Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD6826

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2001
Datum publicatie
11-12-2001
Zaaknummer
02098/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD6826
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 745
NJ 2002, 85
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02098/00

Mr Machielse

Zitting 16 oktober 2001

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De Rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft op 21 oktober 1999 voor overtreding van het bepaalde krachtens art.6bis van de Veewet veroordeeld tot een geldboete van duizend gulden.

2. Verdachte heeft zelf cassatieberoep ingesteld. Mr M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank heeft verzuimd te antwoorden op een gevoerd verweer en verdachte zonder nadere motivering dienaangaande heeft veroordeeld.

3.2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte het volgende aangevoerd:

A. Ik heb op 11 september 1997 over de N 272 in de gemeente Sint-Anthonis in een veeaanhangwagen een rund en een schaap vervoerd.

Ik heb die aanhanger nog nooit ontsmet.

B. De vee-aanhangwagen is mijn eigendom. Ik ben in het bezit van een ontsmettingsboekje, echter hierin staat niet de vereiste stempel.

Ik ben van mening dat wanneer mijn schapen en koeien vervoerd worden in een aanhangwagen, die mijn eigendom is, er niet ontsmet hoeft te worden. Afgelopen week heb ik contact gehad met mijn advocaat mr.Lensen uit Tilburg. Ook hij is van mening dat ontsmetten niet nodig was. Een soortgelijke zaak in Boxmeer, waarbij hij als advocaat is opgetreden, heeft tot vrijspraak geleid.

3.3. Het aangevoerde zal wel bedoeld zijn als inhoudende een beroep op het eerste lid van art.7 van de Beschikking ontsmetting motorrijtuigen en aanhangwagens 1976(1) (verder te noemen; de Beschikking), dat als volgt luidt:

1. Het bepaalde in artikel 3 is niet van toepassing op vervoer in aanhangwagens, voortbewogen door een motorvoertuig, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het Wegenverkeersreglement, mits daarin slechts vee wordt vervoerd, dat eigendom is van de eígenaar van het motorvoertuíg en de aanhangwagen.

Art.3 van de Beschikking heeft de volgende inhoud:

Het vervoermiddel en de daarbij behorende voorwerpen, waarmede vee wordt vervoerd dienen in het tijdvak van 7 achtereenvolgende dagen onmiddellijk voorafgaande aan de dag van het vervoer, dan wel op die dag, doch vóór het vervoer, te zijn gereinigd en ontsmet.

Aan verdachte is overtreding van het bepaalde in art.3 van de Beschikking verweten. Het vonnis bevat inderdaad geen antwoord op het betoog van verdachte, inhoudende dat op hem de uitzondering van art.7 van de Beschikking van toepassing was. In zoverre is het eerste middel terecht voorgesteld.

Maar dat leidt niet tot cassatie in verband met het volgende.

3.4. De Rechtbank heeft voor het bewijs gebezigd het proces-verbaal van verbalisant, onder meer inhoudende:

Ik zag een personenauto met daarachter een aanhangwagen, kennelijk bestemd voor het vervoer van vee. Het voertuig werd staande gehouden. De bestuurder gaf mij later op [verdachte] te zijn. Ik zag dat in de aanhanger een rund en een schaap werden vervoerd. Op mijn vraag of [verdachte] het ontsmettingsboekje van de betreffende aanhanger wilde tonen moest hij in gebreke blijven, omdat hij nooit een ontsmettingsboekje bij de aanhanger heeft gehad.

De uitzondering van art.7 van de Beschikking heeft slechts betrekking op vervoer in een aanhangwagen voortbewogen door een landbouwvoertuig in de zin van art.18 (oud) WVR, een voertuig "waarvan de bestuurder, de eigenaar of de houder aantoont dat de eigenaar of houder dit motorvoertuig nodig heeft om het buiten de wegen te gebruiken en dat dit motorvoertuig zich op de weg bevindt ten behoeve van dit gebruik of van herstel, of, met betrekking tot landbouwbedrijven, dat dit voertuig zich op de weg bevindt rechtstreeks ten behoeve van die bedrijven of van herstel". De uitzondering van art.7 van de Beschikking heeft dus geen betrekking op het vervoer van eigen dieren in een eigen aanhangwagen zoals de steller in het tweede middel aanvoert, maar op het vervoer van eigen dieren in een eigen aanhangwagen, die voortbewogen wordt door een landbouwvoertuig. Het verweer van verdachte hield niet in dat de personenauto die de aanhangwagen met het vee trok(2) een landbouwvoertuig was dat op die dag en op die plaats gebruikt werd ten dienste van het landbouwbedrijf van verdachte en dat bestemd was voor gebruik buiten de wegen. Nu verdachte reed in een gewone personenauto had de Rechtbank het verweer dienen te verwerpen omdat zich de uitzondering van art.7 van de Beschikking niet voordeed. Het belang dat art.358 lid 3 Sv dient, te weten dat aan verdachte expliciet wordt uitgelegd waarom een uitdrukkelijk voorgedragen verweer niet opgaat, vergt geen vernietiging omdat de Hoge Raad aan verdachte kan duidelijk maken waarom het verweer geen kans van slagen had.(3)

4. Ambtshalve wijs ik er op dat het cassatieberoep is ingesteld op 21 oktober 1999 en dat het zich laat aanzien dat de Hoge Raad eerst arrest zal wijzen in deze zaak op een tijdstip dat sinds het instellen van dat beroep meer dan twee jaren zijn verstreken. In aanmerking genomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art.6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad zal zelf de straf kunnen verminderen.(4)

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, het cassatieberoep verwerpende, zal uiteenzetten waarom het door verdachte gevoerde verweer verworpen diende te worden en de opgelegde straf zal verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Stcrt. 1976,140. De Beschikking is vervallen op 1 juli 1998 en vervangen door de Regeling inzake hygiëne-voorschriften besmettelijke dierziekten 1998 (Stcrt.117). Deze laatste Regeling is op haar beurt weer opgevolgd door de Regeling inzake hygiëne-voorschriften besmettelijke dierziekten 2000 per 22 december 2000 (Stcrt. 247). Deze Regelingen zijn niet te beschouwen als verandering van wetgeving in de zin van art. 1 lid 2 Sr. Het uitgangspunt van de Beschikking is in de Regelingen overgenomen, maar nog verscherpt in verband met het uitbreken van de varkenspest (Toelichting in Stcrt. 1998, 117, p.12/13). Ook de Regelingen kennen een systeem van ontsmetting van vervoermiddelen voor vee, welke ontsmettingen worden aangetekend in een geschrift (art. 17 Regeling 1998). Een uitzondering op de ontsmettingsverplichting van de eerste twee leden van art. 6 Regeling 1998 is neergelegd in het derde lid dat verwijst naar art. 4, derde lid onder d, van het Besluit dierenvervoer 1994. In laatstgenoemde bepaling is een uitzondering opgenomen voor vervoer van vee in een aanhangwagen, voortbewogen door een landbouwtrekker.

2 Volgens het proces-verbaal van de AID een Mercedes 300D met als kenteken TK-46-VT.

3 Zoals in HR NJ 1988,474.

4 Vgl. HR NJ 2001,279.