Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD7286

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
20-12-2001
Zaaknummer
1318
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD7286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. J.W. ILSINK

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 28 september 2001 inzake:

Nr. 1318

Derde Kamer B

Onteigening

1. [Eiser 1]

2. ZUIDNEDERLANDSE INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ BV I.O.

tegen

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN

2. [verweerder 2]

1. Feiten en procesverloop

1.1. [Eiser 1] is eigenaar van gedeelten van twee percelen bouwgrond kadastraal bekend gemeente [...], Sectie [...], nummers [...] en [...]. Die twee perceelsgedeelten zijn onderscheidenlijk groot 2 hectare, 22 are en 5 hectare, 89 are en 30 centiare. Zij zijn (onder meer) belast met een zakelijk recht (opschortende voorwaarde) ten behoeve van de rechtspersoon in oprichting Zuidnederlandse Investeringsmaatschappij BV i.o. (hierna: ZIM BV i.o.). Bij KB van 3 juni 1999, nr. 99.002485, Stcrt. 28 juni 1999, 120, zijn de twee perceelsgedeelten ingevolge art. 72a Onteigeningswet (hierna: Ow) ter onteigening aangewezen ten behoeve van - kort samengevat - de aanleg van de Hogesnelheidslijn-Zuid en de verbreding en verlegging van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens (rijksweg 16).

1.2. Bij exploit van 22 september 2000 heeft de Staat der Nederlanden (Verkeer en Waterstaat; hierna: de Staat) [verweerder 2], die in het onteigenings-KB als eigenaar was aangewezen, doen dagvaarden voor de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de Rechtbank) en onder meer gevorderd te zijner name vervroegd de onteigening uit te spreken van de twee perceelsgedeelten.

1.3. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding waren de twee perceelsgedeelten eigendom van [eiser 1] geworden en tevens (onder meer) belast met een zakelijk recht (opschortende voorwaarde) ten behoeve van ZIM BV i.o.

1.4. De Staat heeft [eiser 1] en ZIM BV i.o. (hierna: [eiser 1] c.s.) bij aangetekende brief afschriften van de dagvaarding gezonden. Bij incidentele conclusie tot voeging en tussenkomst hebben [eiser 1] c.s. verzocht tot tussenkomst èn tot voeging in het geding.

1.5. Bij vonnis van 28 november 2000, rolnr. 88500 HAZA 00-1712, heeft de Rechtbank in het incident [eiser 1] c.s. toegelaten als tussenkomende partijen in het in de hoofdzaak aanhangige geding tot onteigening, de zaak naar de rol verwezen voor akte na tussenvonnis aan de zijde van de Staat en zich elke verdere beslissing gereserveerd.

1.6. Tegen dit tussenvonnis hebben [eiser 1] c.s. beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel. Daarnaast hebben [eiser 1] c.s. tegen dat tussen vonnis hoger beroep ingesteld; de stukken van het geding geven geen uitsluitsel over de wederwaardigheden van dat hoger beroep.

1.7. Ter terechtzitting van 31 januari 2001 heb ik - op het door [eiser 1] c.s. tegen [verweerder 2] gevraagde verstek - geconcludeerd dat de Hoge Raad, met aanhouding van iedere verder beslissing, [eiser 1] c.s. in de gelegenheid zal stellen [verweerder 2] op te roepen tegen een door de Hoge Raad te bepalen nieuwe dag. Ter terechtzitting van 7 februari 2001 heeft de Hoge Raad dienovereenkomstig [eiser 1] c.s. in de gelegenheid gesteld [verweerder 2] op te roepen tegen de terechtzitting van 7 maart 2001.

1.8. Bij exploit van 19 februari 2001 hebben [eiser 1] c.s. (opnieuw) [verweerder 2] opgeroepen, maar nu tegen de terechtzitting van de Hoge Raad van 7 maart 2001. Op die zitting is [verweerder 2] (wederom) niet verschenen en heeft de Hoge Raad tegen hem verstek verleend. Op diezelfde zitting heeft de Staat geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.9. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter zitting van 23 mei 2001 schriftelijk doen toelichten.

1.10. Ondertussen had de Rechtbank op 27 februari 2001 in deze zaak vonnis gewezen. De Rechtbank heeft in dat vonnis in het incident de vordering van [eiser 1] c.s. tot voeging afgewezen en in de hoofdzaak onder meer de gevorderde onteigening uitgesproken.

1.11. Tegen het vonnis van 27 februari 2001 hebben [eiser 1] c.s. tezamen met [verweerder 2] beroep in cassatie ingesteld. In die zaak, die onder nr. 1332 aanhangig is bij de Hoge Raad, neem ik vandaag ook een conclusie.

2. Het oordeel van de Rechtbank

Met betrekking tot het verzoek van [eiser 1] c.s. tot toelating tot het geding heeft de Rechtbank, in haar tussenvonnis van 28 november 2000, overwogen:

Het verzoek van [eiser 1] en ZIM tot tussenkomst is gedaan overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

De Staat heeft geen bezwaar tegen de incidentele vordering tot tussenkomst en zich terzake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Nu ook [verweerder 2] zich daartegen niet heeft verzet en de rechtbank van geen beletselen is gebleken, kan de vordering worden toegewezen.

3. Persona standi in judicio

Uit het vonnis en de stukken van het geding kan niet worden opgemaakt dat in feitelijke instantie door de Staat is aangevoerd dat ZIM BV i.o. niet bevoegd zou zijn als procespartij te handelen en behandeld te worden. Hoe dat ook zij, ZIM BV i.o. is in ieder geval in het geding voor de Rechtbank partij geweest. Gezien HR 17 juni 1966, NJ 1966, 374 m.nt. DJV, kan ZIM BV i.o. mitsdien in cassatie niet meer als "spookpartij"(1) worden beschouwd.

4. De ontvankelijkheid

4.1. Volgens vaste rechtspraak kan in onteigeningszaken slechts beroep in cassatie worden ingesteld tegen een eindvonnis. Ik verwijs naar HR 8 juli 1991, NJ 1991, 747 (Muntstaete BV/'s-Gravenhage), met name rov. 3.5, en de onderdelen 5.1 en 5.2 van de conclusie van mijn ambtgenoot Moltmaker. Hier is - wat het verzoek tot voeging betreft - geen sprake van een eindvonnis, te weten een beslissing waardoor door de rechter aan het proces omtrent enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt(2). Dat blijkt mede uit de beslissing omtrent het verzoek tot voeging in het eindvonnis (zie § 1.10). [eiser 1] c.s. zijn derhalve niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep.

4.2. Gezien het vorenstaande, ga ik voorbij aan de vraag of [eiser 1] c.s. zich in de procedure voor de Rechtbank materieel aan de zijde van [verweerder 2] hebben geschaard, in welk geval eveneens (in de regel) de niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van het cassatieberoep tegen [verweerder 2] zou moeten volgen.(3)

5. Ten overvloede: het verzoek tot voeging

5.1. Hiervoor heb ik betoogd dat [eiser 1] c.s. niet in hun cassatieberoep moeten worden ontvangen. Maar zelfs indien dat beroep wel ontvankelijk zou zijn, zou dat hen, zoals ik aanstonds uiteen zal zetten, niet baten.

5.2. Samengevat komen middel en toelichting erop neer dat [eiser 1] c.s. door de Rechtbank ten onrechte alleen zijn toegelaten tot het geding als tussenkomende partij maar niet tevens als gevoegde partij.

5.3. Art. 2 Ow luidt:

De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering zijn op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zooveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

Art. 3, lid 2, Ow bepaalt:

Desniettemin kan een ieder die beweert eigenaar te zijn, of rechthebbende op een recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven, en niet is gedagvaard, aan de rechter verzoeken in het geding van onteigening te mogen tussenkomen, zolang de eindconclusies door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde recht hebben derde belanghebbenden, waaronder zijn te verstaan beperkt gerechtigden, huurders, onderhuurders, pachters, onderpachters, bezitters, eigenaren in geval van mandeligheid volgens artikel 60, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, schuldeisers als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, en zij die op het te onteigenen goed of op een recht waaraan dat is onderworpen, beslag hebben gelegd. Deze laatsten kunnen in hun verzoek alleen worden ontvangen, indien zij daarbij een notaris of deurwaarder aanwijzen aan wie kan worden betaald.

Art. 285 Rv luidt:

Een ieder welke een belang heeft in een regtsgeding, hangende tusschen andere partijen, kan vorderen daarin zich te mogen voegen of te mogen tusschenkomen.

5.4. Hugenholtz en Heemskerk schrijven:(4)

Volgens art. 285 kan ieder, die een 'belang' heeft in een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, vorderen zich daarin te mogen voegen of tussenkomen. In beide gevallen mengt een derde zich vrijwillig in de rechtsstrijd. In geval van voeging steunt hij een der partijen, terwijl hij zich bij tussenkomst zowel tegen de eiser als tegen de gedaagde stelt, die tegenover hem als eiser de positie van gedaagden innemen. Voorbeelden: de borg, [die] de schuldenaar steunt (voeging) en de derde, die in een eigendomsprocedure beweert eigenaar te zijn (tussenkomst).

Tussenkomen is dus niet hetzelfde als voegen.(5)

5.5. Wijting laat het incident der voeging in zijn proefschrift onbesproken(6)

daar die vordering voor het onteigeningsproces van vrijwel geen belang is.

Van Mierlo schrijft:(7)

Gaat het bij tussenkomst om handhaving van eigen recht, degene die voeging nastreeft beoogt zich te scharen aan de zijde van een van de partijen ter ondersteuning van diens standpunt. Het valt niet in te zien, dat zich in geval van onteigening de behoefte aan voeging kan voordoen. Deze vorm van interventie kan hier dus gevoegelijk buiten beschouwing blijven.

Volgens Haardt(8) wordt aangenomen dat er

voor voeging in de onteigeningsprocedure geen plaats is.

5.6. De auteurs die ik in de vorige paragraaf heb aangehaald, maken niet veel woorden vuil aan de gedachte om in een onteigeningsgeding te verzoeken om voeging. Ik voel niet de behoefte om dat hier wel te doen. [eiser 1] c.s. kunnen immers als tussenkomende partij al volledig aan hun trekken komen, zoals ook blijkt uit de behandeling van het cassatieberoep in de zaak onder nr. 1332. Zij hebben derhalve geen belang bij hun verzoek om zich daarnaast te mogen voegen.

5.7. Wel rijst de vraag of het verzoek tot voeging hier niet reeds zou moeten worden afgewezen omdat art. 3, lid 2, Ow een lex specialis is ten opzichte van de lex generalis (art. 285 Rv) en art. 3, lid 2, Ow alleen de vordering tot tussenkomst noemt. Die vraag lijkt mij in deze zaak echter van academisch belang. Ik laat die vraag mitsdien rusten.

6. Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser 1] c.s. in hun cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 R.P. Cleveringa, Spookpartijen, 1967.

2 W. Hugenholtz en W.H. Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, blz. 95 e.v.

3 Zie - voor een uitzondering op die regel - mijn ambtgenoot Wattel in punt 3 van zijn conclusie voor HR 4 april 2001, nr. 1307.

4 A.w., blz. 170.

5 Vergelijk mijn ambtgenoot Wattel in punt 3.1 van zijn in noot 3 genoemde conclusie.

6 W. Wijting, Een studie tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, 1984, blz. 505.

7 Onteig., eigendomsbep. en kostenverh., H.J.M. van Mierlo, Bijz. I.B I, § 3 - suppl. 9 (december 1999).

8 Burgerlijke Rechtsvordering, W.L. Haardt, art. 285, aant. 2 - suppl. 214 (augustus 1992).