Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD7756

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
07-01-2002
Zaaknummer
1334
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD7756
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. J.W. ILSINK

ADVOCAAT-GENERAAL

Nr. 1334

Derde Kamer B

Onteigening

Conclusie van 28 september 2001 inzake:

[EISERES]

tegen

DE GEMEENTE ROTTERDAM

1. Feiten en procesverloop

1.1. [eiseres] [...] is eigenaresse van drie percelen(1). De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 1 juli 1999 besloten tot onteigening van onder meer die drie percelen (hierna: de te onteigenen percelen). Bij KB van 28 januari 2000(2) is dat besluit - behoudens een te dezen niet relevant onderdeel - goedgekeurd. In dat KB is [eiseres] aangewezen als eigenaresse van de te onteigenen percelen.

1.2. In dat KB heeft de Kroon ten aanzien van de namens [eiseres] naar voren gebrachte bedenkingen overwogen:

[Eiseres] voert voorts aan, dat de gemeente Rotterdam niet via minnelijke onderhandelingen heeft getracht de eigendom van de onderwerpelijke onroerende zaken te verkrijgen. Hoewel correspondentie is gevoerd tussen de gemeente Rotterdam en haar kan, aldus [eiseres], deze gevoerde correspondentie niet worden aangemerkt als het voeren van minnelijke onderhandelingen. Dit laatste blijkt alleen al uit het feit dat de gemeente Rotterdam tot op heden nimmer aan haar een schriftelijk bod tot schadeloosstelling heeft uitgebracht.

Ten aanzien van vorenaangehaalde bedenkingen overwegen Wij vooreerst dat in het algemeen niet eerder tot onteigening behoort te worden overgegaan, dan nadat een redelijke doch vruchteloos gebleken poging is ondernomen om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. Aan deze eis is naar Ons oordeel genoegzaam voldaan indien voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving een aanvang is gemaakt en ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen vooralsnog niet tot het gewenste resultaat zullen leiden. Voorts zijn Wij van oordeel, dat het wel wenselijk doch niet strikt noodzakelijk is, dat ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening reeds een formeel bod moet zijn uitgebracht. Voldoende is dat sprake is geweest van een redelijke doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. Alsdan kan een gemeente teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het desbetreffende bestemmingsplan te kunnen overgaan in beginsel tot onteigening besluiten.

In het bijzonder overwegen Wij dat [eiseres], zoals in de desbetreffende raadsvoordracht van 15 juni 1999 ter zake staat weergegeven, bij brief van augustus 1997 de gemeente heeft meegedeeld dat zij geenszins de gedachte en/of de intentie heeft de onderwerpelijke percelen met de daarop gelegen panden te verkopen. Nadien heeft [eiseres] te kennen gegeven eerst tot een gesprek bereid te zijn na ontvangst van schriftelijke informatie over de algemene uitgangspunten bij een schadeloosstelling op onteigeningsbasis. Deze informatie is bij brief van 27 januari 1999, derhalve voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan, toegezonden. [Eiseres] heeft op deze brief nog niet kunnen of willen reageren. In het kader van voortgezette verwervingspogingen heeft de gemeente [eiseres] voorts verzocht de benodigde financiële gegevens te verschaffen zodat de schadeloosstelling kan worden bepaald. Nu de gemeente voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving een aanvang heeft gemaakt en het ten tijde van het nemen van het raadsbesluit voldoende aannemelijk was dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort, heeft de gemeente, teneinde op een redelijk tijdstip tot de uitvoering van het onderwerpelijke bestemmingsplan te kunnen overgaan, in beginsel tot onteigening van de desbetreffende percelen kunnen besluiten.

1.3. Bij beschikking van 1 augustus 2000(3) heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de Rechtbank) op verzoek van de gemeente Rotterdam (hierna: de Gemeente) op de voet van art. 54a Ow een rechter-commissaris en deskundigen benoemd. Bij beschikking van diezelfde datum(4) heeft de rechter-commissaris op de voet van art. 54c Ow onder meer de tijd en plaats van de plaatsopneming bepaald.

1.4. Deze (vervoegde) plaatsopneming heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2000. In het dossier bevindt zich een afschrift van het proces-verbaal daarvan.

1.5. Bij exploit van 16 november 2000 heeft de Gemeente Ouwerkerk doen dagvaarden voor de Rechtbank en onder andere gevorderd te harer name in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en van de volkshuisvesting vervroegd de onteigening uit te spreken van de te onteigenen percelen.

1.6. De Rechtbank heeft op 12 april 2001 in deze zaak vonnis(5) gewezen. De Rechtbank heeft in dat vonnis onder meer de gevorderde vervoegde onteigening uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiseres] vastgesteld op ƒ 1.017.220.

1.7. Tegen dit vonnis heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel van cassatie.

1.8. Ter zitting van 27 juni 2001 heeft de Gemeente geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.9. Partijen hebben hun standpunten ter zitting van 10 augustus 2001 schriftelijk doen toelichten. Ter zitting van 7 september 2001 heeft [eiseres] gerepliceerd en heeft de Gemeente gedupliceerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. In de eerste alinea van rov. 2.5 heeft de Rechtbank uiteengezet wanneer in deze zaak aan het voorschrift van art. 17 Ow is voldaan. Die uiteenzetting behelst in feite een - op deze zaak toegesneden - parafrase van rov. 3.5 van HR 8 april 1998, NJ 1999, 24 m.nt. PCEvW (Van den Boogert/Rotterdam). Op die uiteenzetting valt weinig aan te merken. Nadat de Rechtbank vervolgens de feiten heeft vastgesteld met betrekking tot de pogingen die de Gemeente heeft ondernomen om de te onteigenen percelen bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, heeft zij op grond daarvan ten slotte geoordeeld dat op

grond van het voorgaande, alsmede op gelijke gronden als die welke de Kroon aan het Besluit van 28 januari 2000 ten grondslag heeft gelegd en die de rechtbank overneemt, moet worden geoordeeld dat door de Gemeente voorafgaande aan het raadsbesluit van 1 juli 1999 maar ook nadat het besluit definitief werd per 22 februari 2000 tot aan de dagvaarding redelijke doch vruchteloos gebleven pogingen zijn ondernomen om het te onteigenen langs minnelijke weg te verwerven. De gemeente heeft aldus voldaan aan de (...) norm van artikel 17 OW.

2.2. Het middel komt op tegen het oordeel dat door de Gemeente voorafgaande aan het raadsbesluit van 1 juli 1999 redelijke doch vruchteloos gebleven pogingen zijn ondernomen om het te onteigenen langs minnelijke weg te verwerven. Het middel faalt. In (het zojuist geciteerde deel van) het vonnis van de Rechtbank ligt immers het oordeel besloten dat de Kroon in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat "ten tijde van het nemen van het raadsbesluit voldoende aannemelijk was dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort" (zie § 1.2). Anders dan het middel kennelijk wil, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is het evenmin onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering.

2.3. Daarnaast wijs ik erop dat de Rechtbank in (datzelfde deel van) het vonnis tevens - en in cassatie niet bestreden - heeft geoordeeld dat de Gemeente ook in de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening (22 februari 2000) en het uitbrengen van de dagvaarding (16 november 2000) redelijke pogingen heeft ondernomen om het te onteigenen langs minnelijke weg te verwerven. Daarmee heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de Gemeente in die periode niet te werk is gegaan alsof het voorschrift van art. 17 Ow een te verwaarlozen formaliteit is.

2.4. Het betoog van [eiseres] komt derhalve erop neer dat de Rechtbank enerzijds wèl mocht oordelen dat de Gemeente in de periode na het definitief worden van het onteigeningsbesluit aan haar onderhandelingsplicht heeft voldaan, maar anderzijds had moeten oordelen dat de Gemeente in de periode vóór het onteigeningsbesluit niet aan deze plicht heeft voldaan. Nu de Rechtbank evenwel de latere pogingen om het te onteigenen minnelijk te verkrijgen (volledig) heeft getoetst aan de norm van art. 17 Ow, zie ik niet in welk belang [eiseres] nu eigenlijk nog heeft bij haar klachten over de (marginale) toetsing van de Rechtbank van de overwegingen in het KB met betrekking tot de eerste pogingen. Die latere onderhandelingen hebben immers nìet tot een minnelijke overeenkomst geleid. Het valt mitsdien niet in te zien dat de onderhandelingen in de periode vóór het onteigeningsbesluit - wat daar verder ook van zij - wèl tot een minnelijke overeenkomst zouden hebben kunnen leiden. [eiseres] heeft in ieder geval - voorzover mij uit de stukken is gebleken - niets aangevoerd dat die gevolgtrekking zou rechtvaardigen.

2.5. Het middel komt dus - samengevat - tevergeefs op tegen een oordeel dat wel beschouwd voor deze zaak zonder werkelijk belang is. Ik meen dat het beroep zich mitsdien ervoor leent om op de voet van art. 101a Wet RO te worden verworpen.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Kadastraal bekend gemeente Rotterdam, Sectie [...], nummers [...], [...] en [...].

2 KB van 28 januari 2000, nr. 00.00387, Stcrt. 22 februari 2000, 37.

3 Rekestnummer 00-475, zaaknummer 141811.

4 Met gelijk rekest- en zaaknummer.

5 Zaak-/rolnummer: 148015/HA ZA 00-2537.