Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZC3686

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
C00/264HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZC3686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 67, geldigheid: 2001-10-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 560
NJ 2001, 655
RvdW 2001, 162
VR 2002, 51
AV&S 2002, p. 49 (nr. 3)
JWB 2001/263

Conclusie

Rolnr. C00/264

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 8 juni 2001

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen

VERENIGING VOOR DIACONESSENARBEID IN EINDHOVEN EN OMGEVING

1. Feiten1 en procesverloop; eerdere procedure tussen partijen

1.1 Eiseres tot cassatie, [eiseres], heeft in 1956 in het door verweerster in cassatie, het Ziekenhuis, geëxploiteerde Diaconessenziekenhuis te Eindhoven een maagoperatie ondergaan. In verband daarmee is in het laboratorium van het Ziekenhuis haar rhesusfactor bepaald. Daarbij is een fout gemaakt waardoor [eiseres] rhesus-positief bloed getransfuseerd heeft gekregen. Dat heeft bij haar geleid tot rhesusantagonisme.

1.2 Ten gevolge van een en ander heeft [eiseres] tweemaal, in 1959 en 1960, een doodgeboren kind gekregen. Voorts bleek dat haar kans om kinderen te krijgen praktisch nul was. Zij heeft zich daarom in 1967 laten steriliseren.

1.3 Bij inleidende dagvaarding van 29 mei 1991 heeft [eiseres] het Ziekenhuis aangesproken ter zake van vergoeding van schade bestaande in haar onvrijwillige kinderloosheid en spanningen als gevolg van genoemde, volgens haar als onrechtmatige daad aan te merken, fout. In drie instanties, laatstelijk bij arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995, NJ 1998, 380 (CJHB) is geoordeeld dat deze vordering was verjaard en dat [eiseres] daarin niet kon worden ontvangen.

1.4 [Eiseres] heeft in de hiervoor genoemde procedure in cassatie (a) betoogd dat de schade wegens kinderloosheid heeft te gelden als een voortdurende of doorlopende schade en dat de vordering tot vergoeding van die schade daarmee van periode tot periode waarin de schade ontstaat verjaart, zodat haar vordering voor wat betreft de periode na 29 mei 1961 op grond van het toepasselijke art. 2004 BW (oud) ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet was verjaard (onderdeel 2 van het cassatiemiddel in de eerdere procedure).

Daarnaast heeft zij (b) gesteld dat haar op een later tijdstip extra leed is toegevoegd, toen zij vernam dat het mislopen van haar beide zwangerschappen en haar kinderloosheid aan een menselijke fout waren te wijten. Dit extra leed heeft als een bijkomende schade te gelden. De verjaringstermijn ter zake van de daarop betrekking hebbende vordering is eerst op dat moment gaan lopen. In dit verband is zij teruggekomen op haar eerdere stelling dat zij deze wetenschap in 1967 zou hebben verkregen2. Volgens [eiseres] berustte deze stelling op een misverstand; in werkelijkheid is haar eerst in 1988 medegedeeld dat destijds sprake is geweest van een menselijke fout3 (onderdeel 3 van het cassatiemiddel in de eerdere procedure).

1.5 In genoemd arrest van 3 november 1995 heeft de Hoge Raad ten aanzien van deze stellingen het volgende overwogen:

"(De onderdelen) nemen tot uitgangspunt dat de schade wegens kinderloosheid heeft te gelden als een voortdurende of doorlopende schade zodat de vordering tot vergoeding verjaart van periode tot periode waarin de schade ontstaat (onderdeel 2), resp. dat toen en doordat [eiseres] in 1967 vernam dat het mislopen van haar beide zwangerschappen en haar kinderloosheid aan een menselijke fout waren te wijten, haar extra leed is toegevoegd dat als een bijkomende schade heeft gelden, zodat de daarop betrekking hebbende vordering eerst sedertdien is gaan verjaren (onderdeel 3). Voor beide uitgangspunten geldt dat, zoals de onderdelen zelf al aangeven, het hier stellingen betreft die in de feitelijke instanties niet zijn aangevoerd. Die stellingen zijn evenwel mede van feitelijke aard en kunnen daarom niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen".

1.6 In de onderhavige procedure heeft [eiseres] het Ziekenhuis bij exploit van 2 mei 1996 andermaal gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch. Zij vordert thans (alsnog) vergoeding van de doorlopende, na 1 mei 1961 geleden schade wegens haar kinderloosheid en van de schade als gevolg van het haar in 1988 toegebrachte extra leed. Daarnaast vordert zij vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de medische noodzaak om zich vanwege de verkeerde bloedtransfusie zeswekelijks door de huisarts een vitamine B-injectie te laten toedienen.

1.7 [Eiseres] heeft in dit verband aangevoerd dat de verjaring van de vordering ter zake van deze schadeposten door de inleidende dagvaarding in de eerdere procedure van 29 mei 1991 rechtsgeldig is gestuit en dat deze stuiting ingevolge art. 3:316 lid 2 BW haar werking heeft behouden nu de onderhavige procedure binnen zes maanden na het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995 aanhangig is gemaakt.

1.8 Het Ziekenhuis heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden. Na conclusiewisseling en pleidooi heeft de rechtbank in haar vonnis van 16 januari 1998 de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

1.9 Onder aanvoering van vijf grieven is [eiseres] van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het Ziekenhuis heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Na memoriewisseling heeft het hof bij arrest van 7 juni 2000 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.10 [Eiseres] heeft tegen het arrest van het hof tijdig4 beroep in cassatie ingesteld. Het Ziekenhuis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunt vervolgens nog schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van de middelen in het principale beroep

2.1 Het hof heeft in rechtsoverweging 4.2 allereerst de schadeposten geïnventariseerd waarvan [eiseres] in deze procedure vergoeding vordert. Volgens het hof gaat om vergoeding van:

(a) de doorlopende immateriële schade die zij vanaf 1961 heeft geleden ten gevolge van het tot tweemaal toe krijgen van een doodgeboren kind en het leed en de stress door het gemis aan (klein)kinderen;

(b) de doorlopende schade ten gevolge van de medische noodzaak om vanwege de verkeerde bloedtransfusie zich zeswekelijks een vitamine B-injectie te laten toedienen;

(c) de in 1988 ontstane immateriële schade ten gevolge van het feit dat zij er toen voor het eerst door het Ziekenhuis over werd ingelicht dat haar kinderloosheid te wijten was geweest aan een onnodige menselijke fout die tot 1988 tegenover haar door het Ziekenhuis en de daaraan verbonden artsen is verzwegen. Het hof verstaat de stellingen van [eiseres] op dit punt aldus dat elke dag dat het Ziekenhuis deze informatie na 1967 heeft verzwegen, jegens haar een onrechtmatige daad opleverde en subsidiair dat het extra leed als gevolg van de ontdekking van deze verzwijging in 1988 een nieuwe, bijkomende schadepost heeft opgeleverd.

2.2 Ten aanzien van de gevorderde schade sub a en b overweegt het hof vervolgens het volgende:

"4.3. De gevorderde schade sub a. en b. is veroorzaakt door de laboratoriumfout en de daardoor gevolgde verkeerde bloedtransfusie in 1956. Deze onderdelen van de vordering stuiten dan ook af op het gezag van gewijsde van de eerdere, bij dagvaarding van 29 mei 1991 door [eiseres] tegen het Ziekenhuis aanhangig gemaakte procedure, die is geëindigd met het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995 (NJ 1998, 380).

4.3.1. Met de vierde grief heeft [eiseres] aangevoerd dat beide schades naar haar aard een voortdurende en doorlopende schade betreffen, zodat de schadevergoedingsvordering verjaart van periode tot periode dat de schade is ontstaan. [eiseres] stelt dat zij uit dien hoofde vergoeding kan vorderen van de schade voor zover gelden na het tijdstip gelegen dertig jaar vóór het instellen van haar rechtsvordering bij dagvaarding van 29 mei 1991, dus voor zover geleden vanaf 1961. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige begint te lopen op het moment van het schadeveroorzakend handelen. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die in dit geval een ander oordeel kunnen rechtvaardigen. Slechts ter zake van schadeposten die ten tijde van dat schadeveroorzakend handelen niet behoefden te worden verwacht, kan een aparte termijn gaan lopen (vgl. punt 7. Conclusie AG Hartkamp bij voormeld arrest). Dit aspect is aan de orde bij de gevorderde schade sub c."

2.3 Middel I richt zich met twee klachten tegen hetgeen het hof in de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.3.1 heeft overwogen ten aanzien van de gevorderde schade sub a en b.

2.4 De eerste klacht5 is gericht tegen rechtsoverweging 4.3.1 en luidt dat het oordeel van het hof dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige begint te lopen op het tijdstip van het schadeveroorzakend handelen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Betoogd wordt dat onder het hier toepasselijke art. 2004 BW(oud) de verjaringstermijn van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad eerst begint te lopen op het moment dat deze vordering opeisbaar is. In de regel is dit het geval vanaf het moment dat de schade wordt geleden. Nu het bij de sub a en b bedoelde schade gaat om doorlopende of voortdurende schade die van periode tot periode wordt geleden, is de vanaf 1961 geleden schade, anders dan het hof heeft geoordeeld, dan ook niet verjaard.

2.5 Op grond van art. 2004 BW(oud) geldt als uitgangspunt dat de verjaringstermijn van een vordering begint te lopen op het ogenblik waarop de verbintenis opeisbaar wordt, ongeacht of de schuldeiser op dat moment reeds met het bestaan van de verbintenis bekend is6. Voor wat betreft vorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad valt dit tijdstip volgens de Hoge Raad samen met het moment waarop de verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan. Voor dit ontstaan is vereist dat naast de overige vereisten van art. 1401 BW(oud) ook is voldaan aan het vereiste dat schade is geleden. Met het intreden van de schade wordt de vordering opeisbaar en gaat de verjaringstermijn derhalve lopen. Daarbij is niet noodzakelijk dat de omvang van de schade alsdan reeds is komen vast te staan7.

2.6 De klacht karakteriseert m.i. terecht de onderhavige schade als een voortdurende schade. Bij [eiseres] leeft immers een niet aflatend besef van haar gedwongen kinderloosheid, dat zij haar gehele leven bij zich zal dragen.

2.7 In de literatuur bestaat verschil van mening over het aanvangstijdstip van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding, indien een onrechtmatige daad een voortdurende schade teweegbrengt.8.

Tegenover het standpunt Langemeijer/Hartkamp, dat kort gezegd inhoudt dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment van de onrechtmatige daad, staat de visie van Bloembergen, die meent dat in gevallen waarin de schade en dus ook de verbintenis tot het vergoeden van de schade deel voor deel ontstaat, de verjaringstermijn eveneens deel voor deel zal beginnen te lopen9.

2.8 Wat betreft immateriële schade, meent Klaassen - die de lijn Bloembergen volgt - dat de vordering tot vergoeding daarvan in volle omvang ontstaat op het moment van de gebeurtenis die aanspraak op vergoeding van deze schade geeft. Zij acht deze benadering vanuit praktisch oogpunt alleszins acceptabel omdat het minder eenvoudig is een splitsing aan te brengen tussen geleden en toekomstige schade10. Ook Lindenbergh meent dat immateriële schade zoals thans wordt gevorderd zich niet eenvoudig laat "opdelen in periodiek te lijden elementen"11.

Beiden wijzen op het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1997, NJ 1998, 508 over de wijze van berekening van de wettelijke rente over het bedrag van een geldvordering, waarin is geoordeeld dat wanneer de rechter omtrent het moment waarnaar de schade moet worden begroot geen oordeel heeft gegeven, de immateriële schade geacht moet worden terstond bij het ongeval te zijn ontstaan12.

2.9 De onderhavige immateriële schade was in al zijn facetten - derving van levensvreugde wegens gemis aan kinderen, de rijkdom van een gezinsleven, het ontbreken van kleinkinderen en het overige genoemde leed - voorzienbaar en te overzien op het moment van het ontstaan ervan. Hoewel er sprake is van verschillende facetten, kan toch worden gesproken van één doorlopende schade13.

Ik meen daarom dat de verjaringstermijn voor de hier aan de orde zijnde schade op het moment van het schadeveroorzakend handelen, derhalve in 1956, is aangevangen. [eiseres] kan immers vanaf dat moment geacht worden bekend te zijn met de schade, ook met die waarvan te verwachten is dat zij in de toekomst zal worden geleden. Daarbij kan nog worden gewezen op art. 6:105 lid 1 BW, - dat onmiddellijke werking heeft en waarvan wordt aangenomen dat dit ook reeds onder het oude recht gold14 - dat de rechter de mogelijkheid biedt toekomstige schade bij voorbaat te begroten of de begroting daarvan uit te stellen15.

2.10 Hierop dient de eerste klacht van middel I af te stuiten.

2.11 De tweede klacht van middel I is gericht tegen rechtsoverweging 4.3. Voor zover het hof in die overweging mede het oog heeft op de schade die [eiseres] na 1961 heeft geleden, is het daarin vervatte oordeel volgens de klacht rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, nu in de eerdere procedure onmiskenbaar geen oordeel over deze schade is gegeven.

2.12 Voor zover de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.3.1 aldus zouden moeten worden gelezen dat zij elk een afwijzingsgrond bevatten16, is sprake van twee gronden die het oordeel van het hof omtrent de schade sub a en b ieder zelfstandig kunnen dragen. In dat geval zou de tweede klacht van het middel bij gebrek aan belang geen bespreking behoeven.

M.i. dienen de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.3.1 evenwel als een geheel te worden gelezen.

2.13 Ingevolge art. 67 Rv. komt gezag van gewijsde toe aan beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, waarbij onder "rechtsbetrekking in geschil" dient te worden verstaan het geschilpunt of de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt.

De strekking van het gezag van gewijsde brengt mee dat partijen een eerder beslist geschilpunt niet telkens opnieuw aan de orde kunnen stellen met een beroep op nieuwe juridische en feitelijke stellingen, op grond waarvan thans anders moet worden geoordeeld17. Hiervan dient wel te worden onderscheiden het geval dat de vordering wordt herhaald op een andere feitelijke grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten18.

2.14 De vraag of aan een beslissing in een eerder vonnis gezag van gewijsde toekomt, hangt nauw samen met de inhoud en strekking van die beslissing. Het oordeel daarover is in de eerste plaats een kwestie van uitleg van het eerdere vonnis, hetgeen in beginsel is voorbehouden aan de feitenrechter19.

2.15 In rechtsoverweging 2.3 van haar vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat in de eerdere procedure definitief is beslist dat de vordering van [eiseres] tot vergoeding van de (immateriële) schade als gevolg van de als een onrechtmatige daad te kwalificeren laboratoriumfout in 1956, de daarop gevolgde verkeerde bloedtransfusie en de daardoor veroorzaakte onvrijwillige kinderloosheid, is verjaard20.

2.16 Waar het hof deze vaststelling blijkens rechtsoverweging 4.1 heeft overgenomen, ligt in rechtsoverweging 4.3 het oordeel besloten dat de onderdelen a en b van de vordering geen andere of nieuwe schadeposten vormen, terwijl [eiseres] deze onderdelen van haar vordering evenmin heeft gebaseerd op een andere, nog niet beoordeelde feitelijke grondslag, zodat sprake van dezelfde rechtsbetrekking in geschil.

Dit oordeel - dat mede is gebaseerd op een aan het hof voorbehouden uitleg van de beslissing in de eerdere procedure en de daarna ingestelde vordering van [eiseres] - geeft in het licht van hetgeen hiervoor werd opgemerkt niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is voorts niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. [eiseres] vordert immers wederom vergoeding van de (immateriële) schade als gevolg van de als onrechtmatige daad te kwalificeren laboratoriumfout in 1956, zij het dat zij deze schade thans presenteert als een voortdurende, periodiek te lijden schade en dat zij thans slechts aanspraak maakt op vergoeding van deze schade, voor zover deze na 1961 is opgetreden en geleden.

2.17 De tweede klacht van middel I faalt derhalve eveneens.

2.18 Middel II is gericht tegen hetgeen het hof heeft overwogen in rechtsoverweging 4.4.1. Het klaagt erover dat het hof hierin ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de dagvaarding in de eerdere procedure wat betreft onderdeel c van de vordering geen stuitende werking heeft gehad nu die dagvaarding daarop geen betrekking had.

Betoogd wordt dat onderdeel c van de vordering onmiskenbaar geen nieuwe vordering betreft, maar slechts een nadere schadepost die berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering die destijds bij de dagvaarding van 29 mei 1991 door [eiseres] is ingesteld.

2.19 Uit de rechtsoverwegingen 4.2 onder c en 4.4 blijkt dat het hof de stellingen van [eiseres] primair aldus heeft opgevat dat zij dit deel van haar vordering baseert op een tweede, zelfstandige onrechtmatige daad van het Ziekenhuis, daarin bestaande dat het Ziekenhuis vanaf 1967 tot 1988 tegenover haar heeft verzwegen dat haar onvrijwillige kinderloosheid te wijten is geweest aan een menselijke fout. In zoverre gaat het bij onderdeel c van de vordering derhalve primair om een zelfstandige vordering met een zelfstandige feitelijke grondslag waarvan de verjaring niet kan zijn gestuit door de dagvaarding van 21 mei 1991.

2.20 Het hof heeft echter daarnaast in rechtsoverweging 4.2 geoordeeld dat het extra leed als gevolg van de verzwijging subsidiair een nieuwe schadepost uit 1988 vormt, hetgeen aldus kan worden verstaan dat het hier gaat om een nadere schadepost die nog voortvloeit uit de als een onrechtmatige daad aan te merken laboratoriumfout in 1956; de later verkregen wetenschap dat het hier om een vermijdbare menselijke fout ging, heeft bij [eiseres] extra leed veroorzaakt.

2.21 In rechtsoverweging 4.3.1 heeft het hof overwogen dat ter zake van schadeposten die ten tijde van het schadeveroorzakend handelen niet behoefden te worden verwacht, een aparte verjaringstermijn kan gaan lopen en dat dit aspect aan de orde is bij de schade sub c. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is evenwel niet begrijpelijk of het extra leed in de hierbedoelde zin in 1956 al dan niet behoefde te worden verwacht. Indien voor deze schadepost een aparte verjaringstermijn is aangevangen in 1988, is de verjaring gestuit door de dagvaarding van 21 mei 1991. In zoverre treft middel II dan ook doel.

3. Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidenteel beroep

3.1 In rechtsoverweging 4.1 heeft het hof overwogen dat geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Bij zijn beoordeling in hoger beroep is het hof daarom uitgegaan van het door de rechtbank vastgestelde feit dat [eiseres] pas in 1988 heeft vernomen dat haar onvrijwillige kinderloosheid het gevolg was van een menselijke fout, gemaakt in het laboratorium van het Ziekenhuis.

3.2 Het middel komt hiertegen op met een rechtsklacht en een motiveringsklacht. Volgens de rechtsklacht heeft het hof aldus de devolutieve werking van het appel miskend, nu het Ziekenhuis zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft gesteld dat [eiseres] reeds in 1967 van de werkelijke toedracht en van het werkelijke causale verband op de hoogte was.

Volgens de motiveringsklacht is bedoelde beslissing van het hof, zo het in de memorie van antwoord geen onuitdrukkelijk incidenteel appel, althans een bezwaar tegen dit door de rechtbank als vaststaand aangenomen feit heeft gelezen, in het licht van de gedingstukken van het Ziekenhuis in elk geval onbegrijpelijk

3.3 De devolutieve werking van het appel strekt ter bescherming van de geïntimeerde die daardoor wordt behoed voor de nadelige gevolgen van het niet instellen van incidenteel beroep en brengt aldus mee dat een partij die een voor haar gunstig vonnis heeft verkregen harerzijds niet incidenteel behoeft te appelleren om haar niet prijsgegeven stellingen en weren in hoger beroep herbeoordeeld te krijgen21.

Op grond van deze strekking meen ik dat de regel ook geldt voor de vastgestelde feiten, ook indien het hof de grond waarop de rechtbank over dezelfde kwestie een voor geïntimeerde gunstig oordeel heeft gegeven, bekrachtigt. In geval van cassatie behoudt hij hierbij met het oog op de procedure na cassatie immers belang. Waar het Ziekenhuis in hoger beroep nogmaals uitdrukkelijk heeft gesteld dat [eiseres] reeds in 1967 wist van de gemaakte fout geeft het oordeel van het hof onder 4.1 derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtsklacht van het middel treft derhalve doel, zodat de motiveringsklacht geen bespreking behoeft.

4. Conclusie in het principaal en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

Deze strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 januari 1998, het bestreden arrest en het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel.

2 MvG in de eerdere procedure, nr. 1.4.

3 S.t. mr Snijders in de eerdere procedure, nrs. 1.4-1.6.

4 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 4 september 2000.

5 Ik volg de volgorde van de klachten in de cassatiedagvaarding; in de schriftelijke toelichting wordt gesteld dat middel I zich in de eerste plaats keert tegen r.o. 4.3.

6 HR 27 november 1964, NJ 1965, 51; HR 4 maart 1966, NJ 1966, 215; HR 22 september 1995, NJ 1997, 418.

7 HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246; HR 11 september 1992, NJ 1992, 746; HR 22 september 1995, NJ 1997, 418; HR 29 september 1995, NJ 1997, 419.

8 Voor een overzicht van de opvattingen in de literatuur zou ik op dit punt kortheidshalve willen verwijzen naar de conclusie van de A-G Hartkamp vóór het arrest van 3 november 1995, nr. 7. Zie ook Asser-Hartkamp, 4-I, 2000, nr. 674a en de daar genoemde literatuur en de conclusie van wnd A-G Bloembergen vóór HR 17 oktober 1997, NJ 1998, 508 onder 2.4.

9 Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, 1965, blz. 131-132.

10 C.J.M. Klaassen, Het moment van ontstaan van schade, preadvies voor de vereniging van Burgerlijk recht, 1998, blz.26.

11 S.W Lindenbergh, Smartengeld, proefschrift, 1998, blz. 309.

12 Zie r.o. 3.11. De Hoge Raad overweegt echter ook uitdrukkelijk dat deze zienswijze in dat geding niet is betwist. Zie over dit arrest Schadevergoeding, Deurvorst, art. 106, aant. 19; Wachter, A&V 1997, blz.152 e.v.; Dommering-van Rongen, NTBR 1998, blz. 81 e.v..

13 Het Duitse recht spreekt in dit verband van een "Schadenseinheit", Schuldrecht IV/2, 1998, blz. 703. In zoverre verschilt deze zaak van HR 11 september 1992, NJ 1992, 746, waarin de periodiek te verschijnen schadeposten telkens duidelijk konden worden aangewezen.

14 Oostveen 2001 (T&C BW) art. 6:105 BW, aant. 5 en 6, onder verwijzing naar Asser-Hartkamp 4-I, 1992, blz. 362-364 en MvT, Parl. Gesch. Ow, blz. 308. Daar is dit overigens niet met zoveel woorden te vinden.

15 Zie ook de conclusie van A-G Hartkamp vóór het arrest in de eerdere procedure onder 7.

16 Zie de schriftelijke toelichting van mr. Von Schmidt auf Altenstadt onder 3.9.

17 Hierover uitgebreid: D.J. Veegens, Het gezag van gewijsde, 1972; Burgerlijke rechtsvordering, Asser, art. 67, aant. 6-10; Y.E.M. Beukers, Eenmaal, andermaal?, 1994; E. Gras, Kracht en gezag van gewijsde, 1994, allen met (veel) verdere verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie.

18 Burgerlijke rechtsvordering, Asser, art. 67, aant. 7 en 8.

19 Vgl. de conclusie van A-G Asser vóór HR 19 november 1993, NJ 1994, 175 (nr. 2.16). Zie ook de noot van Vranken onder HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413. Zie ook: HR 13 oktober 2000, NJ 2001, 210.

20 In het vonnis van de rechtbank is sprake van een foutieve nummering; in werkelijkheid gaat het om rov. 2.4.

21 HR 17 oktober 1986, NJ 1987, 124; HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30 (JBMV); HR 29 mei 1998, NJ 1999, 287; Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, 1992, blz. 69-73; Snijders/Wendels, Civiel appel, 1999, blz. 179-189.