Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD5829

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
R01/067HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD5829
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed 1
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 814
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 764
NJ 2002, 282 met annotatie van Th.M. de Boer
JWB 2001/387
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R01/067HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 12 nov. 2001

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar college,

1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure zijn op 18 juni 1999 te [...], Verenigde Staten van Amerika, met elkaar gehuwd. De vrouw, thans verweerster in cassatie, heeft de Nederlandse nationaliteit. De man, thans verzoeker van cassatie, heeft de Amerikaanse nationaliteit. Uit het huwelijk is op 23 februari 2000 een dochter geboren.

2. De vrouw heeft bij inleidend verzoekschrift d.d. 22 december 1999, ingekomen ter griffie van de Rechtbank Utrecht op 28 december 1999, die Rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man is verschenen en heeft tegen het verzoek tot echtscheiding verweer gevoerd. De over en weer door partijen verzochte nevenvoorzieningen spelen in cassatie geen rol.

3. Bij beschikking van 6 september 2000 heeft de Rechtbank zich (internationaal) bevoegd geacht om van het verzoek tot echtscheiding van de vrouw kennis te nemen, zulks op grond van de omstandigheid dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezit en ten tijde van de indiening van het verzoekschrift langer dan zes maanden haar woonplaats in Nederland had (art. 814 lid 1, aanhef en onder b, Rv). Voorts heeft de Rechtbank, nu van een rechtsgeldige rechtskeuze niet is gebleken, partijen geen gemeenschappelijke nationaliteit en niet in hetzelfde land hun gewone verblijfplaats hebben, op grond van art. 1 lid 1 onder c van de Wet conflictenrecht echtscheiding van 25 maart 1981, Stb. 1981, 166 (WCE) het Nederlandse recht toepasselijk geacht op het verzoek tot echtscheiding. Waar naar haar oordeel uit het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, heeft de Rechtbank op het verzoek van de vrouw de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

4. De man is van de beschikking van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Hij voerde, kort gezegd, aan dat de Rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht, aangezien de vrouw ten tijde van het indienen van het inleidend verzoekschrift nog niet sedert zes maanden woonplaats in Nederland had; voorts dat de Rechtbank ten onrechte Nederlands recht van toepassing heeft geacht op het echtscheidingsverzoek, aangezien op grond van de huwelijkse voorwaarden die partijen bij het sluiten van hun huwelijk hebben opgemaakt, het recht van de staat New York op de echtscheiding van partijen van toepassing is; en ten slotte dat de vrouw in haar inleidend verzoekschrift niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, aangezien de betekening van dat verzoekschrift aan de man niet op regelmatig wijze is geschied.

5. Het Hof heeft bij beschikking van 29 maart 2001 de bezwaren van de man verworpen en de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. Ten aanzien van het beroep op onbevoegdheid van de Rechtbank overwoog het Hof onder meer (r.o. 2):

"Van de zijde van de vrouw is aangevoerd dat zij haar woonplaats in Nederland na het huwelijk van partijen nimmer heeft opgegeven. Zulks is door de man - met name bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep waarbij de vrouw deze stelling uitdrukkelijk in het debat heeft betrokken [en] gestaafd met bewijsstukken - niet weersproken.

Derhalve moet van de juistheid van dit betoog van de vrouw worden uitgegaan. Het vindt voorts bevestiging in de omstandigheid dat zowel de tussen partijen gesloten prenuptial agreement van 18 juni 1999 als de twee tussen het gesloten loan agreements van 20 februari 1999 en 5 augustus 1999 vermelden dat de vrouw woonplaats heeft te [plaats A]. Voorts hebben partijen na het huwelijk een huis voor de vrouw gekocht in [plaats B].

Ook overigens is niets gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vrouw haar woonplaats in Nederland heeft opgegeven om bij de man, in [plaats C], [...], Verenigde Staten te gaan wonen, ook al zou zij daar - zoals de man stelt - in de periode voorafgaand aan de indiening van het inleidend verzoekschrift (tot 6 augustus 1999) het merendeel van de tijd hebben verbleven. De Rechtbank te Utrecht is derhalve bevoegd van het inleidend verzoek kennis te nemen."

De opvatting van de man dat het recht van de staat New York van toepassing is op het echtscheidingsverzoek achtte het Hof niet steekhoudend; het Hof onderschreef met betrekking tot de vraag naar het toepasselijke recht het oordeel van de Rechtbank en de gronden waarop dit berust (r.o. 4.2). Het beroep op niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar inleidend verzoekschrift verwierp het Hof op grond van de overweging dat de man daarbij geen belang heeft omdat hij, wat er ook zij van betekeningsgebreken, in eerste aanleg is verschenen (r.o. 4.3).

6. De man is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit zes onderdelen opgebouwd middel. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

7. De onderdelen 1 t/m 4 van het middel betreffen het oordeel van het Hof inzake de bevoegdheidsvraag.

8. Onderdeel 1 strekt ten betoge dat het Hof geen beschikking had mogen geven, zolang het nog niet beschikte over de stukken bedoeld in art. 815 lid 2 Rv die de vrouw had moeten overleggen (subonderdeel 1.a) en dat het Hof bovendien de man in de gelegenheid had moeten stellen na overlegging op deze stukken te reageren (subonderdeel 1.b).

9. Het onderdeel faalt. Al aangenomen dat de stelling dat de vrouw de bedoelde bescheiden niet heeft overgelegd juist is (de stelling vindt geen steun in de bestreden beschikking), stelt de wet daarop geen sanctie. Vgl. Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., art. 815, aant. 1 (G.R. Rutgers). De klacht dat de man, aangenomen dat de vrouw de bedoelde bescheiden wel heeft overgelegd, in de gelegenheid had moeten worden gesteld daarop te reageren, strandt op gebrek aan belang. Het Hof heeft zijn beslissing inzake de bevoegdheidsvraag niet doen steunen op deze bescheiden.

10. Onderdeel 2 van het middel valt uiteen in vier subonderdelen en komt op tegen het oordeel van het Hof dat vaststaat dat de vrouw haar woonplaats in Nederland na het huwelijk van partijen nimmer heeft opgegeven.

11. Subonderdeel 2a klaagt dat onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is 's Hofs oordeel dat de man niet heeft weersproken dat de vrouw haar woonplaats in Nederland na het huwelijk van partijen nimmer heeft opgegeven. Betoogd wordt dat de man steeds het standpunt heeft ingenomen dat de vrouw haar feitelijke woonplaats in [plaats C] heeft gehad en de man pas op 6 augustus 1999 heeft verlaten om naar Nederland te vertrekken.

12. De klacht is ongegrond. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man opgemerkt:

"De vrouw had haar woonplaats te [plaats A], maar alles (gedoeld wordt op de tussen partijen gesloten overeenkomsten, A-G) is ondertekend in [plaats C]. Vóór het huwelijk is de vrouw daar veel geweest. Ná de huwelijkssluiting is de vrouw slechts één keer op en neer gereisd naar Nederland. De vrouw was van plan te emigreren naar [plaats C]."

Gelet op deze uitlating is niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat de man niet heeft weersproken dat de vrouw haar woonplaats in Nederland nog niet had opgegeven.

13. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het begrip "woonplaats" als bedoeld in art. 814 lid 1, aanhef en sub b, Rv ziet op het begrip "woonplaats" in de zin van art. 1:10 BW en niet, zoals het middel kennelijk doch ten onrechte meent, op de feitelijke verblijfplaats of feitelijke woonplaats. Zie J.P. Verheul en M.W.C. Feteris, Rechtsmacht in het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, deel 2, 1986, blz. 70; A.P.M.J. Vonken, 1998 (T&C Personen- en familierecht), art. 814 Rv, aant. 2; P.M.M. Mostermans, Echtscheiding, Praktijkreeks IPR, deel 5, 1999, nr. 18; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 6e dr., 2000, nr. 225. Een natuurlijk persoon heeft zijn woonplaats daar waar zijn "woonstede" is, dat wil zeggen de plaats waar iemand naar maatschappelijke opvattingen woont, zijn zaken behartigt, voor het rechtsverkeer steeds bereikbaar is, en waar hij niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en tevens met het plan om, als dat doel bereikt is, terug te keren. Vgl. HR 19 januari 1880, W. 4475, dat voor de uitleg van het begrip woonplaats nog steeds van belang is. Vgl. Kluwers Personen- en familierecht, losbl., art. 10, aant. 1 (G.R. de Groot). Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede eerst door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven (art. 1:11, lid 1 BW). Vaststaat dat de vrouw, voordat zij de man ontmoette, woonplaats in Nederland had. Het Hof heeft kennelijk de omstandigheid dat de vrouw voor en na de huwelijkssluiting gedurende langere perioden feitelijk in [plaats C] verbleef, niet aangemerkt als gedrag waaruit blijkt dat de vrouw haar "woonstede" in Nederland wilde opgeven. Dit oordeel berust op een aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden waardering van feitelijke omstandigheden en is niet onbegrijpelijk, nu de vrouw, na haar verblijf in [plaats C], ook steeds weer terugkeerde naar Nederland. Het getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting.

14. Subonderdeel 2b betoogt dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat de vrouw met bewijsstukken heeft gestaafd dat zij haar woonplaats in Nederland nimmer heeft opgegeven. Subonderdeel 2c voegt hieraan toe dat het Hof niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond van welke bewijsstukken het heeft aangenomen dat de vrouw haar woonplaats in Nederland nimmer heeft opgegeven. Voor zover het Hof met "bewijsstukken" het paspoort van de vrouw bedoelt, klaagt subonderdeel 2d dat daaruit niet volgt dat de vrouw haar woonplaats in Nederland niet heeft opgegeven.

15. Deze klachten falen. Zij miskennen dat het Hof zijn oordeel niet (uitsluitend) heeft gebaseerd op het paspoort dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft getoond, maar ook op reeds eerder overgelegde bewijsstukken. Met name heeft het Hof zich gebaseerd op de "prenuptial agreement" en de "loan agreements" uit 1999, die vermelden dat de vrouw in Nederland haar woonplaats heeft en op de omstandigheid dat in 1999 in Nederland voor de vrouw een huis is gekocht.

16. Onderdeel 3 van het middel keert zich in vier subonderdelen tegen het oordeel van het Hof dat de juistheid van de stelling van de vrouw omtrent haar woonplaats voorts bevestiging vindt in de prenuptial agreement en in de loan agreements en in de omstandigheid dat partijen na het huwelijk een huis voor de vrouw hebben gekocht in [w[plaats B].

17. Het onderdeel faalt. Subonderdeel 3.a bouwt voort op de subonderdeel 2 en moet het lot daarvan delen. De subonderdelen 3b en 3c zien eraan voorbij dat het Hof zijn oordeel niet heeft gebaseerd op een enkele vermelding van de woonplaats van de vrouw in één overeenkomst, maar op een aantal omstandigheden die - mede gelet op de zeer korte duur van het huwelijk - gezamenlijk het oordeel kunnen dragen dat de vrouw haar woonplaats in Nederland niet heeft opgegeven. Bovendien valt niet in te zien waarom de in de onderdelen 3b en 3c bedoelde overeenkomsten - die vermelden dat de vrouw haar woonplaats in Nederland heeft - geen steun zouden kunnen bieden voor 's Hofs oordeel. Subonderdeel 3d, dat stelt dat de vrouw zonder instemming van de man en buiten deze om het huis in [w[plaats B] heeft gekocht, is een feitelijk novum.

18. Onderdeel 4 van het middel bestrijdt in vier subonderdelen de laatste alinea van r.o. 2 van 's Hofs beschikking.

19. De klachten van het onderdeel zijn ongegrond. Subonderdeel 4.a berust op een onjuiste rechtsopvatting, waar het betoogt dat met de in art. 814, lid 1, aanhef en onder b, Rv genoemde woonplaats de feitelijke verblijfplaats wordt bedoeld. Ik verwijs naar hetgeen hierboven onder 13 is opgemerkt. De subonderdelen 4.b en 4.c bouwen voort op die onjuiste rechtsopvatting en moeten reeds daarom falen. Subonderdeel 4.d mist zelfstandige betekenis naast de reeds in onderdeel 1 aangevoerde klachten.

20. Onderdeel 5 keert zich in twee subonderdelen tegen het oordeel van het Hof dat het beroep van de man op niet-ontvankelijkheid van de vrouw in het inleidende verzoekschrift wegens betekeningsgebreken strandt op gebrek aan belang, nu de man in eerste aanleg is verschenen.

21. Het onderdeel faalt, omdat het oordeel van het Hof juist is. Naar analogie van het bepaalde in art. 94 Rv heeft te gelden dat de man, nu hij in eerste aanleg is verschenen, zich op mogelijke gebreken in de betekening van het inleidend verzoekschrift niet kan beroepen, wanneer die gebreken van dien aard zijn dat hij daardoor in zijn verdediging niet is geschaad. Dat de man door de bedoelde gebreken in zijn verdediging is geschaad, is niet gesteld.

22. Onderdeel 6 keert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de vraag naar het op het echtscheidingsverzoek toepasselijke recht en klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het Nederlandse recht van toepassing is.

23. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Uit art. 1 WCE volgt dat in het onderhavige geval door partijen geen rechtskeuze kon worden uitgebracht voor het recht van de staat New York. De WCE biedt geen andere keuzemogelijkheden dan voor het gemeenschappelijke nationale recht (art. 1 lid 2, tweede volzin), dat in casu ontbreekt, of voor het Nederlandse recht (art. 1 lid 4). De door de man gestelde rechtskeuze voor het recht van de staat New York heeft derhalve, nog daargelaten dat die keuze niet ten processe heeft plaatsgevonden (vgl. HR 26 januari 1996, NJ 1997, 258 nt. ThMdB), geen rechtsgevolg. Aangezien vaststaat dat partijen ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden en ook niet in hetzelfde land hun gewone verblijfplaats hadden, is onjuist noch onbegrijpelijk dat Hof, met de Rechtbank, heeft geoordeeld dat het Nederlandse recht op grond van art. 1 lid 1 sub c WCE op het verzoek tot echtscheiding toepasselijk is.

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,