Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD5376

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
29-07-2002
Zaaknummer
03445/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD5376
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 349
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03445/00

Mr. Jörg

Zitting 23 oktober 2001

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 mei 2000 het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 augustus 1999 - behoudens de bewijsvoering, de kwalificatie, de strafoplegging en de motivering daarvan - bevestigd, bij welk vonnis verzoeker tot straf was veroordeeld, en heeft verzoeker ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd", veroordeeld tot één maand voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van 60 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in plaats van één maand gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verzoeker een betalingsverplichting opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Namens verzoeker heeft mr. F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Bladel, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij is een geschrift ingekomen met de mededeling dat de benadeelde partij haar vordering onverkort handhaaft, welke geschrift evenwel geen middelen van cassatie bevat.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van middels een zogenaamde enkelvoudige spiegelconfrontatie verkregen verklaringen, inhoudende de herkenning van verzoeker, daarbij een terzake gevoerd verweer waarbij een beroep is gedaan op de onbetrouwbaarheid van deze verklaringen, ongemotiveerd passerend.

4. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

De raadsman heeft betoogd - zakelijk weergegeven - dat de herkenningen door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] pas in april 1999 hebben plaatsgevonden en dat zij tevens enkel vage algemene kenmerken hebben kunnen noemen.

Het hof leidt uit dit verweer af dat de raadsman de verklaringen van deze getuigen niet, dan wel minder betrouwbaar acht.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] die ook zichzelf in ernstige mate belast - mede gezien de verstrekte details over het moment van de opnames - betrouwbaar. Deze verklaring wordt bovendien ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] die de videobeelden meerdere keren hebben gezien en specifieke kenmerken van de verdachte hebben genoemd.

Het hof acht derhalve ook de elkaar versterkende herkenning door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] aldus voldoende betrouwbaar en verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Het hof overweegt bovendien dat de raadsman deze getuigen ter terechtzitting in hoger beroep had kunnen doen horen, doch van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd - kort samengevat - dat nu de videobanden waarop de geldopname met behulp van het gestolen bankpasje van [slachtoffer] was vastgelegd, niet meer beschikbaar zijn, deze niet tot bewijs kunnen dienen en dientengevolge de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] evenmin tot bewijs kunnen dienen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Ter terechtzitting is komen vast te staan dat voormelde videobanden niet meer beschikbaar zijn. De stelling van de raadsman dat dit met zich brengt dat dientengevolge ook de getuigenverklaringen, inhoudende onder meer hetgeen zij op die beelden hebben waargenomen, niet tot bewijs kunnen dienen, vindt geen steun in het recht.

5. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof niet gemotiveerd heeft waarom het de getuigenverklaringen betrouwbaar acht, mist het - gelet op het vorenweergegevene - feitelijke grondslag. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. De omstandigheid dat de herkenning van verzoeker tot stand is gekomen door een enkelvoudige confrontatie maakt dit niet anders (HR 17 november 1992, NJ 1993, 408, m.nt. ThWvV; HR 27 juni 2000, NJ 2000, 580). Dat het hof de getuigenverklaringen als betrouwbaar heeft aangemerkt acht ik - anders dan de steller van het middel - niet onbegrijpelijk nu deze verklaringen blijkens de gebezigde bewijsmiddelen op essentiële inhoudelijke punten met elkaar overeenstemmen.

6. Het eerste middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt erover dat het hof de verklaringen van verzoekers medeverdachte [medeverdachte] voor het bewijs heeft gebezigd. Nu de verklaringen op zichzelf zouden staan en door geen enkel ander bewijsmateriaal zouden worden ondersteund, zou 's hofs oordeel omtrent de betrouwbaarheid van deze verklaringen onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd zijn.

8. Het middel faalt op de klassieke cassatieregel dat het in beginsel, behoudens bijzondere gevallen - welke zich in casu niet voordoen (zie voor een overzicht van die bijzondere gevallen Corstens, handboek, 3e, blz. 666 e.v. en de conclusie van mijn ambtgenoot Wortel voor HR 27 juni 2000, NJ 2000, 580) -, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal rekenschap hoeft af te leggen.

9. Desondanks heeft het hof - zoals onder 4 is weergegeven - in een nadere bewijsoverweging rekenschap afgelegd omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte]. Nu het hof hiertoe - gelet op hetgeen onder 8 is overwogen - niet gehouden was, mist de hiertegen in het middel vervatte grief tevens belang.

10. Tenslotte merk ik op dat de aangevoerde stelling - dat de verklaringen van verzoekers medeverdachte op zichzelf staan en door geen enkel ander bewijsmateriaal wordt ondersteund - feitelijke grondslag mist nu de verklaringen - zoals het hof blijkens de bestreden uitspraak heeft vastgesteld - worden ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] (bewijsmiddel 3) en [getuige 2] (bewijsmiddel 4).

11. Het tweede middel faalt dus ook.

12. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende motivering. Gronden waarop Uw Raad de bestreden beslissing ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG