Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZC3661

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2001
Datum publicatie
05-10-2001
Zaaknummer
C99/362HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZC3661
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 179, geldigheid: 2001-10-05
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 188, geldigheid: 2001-10-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 517
JWB 2001/231

Conclusie

C 99/362 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 11 mei 2001

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

Het cassatieberoep richt zich tegen het bewijsoordeel, dat eiser tot cassatie zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn werknemer. Voorts wordt de toewijzing van smartengeld met motiveringsklachten bestreden.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan1. Verweerder in cassatie, geboren in 1964 (hierna: de werknemer), heeft van 1978 tot juni 1990 als knecht gewerkt in de boerderij van eiser tot cassatie (hierna: de werkgever). Vanaf 1981 woonde hij bij de werkgever in huis. Vanaf maart 1987 had de werknemer aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In juni 1990 heeft hij de boerderij verlaten.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 24 november 1992 heeft de werknemer de werkgever gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en schadevergoeding gevorderd, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De grondslag van de vordering was tweeërlei. In de eerste plaats stelde de werknemer dat de werkgever hem vele jaren heeft mishandeld waardoor hij lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank heeft de stellingen van de werknemer als volgt samengevat (tussenvonnis rov. 3.1.1-3.1.2):

"Vanaf april 1981, toen [verweerder] bij [eiser] ging inwonen, heeft [verweerder] (vrijwel) alle werkzaamheden op het boerenbedrijf (11.000 mestvarkens, meer dan 110 stuks melkvee en meer dan 50 mestkalveren) van [eiser] verricht. Hij werkte tot april 1981 circa 9 uur per dag, daarna in elk geval 12 uur per dag gedurende 7 dagen per week.

[Verweerder] is door [eiser] herhaald mishandeld: hij is op het hoofd geslagen met een ijzeren stang en met een ethyleenslang. [Verweerder] moest buiten slapen en werd daar ook "gevoerd". Eens per jaar werd zijn haar geknipt met de koeieschaar. Zijn hygiënische toestand was schrijnend. Ook bedreigde [eiser] hem met de dood. Door de voortdurende geestelijke en lichamelijke mishandeling is [verweerder] in maart 1987 arbeidsongeschikt geworden, maar niettemin is [verweerder] ook daarna nog door [eiser] gedwongen om zijn normale werkzaamheden te blijven verrichten."

De werknemer houdt de werkgever op grond van onrechtmatige daad (art. 1401 resp. 1407 (oud) BW) aansprakelijk voor de door hem geleden en in de toekomst nog te lijden schade.

In de tweede plaats heeft de werknemer aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het hem toekomende loon door de werkgever is achtergehouden en de hem toekomende arbeidsongeschiktheidsuitkering door de werkgever is verduisterd, hetgeen mede mogelijk werd gemaakt doordat de echtgenote van de werkgever beschikte over een door de werknemer afgegeven machtiging m.b.t. zijn bankrekening en doordat de uitkering rechtstreeks aan de werkgever werd overgemaakt. Deze tweede grondslag vormt niet het onderwerp van het cassatieberoep en zal hierna slechts summier aan de orde komen.

1.3. De werkgever heeft verweer gevoerd. Met betrekking tot de eerste grondslag heeft hij de gestelde mishandelingen en het oorzakelijk verband met de arbeidsongeschiktheid van de werknemer betwist. Volgens de werkgever is de werknemer indertijd als het ware opgenomen in het gezin van de werkgever. Toen de werknemer eind jaren '80 ziek werd, is hij door de werkgever verpleegd en opgevangen. Hij had een normale slaapkamer tot zijn beschikking en at met het gezin mee. Voor zover er sprake was van slechte hygiëne, is dat aan de werknemer zelf te wijten. De werknemer heeft normale werktijden gedraaid. Weliswaar waren de werktijden onregelmatig, zoals in het boerenbedrijf gebruikelijk, maar niet excessief en zeker geen 12 uur per dag. Nadat de werknemer arbeidsongeschikt werd, heeft de werkgever hem niet gedwongen tot doorwerken: de werknemer werkte af en toe uit eigen beweging, om iets om handen te hebben (zie het tussenvonnis van de rechtbank. rov. 3.2).

1.4. Bij akte ter rolle d.d. 3 juni 1994 heeft de werknemer zijn eis gewijzigd in een vordering tot betaling van f 1.150.000,- schadevergoeding2. De omvang van de schade wordt toegelicht in de pleitnota en in een eerder ingediend verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag. Daarin begrootte de werknemer zijn schade als volgt:

(i) smartengeld terzake van de mishandelingen: f 100.000,-;

(ii) te derven arbeidsinkomen door blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de lichamelijke en geestelijke letsels door de mishandelingen: f 500.000,-;

(iii) door de werkgever achtergehouden loon: f 436.800,-;

(iv) door de werkgever verduisterde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: f 87.500,-.

De schadeposten (iii) en (iv) hangen samen met de tweede grondslag van de vordering3.

1.5. Na verzet van de werkgever tegen de wijziging van eis, heeft de rolrechter op 2 december 1994 het verzet gegrond verklaard en bepaald dat partijen zullen voortprocederen op basis van de oorspronkelijke eis (d.w.z.: de vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet).

1.6. Bij dezelfde akte ter rolle heeft de werknemer tevens een copie van een strafvonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch d.d. 24 januari 1994 in het geding gebracht. Bij dit vonnis werd de werkgever veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en zes maanden terzake van zware mishandeling, meermalen gepleegd, alsmede een aantal vermogensmisdrijven. De bewezenverklaring luidde, voor zover relevant (feit 4) en met correctie van een kennelijke schrijffout in de naam van het slachtoffer:

"[dat] verdachte op tijdstippen in de periode van 1 januari 1982 tot en met 5 juni 1990 te [woonplaats], telkens aan [verweerder] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten verbrandingen en/of brandblaren op het hoofd en/of verwondingen aan het hoofd en/of verwondingen aan een of meer ruggewervel(s) en/of (vlees)wonden aan rug) heeft toegebracht, door die [verweerder] telkens opzettelijk met een (ethyleen)slang en/of met een ijzeren pijp en/of met een schop op het hoofd en/of de rug te slaan en/of door het hoofd(haar) van die [verweerder] te scheren met een veescheerapparaat."

1.7. Bij tussenvonnis van 6 oktober 1995 heeft de rechtbank geconstateerd dat t.a.v. de grondslag onrechtmatige daad de regels van het oud-BW van toepassing zijn. Vervolgens heeft de rechtbank inlichtingen gevraagd over de stand van het inmiddels ingestelde hoger beroep in de strafzaak en over de diverse schadeposten. De rechtbank wees erop dat de rechter ingevolge art. 612 Rv gehouden is te onderzoeken of en in hoeverre de schade reeds in het hoofdgeding kan worden vastgesteld4.

1.8. Na een tweede rolverwijzing (tussenvonnis 14 maart 1997) heeft de werknemer een copie in het geding gebracht van een arrest d.d. 18 november 1996 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch in de strafzaak tegen de werkgever. Bij dit arrest werd genoemd strafvonnis vernietigd en werd de werkgever alsnog vrijgesproken van de hem ten laste gelegde zware mishandeling van de werknemer. Ter verklaring van de vrijspraak overwoog de strafkamer van het hof dat de telastelegging was toegespitst op art. 303 lid 1 jo. art. 302 lid 1 Sr en voorts:

"Het hof acht weliswaar bewezen dat verdachte op tijdstippen in de in de telastelegging genoemde periode telkens met een bepaald voorwerp [verweerder] heeft geslagen, doch het hof is van oordeel dat onvoldoende bewijs aanwezig is dat verdachte daarbij zwaar lichamelijk letsel aan [verweerder] heeft toegebracht."

1.9. In haar eindvonnis van 31 juli 1998 overwoog de rechtbank dat de werkgever weliswaar is vrijgesproken van de ten laste gelegde zware mishandeling, maar dat in de strafzaak niettemin bewezen is geacht dat de werkgever de werknemer tussen 1 januari 1982 en 5 juni 1990 onderworpen heeft aan mishandelingen. Daarmee, aldus de rechtbank, is de onrechtmatigheid van het handelen van de werkgever jegens de werknemer gegeven (rov. 2.1.2 Rb). Vervolgens heeft de rechtbank de medische rapportage over de werknemer besproken. De rechtbank is tot de slotsom gekomen "dat de psychische problematiek zijn oorzaak vindt in de behandeling, die [verweerder] gedurende een reeks van jaren van zijn voormalige werkgever heeft ondervonden" (rov. 2.1.8 Rb). Vervolgens heeft de rechtbank de gestelde inkomensderving besproken. Het vermogen van de werknemer om zich op de vrije arbeidsmarkt staande te houden is als gevolg van de ondergane mishandelingen negatief beïnvloed. Ook indien sprake zou zijn van een persoonlijke predispositie waardoor de werknemer ook zonder de ondergane bejegening minder geschikt zou zijn geweest voor werkzaamheden op de vrije arbeidsmarkt, zijn diens mogelijkheden door de handelwijze van de werkgever verder beperkt. Aannemelijk is dat de werknemer hierdoor schade heeft geleden (rov. 2.1.10 Rb). Omdat de hoogte van de inkomensschade niet precies te bepalen was, heeft de rechtbank dit deel verwezen naar de schadestaatprocedure.

1.10. De rechtbank achtte wel voldoende informatie voorhanden om de vergoeding voor de immateriële schade terstond vast te stellen en wel: op een bedrag van f 15.000,-. De misdragingen van de werkgever hadden een chronisch karakter, waren doelbewust gericht op de persoon van de werknemer en hebben blijvende schade aangericht (rov. 2.1.11 Rb). Tezamen met een post van f 36.000,- wegens door de werkgever niet aan de werknemer doorbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen over de periode tot februari 1990, wees de rechtbank in totaal een bedrag van f 51.000,- toe. Terzake van de schadefactoren "beperking verdienvermogen" en "achtergehouden loon" veroordeelde zij de werkgever tot vergoeding van schade op te maken bij staat.

1.11. De werkgever heeft hoger beroep ingesteld. Op 24 augustus 1999 heeft het hof een tussenarrest gewezen, waarin het hof de werkgever bewijs heeft opgedragen van de doorbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen over de periode maart 1988 tot februari 1990 aan de werknemer (de post van f 36.000,-). Die beslissing wordt in cassatie niet aangevochten. Met betrekking tot de gestelde mishandelingen (de grieven II en V - IX), heeft het hof bewezen geacht dat de werkgever de werknemer gedurende een langere periode heeft mishandeld en bedreigd (rov. 4.7). Ook achtte het hof oorzakelijk verband met de schade aanwezig en verwierp het de grieven met betrekking tot de schadepost van de te derven inkomsten uit arbeid (rov. 4.8 - 4.9). De grief tegen de toewijzing van f 15.000,- smartengeld werd eveneens verworpen (rov. 4.10).

1.12. De werkgever heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van twee cassatiemiddelen. De werknemer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en heeft dit standpunt schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I heeft betrekking op het bewijs van de mishandelingen en bedreigingen. Het middel bevat (in de aanhef en de subonderdelen 1 - 5) allereerst een rechtsklacht, te weten: schending van de artt. 179 en 188 Rv. Het middel klaagt, dat het hof ten onrechte ervan uitgaat dat door de geciteerde overweging in de strafzaak bewezen is verklaard dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan (eenvoudige) mishandeling van de werknemer, terwijl in werkelijkheid de werkgever in hoger beroep in de strafzaak is vrijgesproken.

2.2. Art. 188 Rv bepaalt dat een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs van dat feit oplevert. Dwingend bewijs houdt o.m. in, dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen. Tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, staat vrij tenzij de wet het uitsluit (art. 178 Rv). De rechtbank in eerste aanleg, ook al bezigt zij niet de woorden "dwingend bewijs", lijkt van de toepassing van deze regel te zijn uitgegaan: met de overweging van de strafkamer is de onrechtmatigheid van het handelen van de werkgever volgens de rechtbank "gegeven" (rov. 2.1.2). De werkgever heeft in appèl (in de civiele zaak) daartegen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar was terecht: in het arrest in de strafzaak ontbreekt immers, althans ten aanzien van de telastegelegde zware mishandeling5, een bewezenverklaring als bedoeld in art. 350 Sv. In het dictum heeft de strafrechter in beroep de werkgever ten aanzien van het desbetreffende feit (feit 4) geheel vrijgesproken. Derhalve is niet voldaan aan alle voorwaarden gesteld in art. 188 Rv en is er dus geen sprake van dwingend bewijs.

2.3. Dat de strafkamer van het hof in zijn overweging ter verklaring van de vrijspraak wel iets "bewezen achtte" (zie hierboven in alinea 1.8)6, geldt niet als een bewezenverklaring in de zin van art. 188 Rv. De bepaling van art. 188 Rv werd voorafgegaan door art. 1955 (oud) BW, dat luidde: "Een arrest of vonnis in kracht van gewijsde gegaan, waarbij iemand wegens eenig feit tot straf is verwezen, zal in een burgerlijk geschil als een bewijs van dat feit worden aangenomen, behoudens tegenbewijs." Onder vigeur van die bepaling zou de overweging van de strafkamer nimmer zijn beschouwd als dwingend bewijs in de civiele zaak. Bij de totstandkoming van het nieuwe bewijsrecht is de voorwaarde van strafoplegging uit de wettekst verwijderd. De memorie van toelichting vermeldt dat het ontwerp van wet niet eist dat er een straf of maatregel door de strafrechter is opgelegd. Van belang is slechts, of de strafrechter bepaalde feiten bewezen heeft verklaard. Dit laatste kan zich ook voordoen indien de strafrechter tot schuldigverklaring zonder toepassing van straf besluit, of in geval van ontslag van rechtsvervolging. In haar antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer over deze laatste mogelijkheid, legt ook de regering een verbinding met de bewezenverklaring als bedoeld in art. 350 Sv7.

2.4. In grief V heeft de werkgever dit bezwaar onder de aandacht van het hof gebracht8. Het hof heeft dit bezwaar gehonoreerd. Het hof heeft immers niet de redenering van de rechtbank overgenomen, maar zelfstandig de in het geding gebrachte bewijsmiddelen onderzocht en op basis daarvan een eigen bewijsoordeel gegeven (rov. 4.7.2). Anders dan de werknemer in zijn reactie op grief V had bepleit, is het hof dus niet uitgegaan van "dwingend bewijs". Enigszins verwarrend is, dat het hof aan het slot van rov. 4.7.2 tóch weer de desbetreffende overweging van de strafkamer vermeldt, ditmaal als één van de bewijsmiddelen. Ik neem aan dat het hof de overweging van de strafkamer niet vermeldt om het oordeel van de strafrechter als een bewezenverklaring over te nemen in de civiele zaak, maar uitsluitend om aan te geven waarom de werkgever aan die vrijspraak geen argument in zijn voordeel kan ontlenen. Met andere woorden: voor het bewijs in de civiele zaak is de uitkomst van de strafzaak neutraal: noch is met de overweging van de strafkamer de juistheid van de stellingen van de werknemer aangetoond, noch wordt met het vrijsprekend dictum de onjuistheid van die stellingen bewezen. De rechtsklacht mist derhalve feitelijke grondslag. De subsidiaire motiveringsklacht faalt om dezelfde reden.

In de subonderdelen 9 en 10 wordt de klacht herhaald. Ook daar wordt miskend, dat een vrijspraak niet bewijst dat de ex-verdachte het telastegelegde feit niet heeft begaan9. Dat geldt zeker voor een vrijspraak op gronden als de onderhavige vrijspraak.

2.5. De subonderdelen 6 en 7 bevatten een rechts- en een motiveringsklacht, welke inhouden dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de ontlastende verklaringen. De rechtsklacht voldoet m.i. niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Voor zover zij inhoudt dat het hof een rechtsregel geschonden heeft, luidende dat de civiele rechter de in de strafzaak afgelegde getuigenverklaringen met zoveel woorden in zijn beslissing behoort te betrekken omdat een strafzaak bij uitstek geëigend is voor het aan het licht brengen van de waarheid, faalt zij omdat zo'n regel niet bestaat. De motiveringsklacht moet worden beschouwd tegen de achtergrond van de gedingstukken. Zowel in zijn aangifte als in eerste aanleg in deze civiele zaak heeft de werknemer de beschuldigingen nogal fors geformuleerd. De werkgever heeft hiertegen ingebracht, dat de beschuldigingen moeten worden gezien in het kader van een "hetze" die in de desbetreffende dorpsgemeenschap tegen hem wordt gevoerd en dat het politie-onderzoek hierdoor onvoldoende objectief is geweest. De strafkamer van het hof heeft in dit verweer aanleiding gezien om de strafzaak te verwijzen naar de rechter-commissaris in strafzaken, die vervolgens getuigen heeft gehoord. Het gaat mij - na lezing van deze getuigenverklaringen - te ver om te spreken van "evident ontlastende" gegevens: een rechtstreekse weerlegging van (de feiten in) de door het hof geciteerde verklaringen bevatten zij niet. Wel kan aan de steller van het middel worden toegegeven, dat verscheidene van deze getuigenverklaringen10 een veel gunstiger beeld geven van de arbeids- en leefomstandigheden van de werknemer in de boerderij dan deze in zijn aangifte had geschetst.

2.6. De klacht, dat het hof aan deze getuigenverklaringen, resp. aan de stellingen van de werkgever omtrent deze getuigenverklaringen, geen aandacht zou hebben besteed, mist feitelijke grondslag. Aan het slot van rov. 4.7.2 schrijft het hof immers, dat de omstandigheid dat bezoekers van de boerderij ook gezien hebben dat de werkgever de werknemer niet mishandelde of dreigde, het door het hof samengevatte bewijs niet aantast. Aan het door de werkgever overgelegde contra-expertiserapport van drs. C. Schuitemaker heeft het hof met zoveel woorden aandacht besteed in rov. 4.8. De uit het middel sprekende teleurstelling dat het hof deze getuigenverklaringen en dit rapport niet gedetailleerder heeft besproken, kan niet tot cassatie leiden. De rechter die over de feiten oordeelt is vrij in het selecteren en wegen van bewijsmiddelen. Die vrijheid brengt mee, dat de rechter het ene bewijsmiddel, als zijns inziens van belang, naar voren kan halen en het andere bewijsmiddel, als zijns inziens irrelevant, kan laten liggen, zoals de rechter ook de verklaring van de ene getuige overtuigender kan vinden dan die van de andere. Juist omdat de rechter daarin vrij is, behoeft hij die keuze niet telkens nader te motiveren. Wel kan aan een bewijsbeslissing, zoals van iedere rechterlijke beslissing, de eis worden gesteld dat zij tenminste zodanig wordt gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang, opdat zij zowel voor partijen als voor derden (de hogere rechter daaronder begrepen) controleerbaar en aanvaardbaar is11. Aan die toets voldoet het bestreden arrest.

2.7. De resterende subonderdelen van het eerste middel leiden evenmin tot cassatie. Subonderdeel 8 richt zich in het bijzonder op rov. 4.8. In die rov. gaat het niet om de vraag òf de werkgever de werknemer heeft mishandeld en bedreigd, maar om de gevolgen welke dit heeft gehad voor de werknemer. Noch dit feitelijk oordeel, noch de motivering daarvan in rov. 4.8, geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de arbeids- en leefomstandigheden van de werknemer in de boerderij minder erbarmelijk zijn geweest dan door de werknemer was geschetst en tevens in aanmerking wordt genomen dat het hof in de strafzaak de telastegelegde zware mishandeling niet bewezen heeft geacht, kunnen de in rov. 4.7.2 wèl door het hof bewezen geachte feiten nog steeds het oordeel dragen dat het toegebrachte letsel zowel pijn en gederfde levensvreugde als een beperking van het verdienvermogen van de werknemer ten gevolge heeft gehad. De verwijzing in subonderdeel 11 naar HR 6 december 1996, NJ 1997, 207, helpt de werkgever niet: in die uitspraak wordt bevestigd dat de waardering van de bewijsmiddelen aan het oordeel van de feitenrechter is overgelaten. De slotsom is dat middel I faalt.

2.8. Middel II richt motiveringsklachten tegen de toewijzing van het smartengeld. De begroting van schade is sterk verweven met de feiten en kan in zoverre in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst, terwijl de feitenrechter daarbij ook niet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijs12. Anders dan subonderdeel 2 veronderstelt, heeft het hof niet gezegd dat aan het genoemde contra-expertiserapport van Schuitemaker en het commentaar van psychiater Wielinga geen waarde toekomt zonder lijfelijk onderzoek van de persoon om wie het gaat. Het hof heeft slechts overwogen dat de rapporten van Schuitemaker en Wielinga geen wijziging brengen in het oordeel van het hof en dat dit oordeel bevestiging vindt in de bevindingen van de psychologen Kraaijenbrink en Lancée. De voorkeur van het hof voor de rapporten van Kraaijenbrink en Lancée boven die van Schuitemaker en Wielinga wordt gemotiveerd met de constatering dat Schuitemaker en Wielinga de werknemer zelf niet gesproken hebben. Dat is een begrijpelijke motivering. Daaraan doet m.i. niet af, dat het rapport van Schuitemaker ook punten bevat die beoordeeld kunnen worden zonder de werknemer gesproken te hebben.

2.9. Voor zover subonderdeel 3 vindt dat het hof had moeten ingaan op alle punten waar Schuitemaker en Wielinga afwijken van de mening in de rapportages van Kraaijenbrink en Lancée, gaat die eis te ver. In het processuele debat (zie met name de pleitnota in hoger beroep blz. 7-9) heeft de werkgever in algemene en concluderende bewoordingen gesproken over onvoldoende objectiviteit en deskundigheid van de rapporteurs Kraaijenbrink en Lancée en de onhoudbaarheid van hun oordelen. Het hof had derhalve geen reden om dieper op alle verschilpunten in de rapportages in te gaan dan het hof in feite heeft gedaan.

2.10. Subonderdeel 4 richt zich in het bijzonder tegen rov. 4.10, waar het hof spreekt over "de lange duur en de intensiteit" van de mishandelingen. De bewijsmiddelen, genoemd in rov. 4.7.2, vormen een toereikende onderbouwing van dit oordeel. Ook deze klacht faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Rov. 4.1 en 4.3 van het bestreden arrest, in samenhang met rov. 2.1 - 2 van het vonnis van de rechtbank d.d. 6 oktober 1995. Het geboortejaar blijkt uit de gedingstukken.

2 De wijziging van eis is kennelijk geïnspireerd door het verweer van de werkgever, dat eiser thans bekend moet zijn met de omvang van de gepretendeerde schade "zodat de schadestaatvordering moet worden afgewezen" (CvA blz. 18).

3 Het totaal van de vier posten komt uit op f 1.124.300,- en niet op f 1.150.000,-. De grond voor dit verschil is mij niet geheel duidelijk geworden, maar is voor de beoordeling van het cassatieberoep niet relevant.

4 Vgl. HR 1 juli 1992, NJ 1992, 711; HR 20 maart 1998, NJ 1998, 548.

5 Het arrest in de strafzaak bevat wel een bewezenverklaring en veroordeling voor één van de andere, aan de werkgever ten laste gelegde feiten, maar dat is een voor dit cassatieberoep niet relevant vermogensmisdrijf.

6 Gezien het grote verschil in uitkomst in eerste aanleg en in hoger beroep, had de strafkamer kennelijk behoefte om de vrijspraak inhoudelijk toe te lichten.

7 Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, blz. 162-164. De bewezenverklaring gaat in art. 350 Sv vooraf aan de beslissing over de strafbaarheid van feit en dader. Zie over art. 188 Rv: losbl. Rechtsvordering, aant. 1 op art. 188 (F.M.J. Jansen); Pitlo-Hidma-Rutgers, Bewijs (1995) blz. 97-98. Zie over 1955 (oud) BW: Pitlo-Hidma (1981) blz. 116-117.

8 Zie ook de pleitnota in hoger beroep zijdens de werkgever, blz. 4-5.

9 Vgl. A-G Asser voor HR 24 maart 1992, NJ 1992, 814 m.nt. Sch.; HR 1 december 1995, NJ 1996, 180, rov. 3.3. Art. 1956 (oud) BW bepaalde uitdrukkelijk dat, indien iemand door de strafrechter is vrijgesproken, die vrijspraak niet bij de burgerlijke rechter kan worden ingeroepen om een eis tot schadevergoeding af te weren.

10 Door de werkgever overgelegd ter rolle van 7 juni 1996. De in het middel genoemde [betrokkene A] is een dierenarts die in 1988-1990 regelmatig op de boerderij kwam; [betrokkene B] was enkele maanden (dat moet omstreeks 1984/85 zijn geweest) de vriendin van de werknemer; [betrokkene C] heeft eerst ná aanvang van de strafzaak gesprekken over de kwestie met anderen gevoerd; [betrokkene D] is een veetransporteur die al lange tijd regelmatig op de boerderij komt; [betrokkene E] is een architect die in of omstreeks 1981 de nieuwe boerderij heeft gebouwd en toen regelmatig het gezin bezocht en ook met de werknemer sprak.

11 HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659 m.nt. DWFV; vgl. HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7.

12 Recent: HR 17 november 2000, NJ 2001, 215 m.nt. ARB.