Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZC3648

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2001
Datum publicatie
13-07-2001
Zaaknummer
R00/153HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZC3648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 434
NJ 2001, 525
RvdW 2001, 133
JWB 2001/200
JOR 2001/221
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R00/153HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 4 mei 2001

conclusie inzake

[Verzoekster]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij twee afzonderlijke vonnissen d.d. 19 oktober 1999 heeft de Rechtbank te Assen de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten [betrokkene A] en [verzoekster], in beide gevallen met benoeming van mr M. Sarneel als bewindvoerder.

2. De bewindvoerder heeft op 8 september 2000 de Rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van zowel [betrokkene A] als [verzoekster] te beëindigen, zulks omdat de schuldenaren een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zouden nakomen (art. 350 lid 3 sub c Fw) en/of zouden trachten hun schuldeisers te benadelen (art. 350 lid 3 sub e Fw). Beëindiging van toepassing de schuldsaneringsregeling op deze gronden leidt van rechtswege tot het faillissement van de schuldenaren (art. 350 lid 5 Fw). De rechter-commissaris heeft op 16 oktober 2000 de Rechtbank schriftelijk bericht het verzoek van de bewindvoerder te onderschrijven.

3. [Verzoekster] heeft de Rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar op de voet van art. 350 lid 3 sub a Fw te beëindigen, in welk geval art. 350 lid 5 Fw (faillissement van rechtswege) niet van toepassing is. Zij stelde daartoe dat zij bij haar verklaring schuldsanering een hele lijst schulden heeft opgegeven, maar dat die lijst niet correct is. Zij verkeerde in de onjuiste veronderstelling vennoot in een vof met haar echtgenoot te zijn. Ten aanzien van een drietal schulden waarvoor [verzoekster] wel meent hoofdelijk aansprakelijk te zijn, geldt dat één schuldeiser geen vordering ter verificatie in de schuldsanering heeft ingediend en dat de andere schuldeiser zich bereid heeft verklaard de ingediende vordering op [verzoekster] buiten invordering te stellen, aldus [verzoekster].

4. Bij vonnis van 31 oktober 2000 heeft de Rechtbank overeenkomstig het verzoek van de bewindvoerder de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van zowel [betrokkene A] als [verzoekster] op grond van art. 350 lid 3 sub c en e Fw beëindigd. Het verzoek van [verzoekster] tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 sub a Fw wees de Rechtbank af, zulks op grond van de overweging dat het drietal door [verzoekster] bedoelde vorderingen niet zijn voldaan.

5. [Betrokkene A] en [verzoekster] zijn van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden, doch tevergeefs: bij arrest van 22 november 2000 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

6. Ten aanzien van [betrokkene A] was het Hof van oordeel dat deze in strijd heeft gehandeld met zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat hij heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen (r.o. 7), zodat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [betrokkene A] op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3 sub c en e Fw moet worden beëindigd (r.o. 9).

7. Met betrekking tot het verzoek van [verzoekster] tot beëindiging ten aanzien van haar van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 onder a Fw, overwoog het Hof onder meer:

"10. Uit het feit dat [verzoekster] in gemeenschap van goederen is gehuwd met [betrokkene A] vloeit voort dat zowel tijdens de op [betrokkene A] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling als in de situatie dat [betrokkene A] (van rechtswege) in staat van faillissement verkeert, het bepaalde in art. 63 Fw (ten aanzien van de schuldsaneringsregeling middels art. 313 Fw) van toepassing is.

11. Gelet op rechtsoverweging 10 in samenhang met het oordeel van het hof dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [betrokkene A] moet worden beëindigd waardoor [betrokkene A] van rechtswege in staat van faillissement komt te verkeren, heeft [verzoekster] geen belang bij de behandeling van haar verzoek (...)."

8. [Verzoekster] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen.

9. In het cassatierekest wordt een middel aangevoerd (cassatierekest onder 2 t/m 6) tegen het oordeel van het Hof, in r.o. 11, dat [verzoekster] als gevolg van het bepaalde in art. 63 Fw geen belang heeft bij haar verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling te haren aanzien op de voet van art. 350 lid 3 sub a Fw. Het Hof zou hebben miskend dat het faillissement van haar echtgenoot niet noodzakelijk haar faillissement meebrengt, ook niet nu zij en haar echtgenoot in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, althans zou het oordeel van het Hof dat [verzoekster] geen belang heeft bij de behandeling van haar verzoek zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn.

10. Ingevolge art. 63 Fw wordt het faillissement van de echtgenoot die in enige gemeenschap van goederen is gehuwd behandeld als faillissement van die gemeenschap. Dit betekent dat de failliete boedel niet alleen het privévermogen van de failliet, maar ook - binnen de grenzen van enerzijds art. 61 Fw en anderzijds art. 22 Fw - het gemeenschapsvermogen omvat. Zie N.J. Polak, Faillissementsrecht, 8e dr. bew. door C.E. Polak, 1999, blz. 133 e.v., en Kluwers Faillissementswet, losbl., art. 63 aant. 1. Uit art. 63 Fw volgt echter niet dat het faillissement van een in enige gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot het faillissement van de andere echtgenoot meebrengt. Zie HR 27 februari 1959, NJ 159, 556 nt. HB. Zie ook de conclusie OM (A-G Asser) onder 2.10 e.v. voor HR 6 december 1991, NJ 1992, 152.

11. Hieruit volgt dat, indien de beslissing van het Hof, dat [verzoekster] geen belang heeft bij de behandeling van haar verzoek, berust op het oordeel dat uit art. 63 Fw volgt dat het faillissement van [betrokkene A] meebrengt dat [verzoekster] ook gefailleerde in de zin der wet zou zijn (daarop wijst dat het Hof het vonnis van de Rechtbank heeft bekrachtigd zonder te hebben vastgesteld dat ook ten aanzien van [verzoekster] sprake is van de gronden als bedoeld in art. 350 lid 3 sub c en e Fw), het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

12. Maar ook indien het Hof wel de juiste betekenis van art. 63 Fw voor ogen heeft gehad, meen ik dat zijn beslissing cassatietoetsing niet kan doorstaan. Zelfs indien ervan uitgegaan moet worden dat [verzoekster] geen privévermogen heeft (zie het verzoekschrift in hoger beroep, blz. 2, eerste alinea) en het belang van [verzoekster] dus niet ligt in de bescherming van haar privévermogen tegen faillissementsbeslag, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom [verzoekster] geen belang zou hebben bij het voorkomen van haar faillissement. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat alleen ten aanzien van [betrokkene A] sprake is van aanwezigheid van de gronden als bedoeld in art. 350 lid 3 sub c en e Fw, is, indien [verzoekster] de grond waarop haar verzoek berust (art. 350 lid 3 sub a Fw) weet waar te maken, geen redelijk belang met haar persoonlijk faillissement gediend (zie reeds HR 5 mei 1916, NJ 1916, blz. 592). Aan de andere kant moet worden aangenomen dat [verzoekster] belang heeft om verschoond te blijven van een persoonlijk faillissement, al was het maar - nog afgezien van de inbreuken op haar persoonlijke vrijheid als gevolg van een faillissement en het diffamerend effect van een persoonlijk faillissement - om privévermogen dat aan haar zijde mocht opkomen (art. 1:94 lid 1 en 3) hangende het faillissement van [betrokkene A] buiten het faillissementsbeslag te houden. Waarom [verzoekster] in dit belang geen bescherming verdient, blijkt niet uit het bestreden arrest.

13. Naar mijn oordeel is het middel derhalve, zo al niet in zijn rechtsklacht, dan toch in zijn motiveringsklacht, gegrond.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,