Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD7521

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
R01/127HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD7521
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 768
JWB 2001/389
BJ 2002/2
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R 01/127 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 23 november 2001

(Wet Bopz)

Conclusie inzake:

[Verzoeker=betrokkene]

In deze zaak wordt een voorlopige machtiging met motiveringsklachten aangevallen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Roermond heeft op 30 augustus 2001 bij de rechtbank aldaar een voorlopige machtiging gevorderd tot het doen opnemen en doen verblijven van thans verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij de vordering was een geneeskundige verklaring gevoegd van S. Tiggelovend als psychiater die niet bij de behandeling betrokken is, met als bijlagen een brief van de behandelend psychiater L. Vanmolkot en de verpleegkundige A. de Witt d.d. 16 augustus 2001 en een aantal politiemutaties.

1.2. Op 7 september 2001 heeft de rechtbank betrokkene, zijn advocaat, de behandelend psychiater en een medewerker van de RIBW gehoord (RIBW is een instelling voor begeleid wonen, waar betrokkene tot de opneming woonde). Diezelfde dag heeft de rechtbank de vordering toegewezen en de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden.

1.3. Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. In de beschikking heeft de rechtbank "op grond van de voormelde stukken en verhoren" vastgesteld (a) dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens, (b) dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken, (c) dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend en (d) dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.2. Het oordeel onder (a) wordt in cassatie niet bestreden. Blijkens de geneeskundige verklaring lijdt betrokkene aan een "gender identiteitsstoornis, persoonlijkheidsverandering en cognitieve achteruitgang op basis van een hersen-ziekte", welke stoornis in rubriek 4d wordt gebracht onder de classificaties: overige organische hersensyndromen; ernstige gedragsstoornissen; verstandelijke handicap. Betrokkene is volgens de geneeskundige verklaring een timide jonge man (24 jr.); hij kleedt zich in aanstootgevende korte rokjes en belaagt vrouwen en jonge meisjes, overigens (nog) zonder hen seksueel te intimideren. Hij ziet niet wat hij met zijn gedragingen aanricht en kan deze drang niet tegenhouden (rubriek 4a). Volgens rubriek 4b zijn deze symptomen en gedragingen sinds zijn verblijf in de RIBW, ongeveer 1 jaar, "toenemend problematisch". In de brief van de behandelende psychiater en verpleegkundige wordt gesteld dat betrokkene cognitief beperkt is (IQ: 80) en dat hij lichamelijk bekend is met "Cadasil, een hersenaandoening met recidiverende herseninfarcten vanaf jonge leeftijd", als gevolg waarvan bij betrokkene duidelijke oordeels- en kritiekstoornissen aanwezig zijn. In deze brief staat voorts dat betrokkene weet dat zijn kleding en zijn gedrag weerstand oproept bij anderen. Hij is echter niet in staat dit gedrag te veranderen. Verder blijkt betrokkene voordat hij in de RIBW ging wonen, in de periode van 3 juni 1999 tot september 2000, opgenomen te zijn geweest in het psychiatrisch ziekenhuis. Vanaf september 2000 zijn - volgens de brief - negen meldingen binnengekomen bij de politie Roermond, welke vooral afkomstig zijn uit de woonwijk waar betrokkene verblijft en waar mensen aanstoot nemen aan zijn gedrag. Betrokkene is door woonbegeleiders, de RIAGG en de politie meerdere keren tevergeefs aangesproken op zijn kleding en gedrag. Vanwege zijn gedrag en de problemen die dit oproept heeft hij te horen gekregen dat hij niet langer in de beschermde woonvorm van de RIBW kan blijven.

2.3. Onderdeel 1 komt met motiveringsklachten op tegen de oordelen onder (b) en (c). De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de gevaren voor betrokkene als zeer reëel moeten worden ingeschat in het licht van de omstandigheden (i) dat betrokkene niet kan terugkeren naar de beschermde woonomgeving van de RIBW en ook niet over een passend alternatief beschikt en (ii) dat betrokkene een beperkte zelfredzaamheid heeft en gemakkelijker slachtoffer wordt van misbruik en agressie. De rechtbank heeft daarbij kennelijk het oog op de gevaren welke in de geneeskundige verklaring worden genoemd: het gevaar dat betrokkene door zijn hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen en het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat. In rubriek 5b van de geneeskundige verklaring werden deze gevaren toegelicht: "steeds vaker komen de incidenten voor met toenemende agressie van anderen". Als aanwijzingen hiervoor worden in rubriek 5c de volgende feiten genoemd:

"- 9 meldingen bij de politie

- meerdere malen gemolesteerd

- afgelopen w.e. [lees: weekeinde] op de trein naar Amsterdam gemolesteerd"

2.4. Onderdeel 1 klaagt in de eerste plaats (blz. 4 bovenaan) dat onbegrijpelijk is op welke grond de rechtbank hier gevaar aanwezig heeft geacht. Ter toelichting op de klacht is betoogd dat uit de gedingstukken slechts blijkt van incidenten die dateren van meer dan vier maanden vóór de datum waarop de geneeskundige verklaring werd opgesteld. Volgens de klacht kan uit de gedingstukken worden afgeleid dat het gedrag van betrokkene ten goede is veranderd sinds de incidenten zoals beschreven in de politiemutaties, laatstelijk daterend van 14 maart 2001.

2.5. Het is juist dat de rechter die over een voorlopige machtiging dient te beslissen, deze beslissing behoort te nemen op basis van de actuele toestand(1). De rechtbank heeft deze regel echter niet miskend. Waar de rechtbank spreekt over gevaren die als zeer reëel moeten worden ingeschat, heeft de rechtbank het over een actueel gevaar en niet over een gevaar dat in het verleden heeft bestaan. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag. Daarbij komt dat de incidenten, waarop het middel doelt, niet beperkt zijn gebleven tot een periode meer dan vier maanden vóór de geneeskundige verklaring. Zo wordt het gevaar, dat betrokkene door zijn gestoorde gedrag agressie van anderen oproept, in de geneeskundige verklaring onder meer gegrond op een incident in het voorafgaande weekeinde.

2.6. In onderdeel 1 wordt subsidiair betoogd dat uit de incidenten eerder dit jaar niet blijkt van een zó ernstig gevaar dat de problemen thans een vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Aldus geformuleerd kan de klacht evenmin tot cassatie leiden. Voor zover het middel ingaat op een opmerking van de officier van justitie, die niet door de rechtbank in de beschikking is overgenomen, kan het geen doel treffen. Voor zover het middel zich keert tegen het oordeel dat het gevaar als "zeer reëel" moet worden ingeschat, miskent verzoeker dat het hier gaat om een waardering van feitelijke aard welke was voorbehouden aan de rechtbank. Dat feitelijke oordeel kan in cassatie niet worden getoetst, anders dan op begrijpelijkheid. Het moge zijn dat i.h.a. het rondlopen in kleding van de andere sexe niet per se agressie van anderen behoeft op te roepen, maar de feiten (meldingen en incidenten) kunnen uitwijzen dat het gedrag van deze betrokkene wél agressie oproept of anderen schrik aanjaagt. Dat was kennelijk het oordeel van de rechtbank. Het behoefde geen nadere toelichting om begrijpelijk te zijn.

2.7. Aan het slot van dit onderdeel wordt nog aangevoerd dat het oordeel over de vragen (b) en (c) onbegrijpelijk is, nu de rechtbank - na ter terechtzitting van de RIBW-medewerker gehoord te hebben dat betrokken de laatste vier maanden niet meer achter meisjes is aangefietst - heeft nagelaten te onderzoeken of er niet tóch een mogelijkheid bestond dat betrokkene in de RIBW zou kunnen blijven wonen.

2.8. Ter terechtzitting heeft de raadsman van betrokkene aangevoerd dat het gedrag van betrokkene is veranderd en dat er de laatste 4 1/2 maand geen sprake meer is geweest van incidenten en dat betrokkene nog een kans zou behoren te krijgen in de RIBW. Hierop heeft de psychiater geantwoord dat betrokkene door de RIBW is afgewezen. Volgens de psychiater zijn er wel behandelkansen, maar is dan structureel en constant toezicht nodig: de RIBW vormt geen alternatief. Volgens de psychiater kan het wel zijn dat er de laatste maanden geen (of minder) meldingen van incidenten zijn geweest, maar heeft er geen gedragsverandering van betrokkene plaatsgevonden. De RIBW-medewerker heeft inderdaad gezegd dat betrokkene de laatste vier maanden niet meer achter meisjes aanfietst. Hij heeft echter niet gezegd dat dit samenhangt met een gedragsverandering: hij heeft verklaard dat er geen meisjes meer langs komen omdat de straat, waaraan de RIBW ligt, is opgebroken. Voorts gaat betrokkene meestal vroeg naar buiten om de confrontatie met de mensen zoveel mogelijk te ontlopen. Uit de brief van 16 augustus 2001 en de verklaringen ter terechtzitting heeft de rechtbank mogen opmaken dat een voortzetting van het verblijf van betrokkene in de RIBW niet tot de mogelijkheden behoorde. Het is niet onbegrijpelijk dat en waarom de rechtbank geen aanleiding heeft gezien de discussie hierover met RIBW te heropenen. Onderdeel 1 is m.i. tevergeefs voorgesteld.

2.9. Onderdeel 2 klaagt over het oordeel bedoeld onder (d). De klacht gaat n.m.m. niet op. In rubriek 3 van de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst valt te lezen dat betrokkene geen blijk geeft van bereidheid tot opneming en verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis. In rubriek 6 wordt vermeld dat een vrijwillige opname is overwogen als alternatieve mogelijkheid ter afwending van het gevaar. In de brief van de behandelend psychiater van 16 augustus 2001 staat dat betrokkene geen vrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis wil. Ter terechtzitting heeft betrokkene verklaard dat hij denkt zichzelf te kunnen helpen zonder dat hij wordt opgenomen: "Een opname is voor mij een stap achteruit". Namens betrokkene heeft zijn raadsman verklaard dat betrokkene in een woning van de RIBW wil blijven; "hij wil absoluut niet naar het Vincent van Gogh Instituut in Venray" (p.-v. blz. 2). In het licht van het voorgaande is niet onbegrijpelijk dat en waarom de rechtbank van oordeel was dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Indien met deze klacht wordt bedoeld dat de rechtbank aan betrokkene nog eens uitdrukkelijk de vraag had moeten voorleggen of hij subsidiair, nl. voor het geval hij niet in de RIBW kan blijven wonen, bereid is zich vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te laten opnemen, is de uitkomst dezelfde. Gezien de mededeling van de raadsman ("absoluut niet"), is niet onbegrijpelijk dat en waarom de rechtbank voor zo'n herhaalde vraag geen aanleiding heeft gezien.

2.9. Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat het cassatiemiddel niet noopt tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl. art. 5 lid 1 Wet Bopz: de geneeskundige verklaring mag ten hoogste vijf dagen voor het verzoek zijn opgemaakt en ondertekend. Zie over de ex nunc-beoordeling: HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125 m.nt. JdB en laatstelijk HR 2 maart 2001, NJ 2001, 278. Zie ook: Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 1.2. bij art. 5 en aant. 2.2. bij art. 78 Wet Bopz (Dijkers).