Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD5455

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
13-11-2001
Zaaknummer
02323/01 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD5455
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 679
NJ 2003, 569
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Fokkens

Parket, 7 november 2001

Conclusie inzake: [De betrokkene]

1. Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van de Hoofdofficier van Justitie te Maastricht met het verzoek op de voet van art. 510 Sv een rechtbank aan te wijzen voor de vervolging en berechting van [de betrokkene], ten tijde van de verzending van het verzoekschrift vice-president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht. Inmiddels is aan [de betrokkene] bij Koninklijk Besluit van 31 oktober 2001 op zijn verzoek eervol ontslag verleend.

2. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat de officier van justitie op 23 oktober 2001 ter bevestiging van een op 22 oktober 2001 gedane mondelinge vordering een gerechtelijk vooronderzoek heeft gevorderd en dat de rechter-commissaris op 22 oktober 2001 de doorzoeking van de woning van [de betrokkene] heeft bevolen. Een aantal voorwerpen is in beslag genomen.

3. Nu inmiddels aan [de betrokkene] ontslag is verleend en hij dus niet meer werkzaam is bij de Rechtbank te Maastricht rijst de vraag of aanwijzing van een ander gerecht op de voet van art. 510 Sv mogelijk is. Het eerste lid van art. 510 schrijft de aanwijzing van een ander gerecht voor als een rechterlijk ambtenaar voor zijn gerecht of een binnen zijn ressort of arrondissement gelegen lager gerecht zou moeten worden vervolgd en berecht. De regeling is in ieder geval naar de letter niet van toepassing op rechterlijke ambtenaren die deel hebben uitgemaakt van het gerecht waarvoor zij zouden moeten worden vervolgd, maar daarvan geen deel meer uitmaken (T&C Sv, aantek. 2b op art. 510; Melai, aantek. 3 bij art. 510). De vraag is of de ratio van de regeling, het garanderen van de onpartijdigheid van de rechtspleging, meebrengt dat aanwijzing van een ander gerecht in bijzondere gevallen ook mogelijk is, hoewel de betreffende rechterlijke ambtenaar niet meer in functie is.

4. Een beknopt historisch onderzoek levert het volgende op. In het Wetboek van Strafvordering van 1838 was dit onderwerp geregeld in de artt. 257 tot en met 269 Sv. Het opschrift van wat destijds Titel VIII was luidde "Van de vervolging en teregtstellen van regterlijke ambtenaren ter zake van misdrijven door hen gedurende den tijd hunner bediening bedreven". Deze woorden kwamen ook terug in de tekst van art. 257 Sv. (1) De regeling hield in dat rechterlijk ambtenaren bij kantongerechten en rechterbanken voor het hof, rechterlijk ambtenaren bij hof en Hoge Raad voor de Hoge Raad terecht moesten staan.

De Bosch Kemper geeft als achtergrond voor deze regeling: "Men behoort dit regtsgebied geenszins te beschouwen als een forum privilegiatum, aan de hooge ambtenaren toegekend, maar alleen als eenen noodzakelijken maatregel, om een teregtstelling van regterlijke ambtenaren te voorkomen voor regtbanken, waarvan zij nog leden zijn of kort tevoren waren."(2)

5. In het Wetboek van Strafvordering uit 1886 was dit onderwerp geregeld in Titel VII, behelzende de artikelen 259 tot en met 268 Sv. De belangrijkste reden voor de wetswijziging was het afschaffen van het "forum privilegiatum". De discussie heeft zich geconcentreerd op de vraag of het wenselijk is dat een rechterlijk ambtenaar vervolgd wordt voor het college waarvan hij deel uitmaakt dan wel dat een ambtenaar van een hoger college wordt vervolgd door de ambtenaar van een lager college dat tot het rechtsgebied van dat hogere college hoort.(3) De tekst van art. 259 (oud) Sv had evenals de daaraan voorafgaande regeling alleen betrekking op rechterlijke ambtenaren in functie, aangezien daarin telkens werd gesproken over een rechterlijk ambtenaar die tot een bepaald college behoort.

6. De voorgeschiedenis van art. 510 Sv wijst uit dat de wetgever zich uitsluitend heeft bezig gehouden met de vraag hoe te waarborgen dat rechterlijke ambtenaren op een onpartijdige wijze kunnen worden berecht. De vraag of bij de vervolging en berechting van gewezen rechterlijke ambtenaren vergelijkbare problemen kunnen rijzen ten aanzien van de onpartijdigheid van de berechting is daarbij - voor zover ik heb kunnen nagaan - niet onder ogen gezien.

7. Dat ten aanzien van die onpartijdigheid ook bij oud-rechters problemen kunnen rijzen, illustreert deze zaak. Door de President van en de Hoofdofficier van Justitie bij de Rechtbank te Maastricht is mij medegedeeld, dat een officier van justitie uit een ander arrondissement - vermoedelijk Arnhem - feitelijk met de vervolging zal worden belast en dat rechters van elders als rechter-plaatsvervanger te Maastricht de zaak zullen berechten, indien de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat art. 510 Sv het niet mogelijk maakt in deze zaak een andere rechtbank aan te wijzen.

8. Ik meen dat die laatste oplossing in deze zaak niet behoeft te worden gekozen. De zaak kenmerkt zich hierdoor dat de vervolging een aanvang heeft genomen op een tijdstip waarop [de betrokkene] nog deel uitmaakte van de Rechtbank te Maastricht. Als de spoed waarmee een deel van het onderzoek moest worden uitgevoerd, niet anders had vereist, zou voorafgaand aan die vervolging een ander gerecht zijn aangewezen. Indien de Hoge Raad geen ander gerecht aanwijst, zal de vervolging van [de betrokkene] voor de Rechtbank te Maastricht in ieder geval in zoverre - ook naar de letter - voor zijn Rechtbank plaats vinden dat deze een aanvang nam toen hij daarvan nog deel uitmaakte. In die omstandigheden zou een vervolging voor een ander gerecht meer overeenstemmen met de strekking van art. 510 Sv dan vervolging in Maastricht.

9. Dat betekent dat het begrip "zijn rechtbank" etc. in art. 510 aldus moet worden uitgelegd, dat er sprake is van vervolging van een rechter voor zijn rechtbank indien de vervolging een aanvang heeft genomen op een tijdstip waarop de rechterlijk ambtenaar nog deel uitmaakte van die rechtbank. De omstandigheid dat de rechter hangende die vervolging ontslag is verleend staat daaraan niet in de weg. Daarbij maakt het geen verschil of dit ontslag is verleend voordat de Hoge Raad op de voet van art. 510 een ander gerecht heeft aangewezen dan wel daarna.

Ik concludeer dat de Hoge Raad een andere arrondissementsrechtbank - waarbij ik de Rechtbank Arnhem in overweging geef - zal aanwijzen als de rechtbank voor welke de vervolging en berechting van deze zaak zal plaats hebben.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie Smidt, Wetboek van Strafvordering met de geschiedenis der wijzigingen, deel II, p. 72 ev.

2 Zie Remmelink in: Melai, aant. 1 bij art. 510 Sv.

3 De Pinto, Het herziene Wetboek van Strafvordering, deel II, p. 374