Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZC3692

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
C99/353HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZC3692
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 554
JWB 2001/265

Conclusie

Rolnr. C99/353

Zitting 8 juni 2001

Conclusie mr J. Spier

inzake

[Eiseres]

tegen

Stichting Advocaten-Software

(hierna: SAS)

Edelhoogachtbaar College,

Feiten

1.1 In cassatie kan van de volgende - door de Rechtbank in haar vonnis van 28 juli 1999 vastgestelde - feiten worden uitgegaan.

1.2 SAS is leverancier van een computerprogramma voor een urenregistratie- en een debiteurenbewakingssysteem ten behoeve van advocaten. Dit programma wordt als standaardsoftwarepakket geleverd.

1.3 SAS heeft op 30 september 1994 ten kantore van [eiseres] een demonstratie gegeven van dit programma. [Eiseres] hield in die tijd praktijk in een kantoorkostencombinatie met [B B.V.].

1.4 Vervolgens hebben partijen in de periode daarna onderhandeld over de aanschaf van het programma en de prijs daarvan. Zij zijn het er uiteindelijk op 5 december 1994 over eens geworden dat [eiseres] een licentie van het programma verkreeg voor een bedrag van ƒ 2.000,- exclusief BTW en exclusief acht uur installatie- en instructiekosten. In totaal ging het om een bedrag van ƒ 3.619,-. Aan [B B.V.] zou SAS eveneens een licentie verlenen voor een bedrag van ƒ 2.000,- exclusief BTW.

1.5 SAS heeft het programma op het advocatenkantoor geïnstalleerd met instructies. [eiseres] heeft het verschuldigde bedrag voldaan, maar [B B.V.] niet.

1.6 Bij nota's van 16 februari 1995, 22 februari 1995 en 10 april 1995 heeft SAS aan [eiseres] meerwerk in rekening gebracht voor een totaalbedrag van ƒ 1.141,34. Deze nota's zijn onbetaald gebleven.

1.7 [Eiseres] heeft een aantal keren geklaagd over het ontbreken van bepaalde toepassingsmogelijkheden in het programma. [Eiseres] wilde dat SAS de gewenste toepassingen in het programma zou aanbrengen zonder de extra kosten (volledig) in rekening te brengen. SAS heeft dit geweigerd.

1.8 In december 1995 is het programma geblokkeerd. SAS heeft aangeboden het programma te repareren maar heeft daar bepaalde betalingseisen tegenover gesteld waar [eiseres] het niet mee eens was. Uiteindelijk heeft [eiseres] bij brief van 30 januari 1996 de overeenkomst met SAS ontbonden.

2. Procesverloop

2.1 SAS heeft in deze zaak veroordeling van [eiseres] gevorderd tot betaling van een bedrag van ƒ 1.141,34 terzake van kosten verbonden aan - in de bewoordingen van de dagvaarding - "onderhoud- en reparatiewerkzaamheden", zulks met nevenvorderingen. De grondslag van deze vordering zoekt SAS in een met [eiseres] en [B B.V.] gesloten overeenkomst. [eiseres] en [B B.V.] vormen, aldus de dagvaarding, "op basis van kostendeling samen een advocatenmaatschap".

2.2 [Eiseres] heeft er in de eerste plaats op gewezen "een advocatenpraktijk in een kantoorkostenccombinatie" te hebben. "Hij" is in contact gekomen met SAS (cva onder 1).1

2.3 Volgens van Eeghen zouden zij en [B B.V.] beide een licentie krijgen; de installatie- en instructiekosten zouden onderling worden verdeeld (cva onder 4).

2.4.1 Volgens [eiseres] bezat het geleverde programma niet de mogelijkheden die zij verwachtte en ook had mogen verwachten. Zij maakt er gewag van dat SAS onder meer betaling verlangde van een bedrag van ƒ 1.141,34; waarop dit bedrag betrekking zou hebben wordt niet aangegeven (cva onder 10). Onder 14 wordt gewag gemaakt van "meerwerk". Bij dupliek in conventie betoogt [eiseres] dat de "betwiste rekeningen" betrekking hebben op het volgende: "[betrokkene A] had de installatie en instructie voor een vaststaand aantal uren aangenomen (...). De boven het afgesproken aantal gerekende uren heeft [eiseres] betwist en niet betaald" (onder 4). Nader voert zij aan dat er geen meerwerk kan zijn omdat het aantal uren was gefixeerd (onder 11).

2.4.2 In verband met de schade die zij heeft geleden door het pretens ondeugdelijke systeem vordert [eiseres] ontbinding van de overeenkomst, vergoeding van haar schade op te maken bij staat en terugbetaling van hetgeen reeds is voldaan.

2.4.3 SAS heeft in reconventie als verweer aangevoerd dat de door [eiseres] opgesomde tekortkomingen van het programma zien op mogelijkheden die ook in het gedemonstreerde programma ontbraken, terwijl de overeenkomst tussen partijen betrekking had op het gedemonstreerde programma.

2.5 Als prod. 2 bij cva heeft [eiseres] een onder meer door mr [...] voor akkoord getekende brief in geding gebracht waarin is te lezen dat "Van Gogh Case Tools" (kennelijk de handelsnaam van SAS) "op voorhand" aan [eiseres] het licentiebedrag zomede "8 uur werkinspanning onzerzijds á f. 135,= in rekening brengen. Of en in welke mate hij deze laatste post wil verrekenen met [betrokkene C] laten wij aan hem over."

2.6.1 De Kantonrechter heeft het - onder 2.4.3 samengevatte - reconventionele verweer gehonoreerd. Voorts heeft de Kantonrechter in reconventie overwogen dat [eiseres] niet aannemelijk had gemaakt dat zij er aanspraak op had dat SAS zonder kosten aanpassingswerkzaamheden zou verrichten (rov. 9-12).

2.6.2 Nu vaststaat dat [eiseres] de opdracht tot aanpassing van het programma had verstrekt, achtte de Kantonrechter haar gehouden tot betaling van het door SAS gevorderde bedrag (rov. 13). Hij wees de vordering in conventie toe en in reconventie af.

2.7 [Eiseres] heeft van het vonnis van de Kantonrechter hoger beroep ingesteld en het geschil in volle omvang aan de Rechtbank voorgelegd. Bij mvg wordt gesteld dat "de nota's" "opgedrongen meeruren" betreffen terwijl daarvan - gezien de afgesproken prijs - geen sprake kan zijn (onder 7). Het zou hierbij gaan om (naar mag worden aangenomen het verhelpen van) "klachten over het laten functioneren van het programma" (onder 8). Voor de openstaande rekeningen van [B B.V.] kon zij niet worden aangesproken (onder 12).

2.8.1 SAS heeft te berde gebracht dat [eiseres] in elk geval een bedrag van ƒ 1.141,31 niet heeft betaald; [eiseres] en [B B.V.] vormden, volgens haar, één kantoor (mva onder 10). Zij heeft slechts "extra werkzaamheden" in rekening gebracht; het ging daarbij onder meer om een hersteloperatie en met name niet om de kosten van de installatie van het programma (onder 13).

2.8.2 SAS heeft bij mva een "declaratie" van 16 februari 1995 en een van 22 februari 1995 overgelegd. Daarop wordt gewag gemaakt van een groot aantal werkzaamheden met de daarmee gemoeide tijd. (Terzijde: welke onderdelen daarvan voor de onderhavige procedure van belang zouden zijn, wordt niet uit de doeken gedaan. De inleidende dagvaarding maakt nog melding van een nota van 10 april 1995; een specificatie is niet overgelegd).

2.9 Bij pleidooi heeft [eiseres] aangevoerd dat SAS "10 extra uren" in rekening heeft gebracht hoewel "geen opdracht (is) gegeven voor extra werk"; er was ook geen sprake van "extra meerwerk". Zij vervolgt haar betoog aldus: "de uren zijn besteed aan het invoeren van het programma" (pleitnotities mr Van de Water onder 19). Als niet-betaling van ƒ 1.100 al wanprestatie zou opleveren dan kan zij, volgens [eiseres], geen opschorting rechtvaardigen gezien de overlast en de schade die [eiseres] heeft geleden (onder 26). Immers is de boekhouding volledig afhankelijk van het urenprogramma (onder 27).

2.10 Blijkens het p.v. van de openbare terechtzitting bij de Rechtbank heeft [betrokkene A] desgevraagd verklaard dat de meerwerkfacturen betrekking hadden op extra instructie-uren. [Betrokkene D] belde steeds voor nadere uitleg. De facturen zagen niet op "extra aanpassingen aan het programma".

2.11.1 De Rechtbank heeft het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd. Daartoe heeft zij, voor zover in cassatie van belang, het navolgende overwogen.

2.11.2 [Eiseres] heeft niet met zoveel woorden betwist dat door SAS daadwerkelijk tien uren extra aan instructie zijn besteed. Dat SAS extra instructies heeft moeten geven op verzoek van "het advocatenkantoor" is, volgens de Rechtbank, "door SAS bij pleidooi in hoger beroep nog onweersproken gesteld" (rov. 6 eerste volle alinea).

2.11.3 [Eiseres] mocht, volgens de Rechtbank, niet verwachten dat het programma de toepassingsmogelijkheden bevatte waarnaar tijdens de demonstratie was geïnformeerd (rov. 6 blz. 6).

2.11.4 Uit hetgeen onder 2.11.2 en 2.11.3 is weergegeven2, trekt de Rechtbank de conclusie dat [eiseres] "de meerwerkfacturen aan SAS verschuldigd is" (rov. 7).

2.12 Ten aanzien van het beroep van SAS op een retentie- of opschortingsrecht heeft de Rechtbank overwogen dat er voldoende samenhang was tussen de vordering van SAS op basis van de meerwerknota's en de verplichting van SAS om [eiseres] weer toegang te verschaffen tot het programma. Zodoende kwam SAS een beroep toe op het opschortingsrecht.

2.13 [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. SAS heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunt summierlijk schriftelijk toegelicht. [Eiseres] heeft nog gerepliceerd.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

Inleiding

3.1 Uit hetgeen onder 2 is weergegeven, vloeit m.i. voort dat partijen in feitelijke aanleg zeer vaag zijn gebleven over de vraag waarop het door SAS gevorderde nauwkeurig betrekking heeft. Allerhande - weinig verhelderende - stukken zijn overgelegd. De nota's zijn niet in geding gebracht.

3.2 Klaarblijkelijk worstelde de Rechtbank met dezelfde vraag. Naar mag worden aangenomen was dit de reden waarom de voorzitter aan [betrokkene A] (van SAS) heeft gevraagd wat de post meerwerk inhield. Het - onder 2.10 vermelde - op deze vraag gegeven antwoord kan uiteraard juist zijn; het past niet goed in de beweringen van beide partijen.

3.3 Nochtans is de Rechtbank voortgegaan op het spoor van het antwoord van [betrokkene A]. De moeilijkheid dat dit antwoord in feite een geheel nieuwe wending aan de procedure gaf3, heeft zij kennelijk getracht op te lossen door te overwegen dat SAS zulks "bij hoger beroep nog onweersproken heeft gesteld". Aldus wordt gesuggereerd dat SAS deze stelling al eerder te berde had gebracht ("nog"). Die suggestie is evenwel onjuist.

3.4.1 Het gaat in casu niet om de vraag of een procespartij voor het eerst bij pleidooi in appèl een geheel nieuwe feitelijke grondslag onder haar vordering mag schuiven. Immers blijkt uit niets (en is door de Rechtbank ook niet overwogen) dat SAS zulks heeft gedaan.

3.4.2 Het gaat wél om de vraag of de wijze waarop de Rechtbank de grondslag van de vordering heeft genterpreteerd steun vindt in de stukken. Die laatste vraag staat, naar ik begrijp, in de middelen centraal.

Bespreking van de klachten ten gronde

3.5 Naar de kern genomen klagen de middelen I en II er over dat de Rechtbank te werk is gegaan als onder 3.2, 3.3 en 3.4.2 vermeld. Ik zou willen aannemen dat de moeilijk begrijpelijke laatste alinea van middel II de glazen van [eiseres] niet ingooit.

3.6.1 In hetgeen onder 3.1 - 3.4 is opgemerkt ligt besloten dat deze klachten m.i. terecht worden voorgedragen.

3.6.2 Weliswaar is de uitleg van de processtukken in zeer overwegende mate een feitelijke kwestie (en daarmee onttrokken aan toetsing in cassatie), de uitleg waartoe de Rechtbank kennelijk is gekomen, kan zelfs een marginale toets niet doorstaan. Het valt op zich te prijzen dat zij heeft getracht goede zin te geven aan niet begrijpelijke uiteenzettingen van beide partijen en dat zij getracht heeft deze te persen in een wél duidelijk antwoord op een expliciet gestelde vraag, er had ten minste enig feitelijk aanknopingspunt voor deze werkwijze moeten zijn. Dat ontbreekt m.i.

3.7 Op hetgeen in de - niet steeds duidelijke - in de cassatiedagvaarding opgenomen toelichtingen op de middelen te berde wordt gebracht, behoeft bij deze stand van zaken niet te worden ingegaan.

3.8.1 Voorzover de middelen I en II de klacht behelzen dat - uitgaande van de interpretatie van de grondslag van de vordering zoals de Rechtbank deze in haar vonnis geeft - de overeenkomst in de weg staat aan een betalingsverplichting voor meer dan 8 uur instructie falen zij. Immers heeft de Rechtbank, kennelijk voortbouwend op het - blijkbaar niet weersproken - relaas van [betrokkene A] zoals opgenomen in het p.v. kennelijk aangenomen dat

a. de overeenkomst ziet op een standaardinstructie;

b. daarom extra vragen die uitgaan boven de standaardinstructie in rekening mochten worden gebracht.

3.8.2 Het ligt voor de hand - en berust bovendien op een waardering van feitelijke aard en met name op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de overeenkomst - dat een leverancier van software niet onbeperkt kosteloos met vragen kan worden bestookt. Dat geldt a fortiori wanneer - zoals in casu - op diens standaardprijs voor instructie door de afnemer met succes zeer sterk is beknibbeld.

3.8.3 Weliswaar is een oordeel als onder 3.8.1 en 3.8.2 niet met zoveel woorden in het bestreden vonnis te lezen, ik zou het ervoor willen houden dat het er wel in ligt besloten. In dit verband zij in het bijzonder gewezen op de - cryptische, maar moeilijk voor andere uitleg vatbare - passage dat [eiseres] zich er "gezien de afspraak (...) dat installatie- en instructie-uren door [eiseres] zouden worden voldaan" niet op kan beroepen dat "deze extra uren bij [B B.V.] in rekening hadden moeten worden gebracht". Hierbij valt te bedenken dat de overeenkomst tussen [B B.V.] en [eiseres] gelijkluidend is. Als de overeenkomst er niet aan in de weg staat dat [B B.V.] voor extra uren moet betalen (zoals de Rechtbank kennelijk aanneemt) dan geldt datzelfde voor [eiseres].

3.8.4 Ik stip hierbij aan dat een klacht als onder 3.8.1 in de eerste volzin vermeld slechts met de nodige goede wil in de middelen is te lezen en dat de klacht er dan kennelijk eveneens vanuit gaat dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de overeenkomst niet aan de vordering in de weg staat.

3.9 Middel II klaagt er voorts over dat de Rechtbank heeft miskend dat [eiseres] geen opdracht heeft gegeven tot het "onderwerpelijke en betwiste 10 uur meerwerk". Volgens het middel zou hetgeen is gefactureerd betrekking hebben op aanpassingen wegens tekortkomingen. Na verwijzing zal, zo nodig, op die kwestie kunnen worden ingegaan.

3.10 Het derde middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat SAS vanaf december 1995 bevoegd was de toegang tot het computerprogramma voor [eiseres] op te schorten totdat de meerwerknota's waren voldaan.

3.11 [Eiseres] verwijt de Rechtbank in de eerste plaats dat onduidelijk is op welke samenhang wordt gedoeld. Die klacht mist doel. De Rechtbank heeft - zoals in de eerste twee middelen ook wordt aangestipt - wel degelijk aangegeven op welke samenhang zij het oog heeft.

3.12 De kern van het middel is dat de niet betaalde en betwiste meerwerknota's onvoldoende rechtvaardiging vormen voor het door SAS ingeroepen opschortingsrecht. Volgens [eiseres] is - zo versta ik het middel - sprake van disproportionaliteit gezien haar schade.

3.13 Het middel gispt bovendien het oordeel van de Rechtbank omdat, naar ik begrijp, SAS ten onrechte haar opschortingsrecht mede heeft gebaseerd op wanprestatie van [B B.V.]. Deze klacht ziet eraan voorbij dat voor de vraag of het bestreden vonnis juist is zonder gewicht is welke redenen SAS heeft aangevoerd.

3.14 Ten slotte wordt de Rechtbank aangewreven te hebben miskend dat "SAS haar gronden voor opschorting bereid was te laten varen behoudens de incassokosten". Hieruit zou het geringe gewicht dat SAS toekende aan de niet-betaling blijken. Deze klacht mist reeds doel omdat de daarin betrokken stelling geen steun vindt in de gedingstukken; ook niet in de genoemde productie.

3.15 Derhalve resteert de proportionaliteitsklacht weergegeven onder 3.12.

3.16 Het middel faalt reeds omdat niet voldoende uit de doeken wordt gedaan waarom sprake zou zijn van disproportionaliteit.4 Weliswaar gaat het om betaling van een betrekkelijk beperkt bedrag, dat bedrag is in het licht van de overeengekomen prestatie geenszins onbeduidend.

3.17 Daar komt bij dat het middel wel rept van schade voor [eiseres] maar niet aangeeft welke omvang deze heeft of had kunnen hebben (hetgeen trouwens ook in feitelijke aanleg in het vage is gebleven).

3.18 Evenredigheid laat zich niet meten wanneer de zwaarte van de gewichten onbekend is. Ten aanzien van de in het middel genoemde belangen van [eiseres] is dat onbekend.

3.19 Volledigheidshalve stip ik nog aan dat niet-betaling van wel overeengekomen bedragen kostbare gevolgen kan hebben.5 Dat is ongetwijfeld te betreuren, maar de meest geëigende oplossing daarvoor is tijdig schulden te voldoen.

Ten slotte

3.20 Deze zaak is één van de vele voorbeelden die duidelijk maken dat ons procesrecht dringend aan herziening toe is. In een ideale wereld is het wellicht wenselijk dat drie rechterlijke colleges (en als Uw Raad deze conclusie volgt ten minste vier) zich buigen over een zaak met een gering financieel belang waarin partijen (mogelijk vanwege dat belang) niet duidelijk hebben kunnen maken waarover zij procederen. In een tijd waarin de rechterlijke macht dreigt te bezwijken onder de last van steeds meer en steeds gecompliceerder (gemaakte) procedures is dat een weelde die de rechter afhoudt van zaken waarin grotere (niet noodzakelijkerwijs financiële) belangen op het spel staan.

3.21 Tegen deze achtergrond bezien, bekoort het resultaat waartoe deze conclusie komt (mij) niet bovenmatig. Het bestreden vonnis met de mantel der liefde toedekken, ging mij om de genoemde redenen evenwel te ver.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ik sta hierbij kort stil omdat [eiseres] in cassatie terloops deze kwestie aanroert.

2 Ik heb de niet gemakkelijk te begrijpen passage over het recht van SAS te verlangen dat [eiseres] zou betalen voor de extra toepassingen weggelaten omdat dit klaarblijkelijk op een andere vraag ziet.

3 Met veel goede wil zou uit prod. 13, door [eiseres] bij cva overgelegd, kunnen worden afgeleid dat SAS mede een vordering pretendeert op grond van extra instructie. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat deze brief kan worden aangemerkt als een basis van de door SAS in deze procedure aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling (hetgeen m.i. niet zo is), blijft overeind dat SAS mede andere werkzaamheden aan haar vordering ten grondslag legt, ook in die (weinig duidelijke) brief trouwens.

4 Vgl. M.V. Hesselink, De redelijkheid en billijkheid in het Europees privaatrecht (diss. Utrecht 1999) blz. 303.

5 Vgl. HR 4 februari 2000, NJ 2000, 562 JBMV en

HR 11 februari 2000, NJ 2000, 277.