageerd op het bericht van aankomst, is de oproeping teruggezonden naar het parket. Navraag bij de gemeentelijke basisadministratie leverde op dat verdachte sinds 1991 was uitgeschreven naar Spanje. Met de vaststelling dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats hier te lande bekend was, is de oproeping vervolgens uitgereikt aan de griffier die de dagvaarding heeft ontvangen en opgelegd. Op 17 november 1997 is verdachte bij verstek veroordeeld, waarbij de politierechter in zijn uitspraak als adres van verdachte het adres aan de [a-straat] vermeldt.

9. Nu verdachte het adres aan de [a-straat] jaren nadat hij was uitgeschreven naar Spanje had opgegeven, is er bij de betekening van de oproeping ten onrechte van uitgegaan dat hij geen bekende woon- of verblijfplaats hier te lande had. Overeenkomstig hetgeen ik onder nr.7 heb vastgesteld, is de oproeping voor de terechtzitting van 17 november 1997, niet correct uitgereikt. Om doelmatigheidsredenen kan de Hoge Raad deze oproeping nietig verklaren.

10. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, behalve voor zover daarbij het vonnis van de politierechter is vernietigd, dat de oproeping om ter terechtzitting van 17 november 1997 te verschijnen zal worden nietig verklaard, en dat de zaak zal worden teruggewezen naar de rechtbank te Rotterdam teneinde op de bestaande dagvaarding verder te worden berecht en afgedaan.

11. Daarbij wijs ik ambtshalve op het feit dat uit de stukken volgt dat de dagvaarding in eerste aanleg op 18 april 1997 in persoon is uitgereikt door een opsporingsambtenaar. De bevoegdheid tot vervolging over te gaan mag niet worden gemandateerd aan een politieambtenaar (Vgl. HR NJ 2000, 423). De rechter had derhalve moeten onderzoeken of de dagvaarding krachtens een opdracht van de officier van justitie is uitgebracht en indien de dagvaarding niet krachtens een opdracht van de officier van justitie was uitgebracht dan zou dit leiden tot nietigheid van de inleidende dagvaarding (Vgl. HR 27 februari1 2001, griffienummer 01738/00).

Ik concludeer dat de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof vernietigt, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, en de oproeping van verdachte om te verschijnen voor de zitting van het de rechtbank van 17 november 1997 om doelmatigheidsredenen nietig verklaart, en de strafzaak terugwijst naar de rechtbank Rotterdam.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,