Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD5365

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
R01/071HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD5365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 313
Faillissementswet 63
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 767
JWB 2001/386
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Reknr R01/071

Parket 9 november 2001

Conclusie mr J. Spier inzake

[Verzoekster]

1. Feiten en procesverloop

1.1 [Verzoekster] heeft - evenals haar man [betrokkene A] - de Rechtbank Haarlem bij op 10 april 2001 ingediend verzoekschrift verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

1.2 De Rechtbank heeft [verzoekster] en haar man [betrokkene A] ter terechtzitting van 17 april 2001 gehoord. [Betrokkene A] heeft verklaard dat het verzoek is ingegeven door de omstandigheid dat hij en zijn vrouw regelmatig deurwaarders aan de deur krijgen. Het is inmiddels, aldus [betrokkene A], niet meer mogelijk om met hen een regeling te treffen. Hij lijdt nog aan een gokverslaving; hij gokt als hij geld heeft.

1.3 [Verzoekster] heeft meegedeeld dat ze zich niet zo zeer bezighoudt met het gokken van haar man. Zij en haar man kunnen moeilijk van hun uitkering rondkomen.

1.4 In haar vonnis van 17 april 2001 heeft de Rechtbank het verzoek van [betrokkene A] afgewezen; ik moge daarvoor verwijzen naar mijn conclusie van heden in die zaak met rolnummer R 01/070.

1.5 Het verzoek van [verzoekster] is eveneens afgewezen. Zulks op de grond dat zij met haar man in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd zodat de afwijzing van zijn verzoek tevens moet leiden tot een afwijzing van haar verzoek. Dit oordeel is gegrond op art. 313 Fw jo art. 63 Fw.

1.6 [Verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld. In haar beroepschrift betoogt zij dat de Rechtbank de verklaring van haar man verkeerd heeft begrepen. Voor het overige verwijst zij naar dat dat schriftuur.

1.7 Bij de mondelinge behandeling ten Hove heeft [verzoekster] verklaard dat "sinds vorig jaar (...) er voor ƒ 400,- (is) vergokt". Haar man en zij hebben "daar" geen hulp bij.

1.8 Het Hof geeft in de eerste plaats aan dat en waarom het door haar man bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het voegt daaraan toe dat [verzoekster] in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [betrokkene A]. Dat brengt mee dat ook in haar zaak het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

1.9 [Verzoekster] heeft tijdig(1) cassatieberoep ingesteld. Het schriftuur is gesteld op briefpapier van mr Meijer, advocaat te Haarlem en ingediend door mr Perquin, advocaat te Zoetermeer.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel vertolkt de klacht dat de door het Hof bijgebrachte - hierboven onder 1.8 genoemde - grond er niet toe kan leiden dat ook haar verzoek wordt afgewezen.

2.2 Deze klacht faalt reeds omdat de Rechtbank zich in gelijke zin had uitgelaten en tegen dat oordeel geen grief is gericht.

2.3 De klacht berust bovendien op een verkeerde lezing. Het Hof heeft niet geoordeeld dat de omstandigheid dat gegronde vrees bestaat dat haar man schuldeisers zal benadelen ertoe leidt dat ook het beroep van [verzoekster] vruchteloos is. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat de omstandigheid dat het door haar man bestreden vonnis wordt bekrachtigd, meebrengt dat hetzelfde geldt voor het vonnis dat zij bestrijdt.

2.4 Hier komt nog bij dat de klacht niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. voldoet omdat zij blijft steken in een stelling die in geen enkel opzicht wordt onderbouwd.

2.5 Ten overvloede: 's Hofs oordeel is juist. Zie HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 PvS rov. 3.3.

2.6 Uit het voorafgaande blijkt m.i. dat hier sprake is van een nogal kras geval. Mij is uiteraard bekend dat Uw Raad aan - klaarblijkelijk - feitelijk door advocaten die niet behoren tot de balie bij de Hoge Raad der Nederlanden ingediende verzoekschriften tot op heden geen niet-ontvankelijkheid-verklaring heeft willen verbinden. Ook recente pogingen de Hoge Raad daartoe te verleiden hebben schipbreuk geleden. Daarom lijkt het niet zinvol wederom in die zin te concluderen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De cassatietermijn is ingevolge art. 292, vierde lid Fw acht dagen.