Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZC3647

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
C99/325HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZC3647
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2002/1 met annotatie van mr. J.M. Blanco Fernández
JOL 2001, 553
JWB 2001/259

Conclusie

Rolnr.: C99/325

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 4 mei 2001

Conclusie inzake:

STICHTING HET UTRECHTS MONUMENTENFONDS

tegen

[Verweerster]

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 Eiseres tot cassatie, UMF, heeft als doel de bevordering en bewaring van het stedelijk schoon. De statuten van UMF, zoals deze na wijziging op 26 april 1988 luiden, houden onder meer in (art. 11 aanhef en onder d) dat het bestuur voor het vervreemden, ruilen of bezwaren van de aan UMF toebehorende onroerende zaken machtiging behoeft van Burgermeester en Wethouders van de gemeente Utrecht. Voorts bepaalt art. 12 van de statuten dat de stichting in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door haar voorzitter tezamen met haar directeur/secretaris.

1.2 In 1981 heeft UMF van de gemeente het recht van erfpacht verkregen van de onroerende zaak aan de [c-straat 1] te [woonplaats]. Deze onroerende zaak bestaat uit een woonhuis met de daarachter gelegen tuin. Op de aan de inleidende dagvaarding gehechte situatieschets is het woonhuis aangeduid als perceel A en de tuin als de percelen B en C2. De desbetreffende akte van overdracht houdt onder meer in dat UMF verboden is dit recht van erfpacht aan anderen dan de gemeente te vervreemden. UMF heeft de onroerend zaak steeds aan een derde verhuurd.

1.3 Op 13 oktober 1993 heeft verweerster in cassatie, [verweerster] van UMF een perceel met twee achterhuizen aan de [a-straat 1] en [2] te [woonplaats] gekocht, alsmede het voortdurend recht van erfpacht van een perceel grond (tuin), gelegen schuin achter de achterhuizen (zuidzijde). Genoemde percelen zijn op de aan de inleidende dagvaarding gehechte situatieschets respectievelijk aangeduid met de letters E en D. Levering heeft plaatsgevonden op 16 juni 1994. [verweerster] heeft voordien van de gemeente Utrecht het recht van erfpacht verkregen van het op de situatieschets als perceel F aangeduide stuk grond.

1.4 In de onderhandelingsfase voorafgaand aan de koopovereenkomst heeft [verweerster] te kennen gegeven ook het direct aan de achterhuizen grenzende perceel C te willen verwerven. Dit perceel maakte deel uit van de tuin bij de woning aan de [c-straat 1], welke woning met tuin op dat moment door UMF werd verhuurd aan [betrokkene D]. Dienaangaande heeft [verweerster] het bestuur van UMF bij brief van 8 augustus 1993 (onder meer) het volgende geschreven:

"In het contract zouden we willen opnemen dat als [betrokkene D] de huur opzegt van [c-straat 1] wij als eerste het recht van huur of koop van de tuin grenzend aan het grote achterhuis hebben. (...) Om problemen in de toekomst te voorkomen vinden wij het van essentieel belang dat deze regeling opgenomen wordt in het koopcontract of dat het UMF-bestuur een schriftelijke toezegging doet over het recht van eerste gebruik."

1.5 Dit verzoek van [verweerster] is aan de orde geweest in een bestuursvergadering van het UMF in augustus of september 1993. Bij die gelegenheid heeft het bestuur van UMF een besluit genomen naar aanleiding van dat verzoek.

1.6 Bij brief van 9 december 1993 heeft [betrokkene E], destijds directeur en tevens secretaris van het bestuur, aan [verweerster] geschreven:

"Hoewel reeds mondeling meegedeeld moeten nog enkele vraagpunten uit Uw brief van 8 augustus jl. nog schriftelijk worden beantwoord.

De vraag m.b.t. het beschikbaar komen van een deel van de tuin, die thans in gebruik is bij [betrokkene D], is inmiddels urgent nu [betrokkene D] van plan is op korte termijn via een ruiling te gaan verhuizen. Wij zullen de nieuwe bewoners - zodra die ons bekend zijn - er op wijzen dat een deel van de tuinruimte niet bij de [c-straat 1] behoort."

1.7 Bij brief van 24 mei 1995 heeft [betrokkene E] aan [verweerster] (en [betrokkene F], haar partner) onder meer het volgende bericht:

"En helemaal tot slot krijgt U van mij een schriftelijke verklaring over de vergroting van de tuin. Die brief voeg ik apart in ontwerp hierbij."

De bijlage bij de brief van 24 mei 1994 houdt in:

"Ontwerp

Aan: [verweerster].

Wij zeggen U hierbij toe dat - zodra de tegenwoordige huurder van ons woonhuis [c-straat 1], [betrokkene D] de huur daarvan beëindigt - het gedeelte van de tuin bij dat huis en gelegen aan de westzijde van het grote casco van de achterhuizen bij de [a-straat 1] (...) onder nader overeen te komen voorwaarden aan Uw eigendom zal worden toegevoegd.

MDMH

Het Bestuur"

1.8 Nadat [betrokkene D] de huur van het woonhuis aan de [c-straat 1] had opgezegd, heeft [verweerster] het bestuur van UMF bij brief van 25 augustus 1994 verzocht met haar de voorwaarden te bespreken waaronder het perceel C aan haar zou kunnen worden overgedragen. UMF heeft geweigerd op dit verzoek in te gaan.

1.9 Met ingang van 1 oktober 1994 heeft UMF het woonhuis met tuin, inclusief perceel C, aan een nieuwe huurder verhuurd.

1.10 [Betrokkene E] is per 1 augustus 1994 door UMF op non-actief gesteld, waarna de arbeidsovereenkomst is ontbonden.

1.11 [Verweerster] heeft UMF in kort geding gedagvaard voor de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht en gevorderd UMF te bevelen (verder) te onderhandelen over de overdracht van perceel C. Bij vonnis van 30 mei 1995 heeft de president dit bevel niet toewijsbaar geoordeeld, onder meer op de grond dat voor de beoordeling een nader onderzoek naar de relevante feiten nodig is, waarvoor in kort geding geen plaats is. Wel heeft hij UMF verboden perceel C aan een derde te verkopen of opnieuw aan een derde te verhuren totdat in de bodemprocedure over de kwestie zal zijn beslist3.

1.12 Vervolgens is [verweerster] een bodemprocedure gestart en heeft zij UMF bij dagvaarding van 5 december 1995 gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht. Daarbij heeft zij primair gevorderd UMF te veroordelen tot nakoming van de koopovereenkomst tegen een nader vast te stellen koopprijs (aan de hand van hetgeen bij de gemeente gangbaar is ten aanzien van tuinpercelen in de binnenstad) en tot het verrichten van de daartoe noodzakelijke handelingen, waaronder het vragen van toestemming aan de gemeente. Subsidiair heeft zij gevorderd UMF te veroordelen tot voortzetting van de onderhandelingen.

1.13 Na conclusiewisseling heeft de rechtbank [verweerster] bij tussenvonnis van 5 februari 1997 toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank overwoog voorts dat, mocht het primair gevorderde niet bewezen worden, [verweerster] in de gelegenheid zou worden gesteld de gehoudenheid van UMF om de onderhandelingen met [verweerster] voort te zetten, te bewijzen.

1.14 Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft [verweerster] vier getuigen voorgebracht, waaronder [betrokkene E]. In contra-enquête heeft UMF haar bestuurslid [betrokkene G] als getuige doen horen. In haar eindvonnis van 31 december 1997 heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerster] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en heeft zij de vorderingen4 afgewezen.

1.15 [Verweerster] is zowel van het tussenvonnis als van het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft zij haar eis vermeerderd met een meer subsidiaire vordering tot schadevergoeding op grond van de door UMF onrechtmatig afgebroken onderhandelingen.

1.16 Na memoriewisseling en pleidooi heeft het hof bij arrest van 1 juli 1999 de beide vonnissen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, UMF veroordeeld tot nakoming van de koopovereenkomst terzake het recht van erfpacht op perceel C5, waarbij de koopprijs zal worden bepaald op de voet van art. 7:4 BW, en tot het verrichten van alle daartoe noodzakelijke handelingen, waaronder het vragen van toestemming aan de gemeente.

1.17 Het UMF heeft tegen het arrest van het hof tijdig6 beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] is in cassatie verschenen en heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunt vervolgens schriftelijk doen toelichten. Het UMF heeft hierna nog gerepliceerd.

2. Bespreking van het middel

2.1 Namens het UMF is één middel van cassatie voorgesteld dat is opgebouwd uit vier onderdelen. De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen het oordeel van het hof omtrent de inhoud van het bestuursbesluit. De onderdelen 1 en 4 komen op tegen het oordeel dat met dit besluit tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Ik zal eerst de onderdelen 2 en 3 bespreken.

Onderdeel 2

2.2 Onderdeel 2 is gericht tegen rechtsoverweging 4.3. Hierin heeft het hof het volgende overwogen:

"Aan haar standpunt (dat het besluit inhield het akkoord van het bestuur om perceel C aan [verweerster] in erfpacht te geven zodra de huurder van [c-straat 1] zou vertrekken, toevoeging W-vG) legt [verweerster] ten grondslag de hiervoor aangehaalde correspondentie in samenhang met het gegeven dat UMF perceel C in erfpacht had. Het hof onderschrijft dat een en ander een zeer sterke aanwijzing oplevert voor de juistheid van het standpunt van [verweerster]. Weliswaar wordt in de brief van [betrokkene E] d.d. 9 december 1993 niet gesproken over overdracht van het erfpachtrecht - er wordt slechts in het vooruitzicht gesteld dat perceel C niet meer bij [c-straat 1] zal behoren -, maar op grond van de bijlage bij de brief van [betrokkene E] d.d. 24 mei 1994 acht het hof aannemelijk dat eerstgenoemde brief wel in die zin moet worden verstaan. Dat die bijlage de aanhef 'ontwerp' draagt, brengt daarin geen verandering. Die aanhef moet kennelijk aldus worden begrepen dat het hier een concept-uitwerking van een bestaand besluit betreft en niet een concept-besluit. Het besluit op dit punt was immers reeds gevallen. In aanmerking genomen dat UMF perceel C in erfpacht had, acht het hof voorts evenmin van belang dat in de bijlage wordt gesproken over 'eigendom' en niet van erfpacht."

2.3 Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk, nu het hof de bijlage van de brief van 24 mei 1994 eerst gebruikt om tot het oordeel te komen dat er een zeer sterke aanwijzing is dat er een bestuursbesluit is genomen met de door [verweerster] gestelde inhoud en het vervolgens de stelling verwerpt dat deze bijlage een conceptbesluit zou betreffen omdat het mede uit die bijlage afleidt dat het besluit op dit punt reeds was gevallen.

2.4 Rechtsoverweging 4.3 moet worden gelezen in samenhang met rechtsoverweging 4.2. Daarin heeft het hof vastgesteld dàt het bestuur een besluit heeft genomen naar aanleiding van het verzoek van [verweerster]. In rechtsoverweging 4.3 is vervolgens aan de orde wat dan de inhoud is geweest van dat besluit. Aangezien vaststaat dat het besluit reeds in augustus of september 1993 is genomen, is het hof in dat verband van oordeel dat de bijlage bij de brief van 24 mei 1994 niet een conceptbesluit maar veeleer een conceptweergave van dat besluit is, zodat die bijlage, tezamen met de overige brieven van [betrokkene E], een sterke aanwijzing vormt voor de juistheid van het standpunt van [verweerster] dat het bestuur akkoord is gegaan met verkoop.

2.5 Zoals uit het voorgaande volgt, gaat de klacht derhalve uit van een onjuiste lezing van het arrest. Overigens is het oordeel geenszins onbegrijpelijk en behoefde het ook geen nadere motivering. Onderdeel 2 faalt derhalve.

Onderdeel 3

2.6 Onderdeel 3 is gericht tegen rechtsoverweging 4.9 en betreft het volgende. Op grond van de onder 4.2-4.4 vermelde omstandigheden komt het hof in rechtsoverweging 4.5 tot het oordeel dat voorshands, behoudens door UMF te leveren tegenbewijs, bewezen moet worden geacht dat het bestuur heeft besloten ermee akkoord te gaan dat het erfpachtrecht van perceel C na het vertrek van de huurder van [c-straat 1] aan [verweerster] wordt overgedragen. In de daaropvolgende rechtsoverwegingen heeft het hof onderzocht of UMF dit tegenbewijs heeft geleverd met het door haar bijgebrachte bewijsmateriaal, welk bewijsmateriaal bestaat uit de getuigenverklaring van het bestuurslid [betrokkene G] en de schriftelijke verklaring van het bestuurslid [betrokkene H]. Het hof acht vervolgens in rechtsoverweging 4.9:

"(...) de verklaringen van [betrokkene G] en [betrokkene H] niet zodanig overtuigend dat zij de betekenis van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de stellingname van [verweerster] omtrent de inhoud van het bestuursbesluit voorshands bewezen te achten hebben ontzenuwd.(...)."

2.7 Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat UMF met het door haar te leveren tegenbewijs de omstandigheden die ertoe hebben geleid de stellingname van [verweerster] omtrent de inhoud van het bestuursbesluit, niet behoefde te ontzenuwen. Voldoende was dat UMF de juistheid van die stellingname alsnog twijfelachtig maakte.

2.8 Deze klacht faalt. Op zich zelf is juist dat tegenbewijs in de hierbedoelde zin niet behoeft te bestaan in het bewijs van het tegendeel van wat de rechter voorshands als bewezen heeft aangenomen. Strikt genomen is al voldoende dat het bijgebrachte tegenbewijs zoveel twijfel zaait dat die vaststelling onhoudbaar wordt7. Anders dan het onderdeel echter betoogt, heeft het hof dit met de uitdrukking "ontzenuwen" ook tot uitdrukking gebracht, zodat niet kan worden gezegd dat het een onjuiste maatstaf heeft aangelegd8. In de literatuur worden de termen 'twijfelachtig maken', 'ontzenuwen' en 'ontkrachten' naast elkaar gebruikt9.

Onderdeel 1

2.9 In rechtsoverweging 4.10 heeft het hof geoordeeld dat het bestuur van UMF destijds heeft besloten ermee akkoord te gaan dat het erfpachtrecht van perceel C na het vertrek van de huurder van [c-straat 1] aan [verweerster] zou worden overgedragen en dat [betrokkene E] [verweerster] overeenkomstig dit besluit in kennis heeft gesteld. Op deze grond is naar het oordeel van het hof een overeenkomst tot stand gekomen.

2.10 Volgens onderdeel 1 is dit oordeel rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. Deze algemene klacht wordt nader uitgewerkt in drie subonderdelen.

2.11 De subonderdelen 1.1 en 1.2 klagen erover dat het hof heeft miskend dat het bestuursbesluit op zich zelf nog niet kon leiden tot de totstandkoming van een overeenkomst. Volgens subonderdeel 1.1 was voor het totstandkomen van een overeenkomst nog een externe rechtshandeling noodzakelijk, welke rechtshandeling alleen kon worden verricht door het voltallige bestuur (art. 2:292 BW) of door de bestuursleden die op grond van de statuten bevoegd waren het UMF te vertegenwoordigen. Deze rechtshandeling zou dan erin hebben moeten bestaan dat het voltallige bestuur of de vertegenwoordigingsbevoegde bestuursleden aan [verweerster] zouden hebben verklaard dat het UMF akkoord ging met haar verzoek. Voor zover geen externe rechtshandeling nodig was, kon het bestuursbesluit, dat is genomen zonder dat [verweerster] daarbij aanwezig was, volgens subonderdeel 1.2 alleen dan tot een overeenkomst leiden, indien [verweerster] daarvan in kennis was gesteld door het voltallige bestuur of de vertegenwoordigingsbevoegde bestuursleden.

Subonderdeel 1.3 klaagt erover dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zonder nader onderzoek ervan uit te gaan dat het onderhavige bestuursbesluit externe werking had. Voor zover het hof dit wel mocht hebben onderzocht, heeft het zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd.

2.12 Mede blijkens de schriftelijke toelichting gaat onderdeel 1 ervan uit dat het hof heeft geoordeeld dat sprake is geweest van vertegenwoordiging van UMF door bestuursbesluit, dat wil zeggen dat het hier ging om een bestuursbesluit met direct externe werking, waarbij de rechtshandeling - de wilsverklaring - in het besluit zelf ligt opgesloten. Aldus werd het UMF vertegenwoordigd door haar bestuur en heeft [betrokkene E] dit besluit slechts als bode overgebracht, aangezien [verweerster] niet bij de bestuursvergadering aanwezig was.

2.13 M.i. gaat het onderdeel hiermee uit van een onjuiste lezing van het arrest. In het oordeel van het hof ligt besloten het oordeel dat [betrokkene E] - die blijkens de statuten en de inschrijving in het stichtingenregister niet alleen functionaris (directeur) van het UMF was maar tevens lid van het bestuur - bevoegd was namens het bestuur (de inhoud van) het besluit aan [verweerster] mede te delen. Mededeling van dit besluit is schriftelijk gedaan. Waar het besluit valt aan te merken als een aanvaarding namens de stichting van het aanbod van [verweerster] het (recht van erfpacht van het) perceel te kopen, is tussen partijen wilsovereenstemming tot stand gekomen op het moment dat de schriftelijke mededeling van het besluit [verweerster] bereikte10. In de visie van het hof heeft [betrokkene E] aldus kennelijk gehandeld als gevolmachtigde en diens mededeling(en) moet(en) daarmee worden gekenmerkt als een aanvaarding namens het UMF van het aanbod van [verweerster] in haar brief van 8 augustus 199311.

2.14 Het aldus gelezen oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Een bestuurder kan gevolmachtigde zijn voor rechtshandelingen die buiten zijn - individuele, statutaire - vertegenwoordigingsmacht liggen. De algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur brengt mee immers dat het bestuur de bevoegdheid heeft namens de rechtspersoon volmacht te verlenen aan een bestuurder. Een dergelijke volmacht kan overigens ook worden verleend aan een niet-bestuurder. Gaat het om een beperkte, niet-voortdurende volmacht, dan behoeft deze ook niet te worden ingeschreven in het stichtingenregister12.

Of het oordeel van het hof dat volmacht aan [betrokkene E] is verleend tot het mededelen van het bestuursbesluit begrijpelijk is dan wel nadere motivering behoefde, wordt door het middel, nu dat als gezegd uitgaat van een andere lezing, niet aan de orde gesteld.

Onderdeel 4

2.15 Onderdeel 4 is opgebouwd uit twee subonderdelen die beide zijn gericht tegen hetgeen het hof heeft overwogen in rechtsoverweging 4.12.

2.16 UMF heeft in de feitelijke instanties een beroep gedaan op art. 11 aanhef en onder d van haar statuten, waarin is bepaald dat het bestuur voor het vervreemden, ruilen of bezwaren van onroerende goederen, machtiging van B&W van de gemeente Utrecht behoeft. UMF heeft gesteld dat deze machtiging ontbreekt.

In rechtsoverweging 4.12 heeft het hof in verband hiermee het volgende overwogen:

"Voor zover UMF - ten slotte - als verweer heeft willen aanvoeren dat het ontbreken van toestemming van de gemeente aan toewijzing van de vordering in de weg staat, ziet zij eraan voorbij dat de voorwaarde van toestemming van de gemeente deel uitmaakt van het gevorderde".

2.17 Volgens subonderdeel 4.1 heeft het hof aldus miskend dat het gevolg van het ontbreken van deze machtiging is dat de overeenkomst ten opzichte van UMF nietig (niet geldig) is en dat dit niet kan worden geheeld door het (alsnog) verlenen van bedoelde machtiging onderdeel van het gevorderde te maken. In elk geval vormt dit laatste geen begrijpelijke weerlegging van de stelling van UMF dat de ingevolge art. 11 onder d van de statuten vereiste machtiging ontbreekt.

2.18 Art. 2:291 lid 2 BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat het bestuur van een stichting slechts bevoegd is te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen indien dit uit de statuten voortvloeit. De statuten kunnen deze bevoegdheid aan beperkingen en voorwaarden binden. Volgens de slotzin van lid 2 gelden deze beperkingen en voorwaarden mede voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de stichting.

2.19 Dit laatste moet worden gezien in samenhang met het derde lid van art. 2:292 BW, dat bepaalt dat de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid die art. 2:292 lid 1 BW aan het bestuur verleent en de vertegenwoordigingsbevoegdheid die ingevolge art. 2:292 lid 2 BW door de statuten aan een of meer individuele bestuurders kan worden verleend, onbeperkt en onvoorwaardelijk is, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Dit moet aldus worden verstaan dat statutaire beperkingen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid in beginsel slechts intern werken, tenzij het gaat om beperkingen die uit de wet voortvloeien, dat wil zeggen beperkingen die wettelijk zijn toegelaten of voorgeschreven. Een dergelijke uit de wet voortvloeiende beperking is gelegen in het bepaalde van art. 2:291 lid 2 BW13.

2.20 Schending van de de statutaire beperking van het nemen van besluiten heeft op grond van art. 2:14 lid 1 BW tot gevolg dat het desbetreffende besluit nietig is, alsmede dat het bestuur bij de op dat besluit gebaseerde rechtshandeling op grond van art. 2:292 lid 3 BW niet vertegenwoordigingsbevoegd was. Een beroep hierop kan ingevolge art. 2:292 lid 3 BW alleen worden gedaan door de stichting. Van belang is evenwel dat in het geval de statuten voor het nemen van een besluit de machtiging of toestemming van een ander - een ander orgaan van de rechtspersoon of een buitenstaander - voorschrijven, schending van dit voorschrift alleen dan tot nietigheid leidt indien het gaat om machtiging of toestemming vooraf. Het niet nakomen van een statutaire eis van toestemming achteraf heeft geen nietigheid van het besluit ten gevolge, doch staat slechts de uitvoering ervan in de weg totdat die toestemming is verkregen14.

2.21 Art. 11 van de statuten laat in het midden of de machtiging van B&W vooraf danwel achteraf moet worden verkregen. Het gebruik van de term machtiging zou kunnen wijzen op toestemming vooraf. [Verweerster] heeft evenwel aangevoerd dat B&W bij de eerdere verkopen van de percelen D en E steeds eerst achteraf machtiging heeft verleend en dat dit ook de gebruikelijke gang van zaken is15. In eerste aanleg heeft UMF bovendien zelf gesteld dat de hier bedoelde machtiging als ontbindende voorwaarde in de door haar gesloten overeenkomsten moet worden gezien. Kennelijk heeft ook het hof art. 11 aanhef en onder d van de statuten aldus verstaan dat B&W een besluit om tot vervreemding over te gaan nog dient goed te keuren. Tegen deze, aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de statuten, zijn geen klachten gericht. Hierop stuit onderdeel 4.1 af.

2.22 Voor zover art. 11 van de statuten toestemming vooraf vereist, kan het onderdeel evenmin slagen. Het gaat dan immers om een statutair voorschrift dat voor het nemen van een besluit een voorafgaande handeling van een ander voorschrijft. Een besluit dat met schending van een dergelijk voorschrift is genomen, is ingevolge art. 2:14 lid 1 BW nietig, maar kan ingevolge art. 2:14 lid 2 BW nog door die ander worden bekrachtigd.

2.23 Aangezien de hierbedoelde machtiging niet van een ander orgaan van de stichting maar van een buitenstaander - B&W van de gemeente Utrecht - dient te worden verkregen, gaat het in dit verband door UMF gevoerde betoog dat bekrachtiging nimmer heeft plaatsgevonden, (nog) niet op. Waar UMF zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat het bestuur heeft besloten het recht van erfpacht van perceel C niet aan [verweerster] te verkopen, ligt het niet voor de hand dat UMF B&W ooit heeft verzocht tot bekrachtiging over te gaan. Dat een dergelijk verzoek is gedaan of dat B&W hebben geweigerd te bekrachtigen, is ook niet gesteld of gebleken.

2.24 Ook in deze lezing van art. 11 aanhef en onder d van de statuten is de overweging van het hof dat het ontbreken van toestemming van de gemeente deel uitmaakt van het gevorderde, juist te achten. Alsdan ligt in het oordeel van het hof kennelijk en terecht besloten dat UMF pas een beroep mag doen op de nietigheid van het besluit wanneer zij machtiging tot verkoop aan B&W heeft gevraagd en daarop een ontkennend antwoord heeft verkregen.

2.25 Overigens dienen de rechten van de nieuwe huurder te worden geëerbiedigd. Weliswaar wordt door bekrachtiging als bedoeld in art. 2:14 lid 2 BW het besluit alsnog geldig en wel vanaf het moment dat het werd genomen16, doch op grond van art. 3:59 BW in verbinding met art. 3:58 lid 3 BW zal [verweerster], als partijen het eens worden over de koopprijs, moeten wachten tot de zittende huurder is vertrokken17.

2.26 Subonderdeel 4.2 is voorgedragen voor het geval het hof met "toestemming van de gemeente" niet het oog heeft gehad op het bepaalde in art. 11 aanhef en onder d van de statuten. In dat geval heeft het hof een essentiële stelling gepasseerd, zodat zijn arrest niet naar de eisen van de wet met redenen is omkleed.

2.27 Deze klacht faalt, omdat het hof wel degelijk de in art. 11 sub d van de statuten bedoelde machtiging op het oog heeft gehad.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan het vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 30 mei 1995 en het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 1999.

2 Zie voor een goed overzicht ook het kadastrale uittreksel bij de kort gedingdagvaarding van 10 mei 1995, productie 1 bij de CvR.

3 In het tussenvonnis van de rechtbank te Utrecht van 5 februari 1997 is onder g vermeld dat UMF van dit kort gedingvonnis in hoger beroep is gegaan. Partijen hebben hierover in de bodemprocedure geen nadere mededeling gedaan.

4 De rechtbank is in het eindvonnis niet ingegaan op de subsidiaire vordering van [verweerster]. [Verweerster] heeft hierover ook gegriefd (MvG, nr. 4.18).

5 Het hof spreekt van "de ten processe bedoelde overeenkomst". Het hof is op dit punt niet consequent in zijn terminologie. Gesproken wordt afwisselend over de verkoop (resp. de overdracht) van het recht van erfpacht en over het in erfpacht uitgeven van perceel C aan [verweerster]. Gezien het petitum van de inleidende dagvaarding gaat het in deze zaak om het eerste. Het uitgeven van perceel C in erfpacht ligt ook niet direct voor de hand, omdat het UMF het perceel zelf in erfpacht heeft. Uitgeven in ondererfpacht is mogelijk en ook niet ongebruikelijk, vgl. Snijders/Rank-Berenschot, Goederenrecht, 1996, blz. 518-520.

6 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 1 oktober 1999.

7 Mon. Nieuw BW A-24 (Asser), nr.13; Pitlo/Hidma/Rutgers, Bewijs, 1995, blz. 45-46.

8 Zie HR 4 mei 1900, W 74, waarnaar verwezen wordt in Pitlo/Hidma/Rutgers, a.w., blz. 45.

9 Vgl. Mon. Nieuw BW A-24 (Asser), nrs. 13, 15 en 19-21.

10 Vgl. Asser-Hartkamp 4-II, 2001, blz. 142-143.

11 Zie ook het betoog van [verweerster] in nr. 3.2 van haar memorie van grieven.

12 Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II, 1997, blz. 99-100; Dijk/Van der Ploeg, Van vereniging, stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, 1997, blz. 193; Kollen, De vereniging in de praktijk, 1995, blz. 137-138.

13 Zie hierover: Maeijer, De externe werking van onbevoegde vertegenwoordiging in verband met uit de wet voortvloeiende beperkingen, Onderneming en nieuw burgerlijk recht, 1991, blz. 43 e.v.; Rechtspersonen (Stille), aant. 3 bij art. 2:291 en aant. 2 bij art. 2:292; Van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 1998, blz. 163-167; Van Schilfgaarde, Vertegenwoordiging van rechtspersonen volgens 17 725, WPNR 5640, blz. 747 e.v.; Kollen, a.w., blz. 139; Dijk/Van der Ploeg, a.w., blz. 188 e.v.; Van der Grinten, De vertegenwoordigingsbevoegdheid van besturen van rechtspersonen, in: Liber amicorum NBW (De Die bundel), blz. 22-23 en 25-26; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II, a.w., blz. 87 e.v.; Den Tonkelaar, 2001, (T&C BW), art. 2:291, aant. 3.

14 Rechtspersonen (Huizink), aant. 1, 7 en 10 bij art. 2:14 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-I, a.w., blz. 134.

15 Vgl. CvR nrs. 10-12 en MvG nr. 3.3.

16 Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II, a.w., blz. 136; Mohr, Rechtspersonen- en vennootschapsrecht 1992, 1992, blz. 17. Zie over de strekking van art. 3:58 lid 3 BW: De Kluiver, De betekenis van het nieuwe BW voor vennootschappen en rechtspersonen(recht), Nieuw vennootschaps- en rechtspersonenrecht, 1992, blz. 20-22.

17 Vgl. in dit verband Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II, a.w., blz. 356.