Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AE0199

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
02088/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AE0199
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 327
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02088/99

Mr. Wortel

Zitting 9 oktober 2001

Conclusie inzake

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een wapen van categorie III" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt in dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door bewezen te verklaren dat verzoeker een schietwapen/vuurwapen, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad terwijl het een alarmpistool betrof.

4. Ten laste van verzoeker is bewezen is verklaard dat:

"hij op 1 januari 1997 te Wageningen een schietwapen/vuurwapen van categorie III, te weten een pistool voorhanden heeft gehad."

5. Tot de gebezigde bewijsmiddelen behoort een verklaring van verzoeker, inhoudende dat hij een alarmpistool aanwezig heeft gehad. In de overige bewijsmiddelen is te vinden dat verzoeker een voorwerp in zijn hand heeft gehad dat leek op een pistool.

6. In de bestreden uitspraak is een bewijsoverweging opgenomen, waarin is uiteengezet op welke gronden het Hof heeft vastgesteld dat het alarmpistool, dat verzoeker erkende voorhanden te hebben gehad, was voorzien van een loop ter lengte van de loop van een pistool, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder een alarmpistool buiten de verbodsbepalingen in de Wet wapens en munitie blijft (art. 2, categorie III, onder 4o, a, b en c, WWM).

7. Ten tijde van het bewezenverklaarde luidden de van toepassing zijnde bepalingen van de Wet wapens en munitie als volgt:

8. Artikel 1 onder 3° WWM:

"In deze wet wordt verstaan onder vuurwapen: een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie."

9. Artikel 2, eerste lid, WWM:

"Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën

(...)

Categorie III

1° vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°,

2° toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten;

3° werpmessen;

4° alarm- en startpistolen en revolvers, met uitzondering van alarm- en startpistolen die:

a. geen loop of een kennelijk verkorte, geheel gevulde loop hebben;

b. zodanig zijn ingericht dat zij uitsluitend knalpatronen van een kaliber niet groter dan 6 mm kunnen bevatten; en

c. waarvan de ligplaats van de patronen en gasuitlaat loodrecht staan op de loop of op de lengterichting van het wapen."

10. Opmerking verdient voorts dat het begrip "vuurwapen" is ingevoerd bij wet van 16 november 1995, Stb. 1995, 579. Deze wetswijziging trad in werking op 1 januari 1997, de dag waarop (omstreeks 02.30 uur) de aan verzoeker tenlastegelegde feiten zijn gepleegd. Het begrip "vuurwapen" kwam in de plaats voor het begrip "schietwapen" omdat vuurwapen beter zou aansluiten bij het normale spraakgebruik (Kamerstukken II, 1994-1995, 24 107, nr. 3, p. 4).

11. In de bewezenverklaring heeft het Hof de beide begrippen - 'schietwapen' en 'vuurwapen' - opgenomen. Ten tijde van het bewezenverklaring was 'schietwapen' evenwel (reeds tweeëneenhalf uur) geen in de wet voorkomende term meer, en kon als 'vuurwapen' slechts worden aangemerkt het wapen dat voldoet aan het in art. 1 onder 3o WWM gestelde vereiste.

12. Het begrip alarmpistool is niet nader in een wettelijke bepaling gedefinieerd. Onder de voormalige Vuurwapenwet 1919 is aangenomen dat alarmpistolen (genoemd in art. 1, eerste lid onder 1o van die Wet) niet onder de "werkelijke vuurwapenen" vallen, waarmee gedoeld werd op de vuurwapens waarmee projectielen kunnen worden afgeschoten, vgl. HR NJ 1985, 907. Zie ook HR NJ 1985, 25: alarmpistolen zijn naar normaal spraakgebruik geen vuurwapen (maar voor de toepassing van de Vuurwapenwet wèl als zodanig aan te merken omdat zij in art. 1, eerste lid, onder 1o, van die Wet daarmee gelijkgesteld waren).

13. Ter gelegenheid van de parlementaire behandeling van de Wet wapens en munitie en daarop betrekking hebbende wijzigingswetten is, als ik het goed zie, geen aandacht besteed aan de vraag wat het kenmerk van een alarmpistool is, en in welk opzicht dat voorwerp zich kan onderscheiden van de vuurwapens (aanvankelijk schietwapens) in de zin van art. 1 onder 3o WWM.

In art. 2 WWM - zoals de bepaling luidde ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit - werden onder 1o genoemd 'vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen', terwijl onder 4o werden genoemd 'alarm- en startpistolen en -revolvers'. Daaruit zal, mede omdat nergens uit blijkt dat de wetgever een andere betekenis heeft willen geven aan het begrip 'alarmpistool' dan voorheen in de rechtspraak was geschied, moeten worden opgemaakt dat alarmpistolen, anders dan de in categorie III bedoelde revolvers en pistolen, geen vuurwapens zijn in de zin van de Wet wapens en munitie.

14. Het is denkbaar dat een alarmpistool (omdat de loop is doorboord en eventueel andere wijzigingen zijn aangebracht) geschikt is gemaakt voor het afschieten van projectielen of stoffen. Dan wordt het een wapen in de zin van art. 2, categorie III onder 1o WWM. Een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben ervan zal in dat geval vergen dat de geschiktheid van het wapen tot het afschieten van projectielen of stoffen uit de bewijsmiddelen blijkt.

15. Nu uit de bewijsmiddelen slechts volgt dat verzoekers gedragingen betrekking hebben gehad op een alarmpistool zal evenwel moeten worden aangenomen dat het niet gaat om een vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie.

Door bewezen te verklaren dat verzoeker "een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool" voorhanden heeft gehad, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat het een alarmpistool betreft, heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Het middel is terecht voorgesteld.

16. Daar doet naar mijn inzicht niet aan af dat zowel het voorhanden hebben van een alarmpistool, als het voorhanden hebben van een (niet onder een andere categorie vallend) pistool een overtreding oplevert van artikel 26, eerste lid, WWM, begaan met betrekking tot een wapen van de derde categorie, zodat er geen verschil is voor de strafbaarheid van het feit en de straf die daarop kan volgen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,