Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD5351

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
C00/082HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD5351
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 775
JWB 2001/374
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C 00/082

Zitting 5 oktober 2001

Conclusie mr J. Spier inzake

Sun Alliance Verzekering N.V.

(hierna: Sun Alliance)

tegen

[Verweerster]

1. Feiten

1.1 In zijn in cassatie bestreden arrest is het Hof Arnhem van de volgende feiten uitgegaan (rov. 3).

1.2 In de nacht van 20 juni 1993 heeft te Winterswijk een aanrijding plaatsgevonden tussen twee fietsers: [verweerster] en [betrokkene A].

1.3 Beide fietsers kwamen terug van een feest en fietsten naast elkaar. Gezien hun rijrichting reed [betrokkene A] links en [verweerster] rechts.

1.4 Op een gegeven moment maakte het stuur van [betrokkene A's] fiets een beweging naar rechts en kwam zijn stuur in aanraking met het stuur van [verweersters] fiets.

1.5 [Verweerster] is ten val gekomen en heeft letsel opgelopen.

1.6 [Betrokkene A] is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Sun Alliance.

2. Inzet en verloop van de procedure

2.1 Bij dagvaarding van 20 mei 1996 heeft [verweerster] van [betrokkene A] vergoeding van haar schade, op te maken bij staat, gevorderd. Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [betrokkene A] een stuurfout heeft gemaakt (dagvaarding onder 5).(1)

2.2.1 Sun Alliance heeft zich in deze procedure aan de zijde van [betrokkene A] gevoegd, welke voeging door de Rechtbank is toegestaan. Tot en met het eindvonnis van de Rechtbank zijn deze zaken - vanzelfsprekend zou ik zeggen - gevoegd behandeld. In appèl zijn ze een afzonderlijk leven gaan leiden.

2.2.2 Uit het dossier blijkt daaromtrent verder niets. Onderzoek dat ik ambtshalve heb doen instellen heeft het volgende opgeleverd. [Betrokkene A] heeft appèl ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank. Bij arrest van 9 november 1999 heeft het Hof Arnhem het vonnis bekrachtigd.(2) [Betrokkene A] heeft, naar ik begrijp, geen cassatieberoep ingesteld.

2.3 Sun Alliance en [betrokkene A] hebben hun aansprakelijkheid betwist.

2.4 [Verweerster] heeft het p.v. van een voorlopig getuigenverhoor in geding gebracht. Voorzover van belang is daarin het volgende naar voren gekomen:

a. de getuige [verweerster]: [betrokkene A] heeft alcohol gedronken; onduidelijk is hoeveel. Zij kan zich van het ongeval niets meer herinneren.

b. de getuige [betrokkene A]: hij heeft in een tijdsbestek van 2 uur 4 à 5 biertjes gedronken. [Verweerster] zou geen alcoholhoudende drank hebben genuttigd. "Op een gegeven moment schoot ik op een onverklaarbare manier met mijn stuur naar rechts, ik zwiepte als het ware naar rechts. (....) [Verweerster] kon er helemaal niets aan doen."

2.5.1 Bij cva heeft [betrokkene A] betoogd: "Hoewel [betrokkene A] heeft verklaard dat hij een stuurfout heeft gemaakt, is niet uit te sluiten dat het ongeval is veroorzaakt door een samenloop van omstandigheden." Hij meent niet toerekenbaar onrechtmatig te hebben gehandeld (blz. 3). Hij voelt "het ongeval als zijn schuld" (blz. 4).

2.5.2 In haar cva heeft Sun Alliance zich bij dit verweer aangesloten. Zij heeft daaraan toegevoegd dat een niet-bewuste stuurbeweging nog geen stuurfout impliceert.

2.6 Bij dupliek heeft [betrokkene A] nog betoogd geen verklaring te hebben voor het feit dat beide sturen elkaar raakten. Hij wijst er op dat hem geen andere, bijzondere omstandigheden bekend zijn dan een stuurfout waardoor het ongeval zou kunnen zijn veroorzaakt (onder 3). [Verweerster] wordt het verwijt gemaakt naast [betrokkene A] te zijn gaan fietsen (onder 10).

2.7 Wederom onderschrijft Sun Alliance deze stellingen, thans onder toevoeging dat sprake was van "aanzienlijk alcoholgebruik" (onder 3).

2.8 De Rechtbank gaat ervan uit dat [betrokkene A] zonder rechtens relevante aanleiding met zijn stuur naar rechts is gekomen. Aldus heeft hij de veiligheid van het verkeer in gevaar gebracht "of in elk geval redelijkerwijs is aan te nemen dat met een dergelijke beweging de veiligheid op de weg in gevaar kon worden gebracht." [Betrokkene A] heeft, volgens de Rechtbank, door zijn manoeuvre, ook onzorgvuldig gehandeld. Zij verwerpt - kort gezegd - het beroep op eigen schuld (rov. 6.1, 6.2 en 6.5). Op grond van een en ander wijst zij de vordering in de hoofdzaak toe.

2.9.1 Sun Alliance is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van 12 grieven. Zij stelt dat omtrent de toedracht nauwelijks iets vaststaat (toelichting onder 20).

2.9.2 Sun Alliance staat uitvoerig stil bij het pretense alcoholgebruik van [betrokkene A] en [verweerster]. Zij formuleert op grond van deze uiteenzettingen (onder 21-36) de grieven I t/m VI; deze hebben alle betrekking op gedragingen van [betrokkene A] en hun juridische implicatie.

2.9.3 Volgens Sun Alliance is niet iedere "slingerbeweging" aan te merken als een onrechtmatige daad; in dat verband wijst zij op HR 11 december 1987, NJ 1988, 393 en HR 9 december 1994, NJ 1996, 403.

2.9.4 Zij betwist evenwel een slingerbeweging (onder 39 en 40). Immers was er "wellicht (...) een plotselinge windvlaag" of was er een oneffenheid in het wegdek (onder 41). Ook wordt de mogelijkheid geopperd dat [verweerster] te dicht bij [betrokkene A] fietste (onder 42).

2.9.5 Voorts wordt gewezen op "het vermoedelijk aanzienlijke drankgebruik bij [betrokkene A] (en mogelijk ook bij [verweerster])". Wellicht, zo vervolgt de mvg, "was het zo dat (één van) beide dermate onder invloed van alcohol (was) waren dat het naast elkaar fietsen bijna onvermijdelijk zou leiden tot een val" (onder 43). Voorshands uitgaande van fors alcoholgebruik had het "op de weg van [betrokkene A] en/of [verweerster] gelegen om niet naast (...) elkaar te gaan fietsen". Daarom is, volgens Sun Alliance, sprake van eigen schuld (onder 44).

2.10.1 Bij mvg legt zij o.m. het - slecht leesbare - schadeaangifteformulier van [betrokkene A] over. Daarin staat (als ik het goed lees): "we fietsten naast elkaar en waren in een druk gesprek verwikkeld. Ik week (of ruk) plots per ongeluk naar rechts uit".(3)

2.10.2 Tevens wordt een rapportje van zekere Huijbens inzake een onderzoek naar de toedracht overgelegd. Op hetgeen (niet) in dat rapportje staat kom ik nog terug.

2.11 Het Hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd. Het Hof overweegt dat in rechte is komen vast te staan dat door een zijwaartse beweging van [betrokkene A] de sturen van beide fietsen met elkaar in aanraking zijn gekomen. Over de exacte oorzaak van deze beweging is, volgens het Hof, geen duidelijkheid ontstaan. Het Hof wijst er op dat het ongeval plaatsvond op een rechte weg en dat niet is gebleken van andere weggebruikers wier gedrag van invloed zou zijn geweest. Evenmin is iets gesteld of gebleken van een oneffenheid van het wegdek of een "obstructie" op de weg die [betrokkene A] noopte tot uitwijken (rov. 4.1).

2.12 Het Hof leidt uit de vaststaande feiten en de verklaringen van partijen af dat [betrokkene A] onvoldoende afstand heeft gehouden om te voorkomen dat een willekeurige stuurbeweging zijn stuur met dat van [verweerster] in aanraking zou doen komen. Het Hof vervolgt dan:

"Van algemene bekendheid is dat (...) zulks een val kan veroorzaken waarbij de mogelijkheid van schade (...) voor de hand ligt.

Gezien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als het onderhavige had [betrokkene A] voldoende voorzichtigheid moeten betrachten (...) om deze mogelijkheid redelijkerwijs uit te sluiten, mede gelet op de aard en de ernst van het letsel dat, naar redelijkerwijs voorzienbaar was, het gevolg kan zijn van een ongeval als hier aan de orde. Nu hij dat heeft nagelaten, heeft hij jegens [verweerster] onrechtmatig gehandeld, hetgeen hem kan worden toegerekend."

Het Hof voegt hieraan toe dat geen sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden (alles rov. 4.5).

2.13.1 De verweren omtrent de mogelijkheid van een plotselinge windvlaag of oneffenheid van het wegdek doet het Hof af als niet door feiten gestaafde veronderstellingen.

2.13.2 Volgens het Hof staat allerminst vast dat [betrokkene A] en [verweerster] onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval alcoholhoudende drank hebben genuttigd. Wat [betrokkene A] betreft, zou het de verwijtbaarheid slechts doen toenemen. Ten aanzien van [verweerster] roept het Hof in herinnering dat de - nader in het arrest genoemde - getuigen hebben verklaard niets van alcoholgebruik harerzijds te hebben bemerkt. De opmerking op het "mutatieformulier" van de politie berust volgens het Hof niet op eigen waarneming van de agenten (rov. 4.6).

2.14 Het beroep op eigen schuld wordt verworpen omdat Sun Alliance geen feiten of omstandigheden heeft genoemd "die kunnen leiden tot de slotsom dat enige gedraging van [verweerster] oorzakelijk heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval". De enkele omstandigheid dat zij naast [betrokkene A] is blijven rijden acht het Hof onvoldoende omdat zulks nu eenmaal wettelijk is toegestaan en

"op zich zelf niet gevaarzettend (is), bijzondere omstandigheden daargelaten, mits er voldoende ruimte is tussen de fietsers. Aangezien [verweerster] rechts reed en [betrokkene A] links van haar, lag het op de weg van [betrokkene A] om ervoor te zorgen dat er voldoende afstand tussen hen was" (rov. 4.9).

2.15 Volgens het Hof heeft Sun Alliance geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden (rov. 4.11).

2.16 Sun Alliance heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft het beroep tegengesproken.

3. Heeft Sun Alliance voldoende belang bij haar cassatieberoep?

3.1 Hiervoor onder 2.2/2.3 werd de enigszins wonderlijke procedure geschetst. Thans worden we geconfronteerd met een situatie waarin het toewijzend vonnis in de zaak tussen [betrokkene A] en [verweerster] is bekrachtigd zonder dat cassatieberoep tegen dat arrest is ingesteld, terwijl Sun Alliance zich van cassatie heeft voorzien tegen het eveneens bekrachtigende arrest in "haar" zaak.

3.2 De vraag rijst met name wat het effect rechtens zou zijn wanneer - na veronderstelde cassatie - de verwijzingsrechter het vonnis van de Rechtbank Zutphen zou vernietigen. Zou dat ertoe leiden dat het vonnis, niettegenstaande de bekrachtiging, ook als vernietigd geldt in de relatie [betrokkene A] en [verweerster]? Zou het antwoord ontkennend luiden, dan mist Sun Alliance in essentie belang bij haar cassatieberoep. Immers moet zij betalen als de aansprakelijkheid van [betrokkene A] vaststaat (zoals mr Van Staden ten Brink in zijn s.t. ook vermeldt).(4)

3.3 Deze zaak is in feite van het rechte pad geraakt toen de procedures in appèl uiteen zijn gaan lopen. Wat er ook zij van de vraag of Sun Alliance een materieel belang heeft bij de uitkomst van haar cassatieberoep, zij heeft in elk geval een proceskosten belang. Daarmee is haar ontvankelijkheid gegeven.

3.4 Voor het geval Uw Raad het bestreden arrest zou vernietigen, geef ik in overweging om kort stil te staan bij de consequenties voor het bekrachtigde vonnis in de relatie Sun Alliance/[verweerster]. Zulks om eventuele vervolg-procedures te voorkomen.

4. Inleidende opmerkingen

4.1 In cassatie tracht Sun Alliance, als ik het goed zie, een principile vraag aan de orde te stellen. Te weten de vraag naar de aansprakelijkheid van een fietser wanneer vast staat dat deze tegen een andere fiets is aangekomen. Mag in zo'n geval worden aangenomen dat de aangesproken bestuurder een fout heeft gemaakt (toepassing van de res ipsa loquitur-regel)?

4.2 Daargelaten of het verstandig is deze vraag voor te leggen en daargelaten dat er m.i. - zoals hierna wordt aangegeven - geen noodzaak bestaat deze te beantwoorden, wil ik er heel kort iets over zeggen.

4.3 In de doctrine of de lagere rechtspraak bestaat, bij mijn weten, geen duidelijke stroming om wegen te zoeken om een mouw te passen aan vorderingen van slachtoffers van fietsongelukken. Daarbij is onverschillig of het slachtoffer al dan niet letsel heeft opgelopen.(5)

4.4 Ook in internationaal verband pleegt men zijn aandacht te richten op schade veroorzaakt door het gemotoriseerde verkeer.(6)

4.5 Bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling past m.i. grote terughoudendheid om een verscherpt regime te introduceren. In de eerste plaats is ten minste zeer onduidelijk of daarvoor een breed maatschappelijk draagvlak zou bestaan.(7) Voorts is onzeker of fietsers, die op zo'n aansprakelijkheid allicht niet bedacht waren en zijn, zich adequaat hebben verzekerd. Gesteld al dat het antwoord op deze laatste vraag bevestigend zou luiden, blijft dat verzekeraars er m.i. niet op bedacht hebben behoeven te zijn dat zo'n verscherpte aansprakelijkheid in het verleden reeds gold. Als zij ware te introduceren, dan kan zulks in mijn ogen slechts voor toekomstige gevallen gebeuren.

5. De werkelijke inzet van de procedure?

5.1 Als ik het goed zie dan vreest Sun Alliance dat haar verzekerde en het slachtoffer onder één hoedje spelen en dat [betrokkene A] zonder goede grond de "schuld" op zich neemt. Zij leidt dat onder meer af uit het hiervoor onder 2.10.2 genoemde rapport van haar expert.

5.2 De Rechtbank heeft alle betrokkenen gehoord en deelt de vrees van Sun Alliance klaarblijkelijk niet. Ook het Hof is er blijkbaar niet beducht voor; het college hecht, blijkens de formulering van rov. 4.10, weinig waarde aan bedoeld rapport.(8)

5.3 De verdenking van Sun Alliance heeft zich, naar ik meen, vertaald in een opstelling waarin op basis van allerlei veronderstellingen wordt geprobeerd de aansprakelijkheidsdans te ontspringen. De onder 5.1 genoemde kwestie is in feite evenwel een geheel andere dan die welke in cassatie centraal staat. Daar gaat het immers - zeer kort gezegd - om de vraag wat de stelplicht en bewijslast is bij een ongeval waarvan de toedracht niet is komen vast te staan. In feite is dat evenwel niet wat Sun Alliance interesseert. De vraag die haar werkelijk beroert, kan in cassatie niet aan de orde komen en wordt dan ook terecht niet aangekaart. Daarmee is de procedure in cassatie in feite een schimmenspel geworden.

5.4 Bij deze stand van zaken, heb ik mij afgevraagd of Uw Raad zich moet laten verleiden allerlei vragen te beantwoorden die potentieel vele zaken kunnen beroeren.

6. Bespreking van de klachten

6.1 Het middel is gebaseerd op de gedachte dat het Hof de aansprakelijkheid van [betrokkene A] heeft gebaseerd op het onvoldoende afstand hebben gehouden, respectievelijk het niet betrachten van voldoende zorgvuldigheid.

6.2 Het middel is daarmee gebaseerd op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Weliswaar is in rov. 4.5 te lezen hetgeen in de inleiding tot het middel is verwoord, het betoog is een onvolledige samenvatting van 's Hofs gedachtegang. Deze komt er op neer dat sprake is van een zijwaartse beweging van [betrokkene A] waarvoor geen te rechtvaardigen oorzaak bestaat. Anders gezegd: het Hof neemt aan dat [betrokkene A] verwijtbaar heeft gehandeld door het maken van deze zijwaartse beweging. In dat verband heeft het de te geringe afstand tussen beide fietsen vermeld.

6.3 Onderdeel 1 verwijt het Hof te hebben geoordeeld dat [betrokkene A] een zijwaartse beweging heeft gemaakt. Dit oordeel zou onvoldoende steun vinden in de stukken. Immers staat volgens het onderdeel niet meer of anders vast dan dat [betrokkene A] met zijn fiets in zijwaartse richting is afgeweken.

6.4 Het onderdeel miskent 's Hofs gedachtegang. Deze komt er op neer dat er, als gezegd - kort samengevat - geen te rechtvaardigen oorzaak voor de zijwaartse beweging bestond. Daaruit heeft het Hof afgeleid - en kon het afleiden - dat [betrokkene A] een zijwaartse beweging heeft gemaakt. Het Hof is er klaarblijkelijk en alleszins begrijpelijk van uit gegaan dat het verweer van Sun Alliance over een mogelijk andere oorzaak niet meer is dan een speculatie. In de stukken is er geen enkele concrete aanwijzing voor te vinden, zelfs niet in de verklaring van [betrokkene A]; zie nader onder 6.12.3. Het onderdeel loopt hierin vast.

6.5 Onderdeel 2 borduurt op hetzelfde thema voort. Mogelijk behelst het de klacht dat het Hof te gemakkelijk voorbij is gegaan aan de door Sun Alliance geopperde mogelijke oorzaken: een plotselinge windvlaag en een oneffenheid in het wegdek.

6.6 De klacht faalt omdat het Hof, in zijn onder 2.13.1 weergegeven rov., op goede grond de juiste beslissing heeft gegeven. Meer valt er m.i. niet over te zeggen.

6.7 Het onderdeel verwijt het Hof voorts zonder voldoende basis te hebben geoordeeld dat [betrokkene A] te weinig afstand heeft gehouden.

6.8 Deze klacht ziet voorbij aan 's Hofs gedachtegang. Het Hof heeft uit de onder 6.2 genoemde omstandigheden en uit het feit dat de aanrijding heeft plaatsgevonden, afgeleid dat onvoldoende afstand is gehouden. Dat oordeel is van feitelijke aard. Het is zeker niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Ook deze klacht faalt.

6.9 Onderdeel 3 veronderstelt dat het Hof uit het enkele feit der aanrijding heeft afgeleid dat [betrokkene A] niet voldoende afstand heeft gehouden. Die opvatting zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.

6.10.1 Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zoals vermeld onder 6.8 heeft het Hof niet alleen uit de aanrijding het onvoldoende afstand bewaren afgeleid. Daarom kom ik niet toe aan de interessante uiteenzettingen in de s.t. van mr Van Staden ten Brink.

6.10.2 Hierbij verdient nog opmerking dat [betrokkene A] volgens zijn eigen verklaring (zie onder 2.4.b) en naar de stellingen van Sun Alliance (zie rov. 4.6 en de mvg onder 21 - 36), voorafgaand aan het ongeval, meer alcoholhoudende drank heeft genuttigd dan met het oog op het veilig besturen van een fiets wenselijk is. Het Hof overweegt met juistheid dat deze stelling de verwijtbaarheid van [betrokkene A] alleen maar doet toenemen. Anders gezegd: met name ook met het oog hierop had [betrokkene A] meer afstand moeten bewaren.(9)

6.11 Onderdeel 4 verwijt het Hof [betrokkene A]/Sun Alliance niet tot het leveren van tegenbewijs te hebben toegelaten. Het onderdeel veronderstelt dat het bewijsaanbod is gepasseerd omdat het onvoldoende gespecificeerd is.

6.12.1 Het onderdeel ontbeert feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers expliciet geoordeeld dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend is (rov. 4.11). Dit valt hierop te herleiden dat het Hof in de stellingen van Sun Alliance niets heeft ontwaard wat, indien bewezen, tot een andere uitkomst van het geschil zou leiden.

6.12.2 In dit oordeel ligt wellicht(10) besloten dat het Hof een aanbod tot tegenbewijs van Sun Alliance (bijvoorbeeld van een kuil in de weg of een windvlaag) niet ter zake dienend heeft geacht. Het middel klaagt niet over de (on)begrijpelijkheid van dit oordeel. Dat is ongetwijfeld hieraan toe te schrijven dat Sun Alliance een - haar wél toegestane - bewijsprognose ter zake heeft gemaakt.

6.12.3 Hierbij roep ik in herinnering dat het Hof - terecht - heeft geconstateerd dat Sun Alliance is blijven steken in het opperen van een aantal veronderstellingen. Hierbij valt nog te bedenken dat Sun Alliance een expert een onderzoek heeft laten instellen naar de toedracht. Dit onderzoek heeft, voorzover kenbaar, niets nuttigs opgeleverd. Het is een feit van algemene bekendheid dat zulke experts in voorkomende gevallen nagaan of het wegdek oneffenheden vertoont en/of sprake is van wind (of andere natuurverschijnselen) die het ongeval zouden hebben kunnen veroorzaken. Zeker nu Sun Alliance, blijkens haar eigen stellingname, hieraan heeft gedacht, zal mogen worden aangenomen dat zij hiernaar onderzoek heeft doen instellen, maar dat het niets heeft opgeleverd. Mocht dat anders zijn, dan komt dat voor haar rekening. Er is geen reden om een slachtoffer een vergoeding te onthouden alleen omdat in theorie denkbaar is dat er bijvoorbeeld een kuil in de weg zat (die voor [betrokkene A] niet tijdig was waar te nemen).

6.13 Onderdeel 5 voegt niets wezenlijks toe en moet daarom het lot van zijn voorgangers delen.

6.14 Onderdeel 6 vertrekt van het onder 6.1 genoemde uitgangspunt. Om de reden vermeld onder 6.2 mist het feitelijke grondslag.

6.15 Met name is onjuist dat het Hof zou hebben geoordeeld dat "het (enkel) in het leven roepen van een gevaarlijke situatie" onrechtmatig is. Naast hetgeen zojuist werd opgemerkt, verliest Sun Alliance uit het oog dat het Hof in rov. 4.5 de kelderluikcriteria(11) heeft toegpast. Aldus heeft het m.i. een juiste juridische invalshoek gekozen.(12)

6.16 De wijze waarop het Hof deze afweging maakt, kan de toets in cassatie zeker doorstaan. Het onderdeel brengt daar niets concreets tegen in. De stelling dat het Hof zich zou hebben blindgestaard op het enkele in het leven roepen van een gevaarlijke situatie mist feitelijke grondslag. Immers heeft het Hof mede acht geslagen op de aard en de ernst van het letsel dat zou kunnen ontstaan en de kans op verwezenlijking daarvan.

Zulks, het zij herhaald, tegen de achtergrond van de stuurbeweging die [betrokkene A] heeft gemaakt.

6.17 Onderdeel 7 voert aan dat, in 's Hofs visie zoals door het onderdeel verstaan, de onvoldoende tussenruimte tussen de fietsen de oorzaak van het ongeval was. Tegen die achtergrond bezien wordt het Hof verweten niet duidelijk te hebben gemaakt "waarom dan [verweerster] niet, gelijk ook [betrokkene A], het verwijt treft er niet voor te hebben gezorgd, dat een dergelijke (volgens het Hof gevaarlijke) situatie ontstond" dan wel werd opgeheven.

6.18 Het onderdeel faalt om twee zelfstandige redenen. In de eerste plaats omdat het bij een beroep op art. 6:101 BW (de invalshoek van de klacht) niet aankomt op verwijt van de benadeelde maar om zijn causale bijdrage.(13)

6.19 Bovendien maakt het Hof wél duidelijk waarom in zijn visie de oorzaak bij [betrokkene A] ligt en niet bij [verweerster]. Dat blijkt uit onderdeel 8 waarover ik thans kom te spreken.

6.20 Onderdeel 8 trekt ten strijde tegen 's Hofs oordeel dat het beroep op eigen schuld moet worden verworpen omdat [verweerster] rechts reed en het daarom op de weg van [betrokkene A] lag om ervoor te zorgen dat voldoende afstand werd gehouden. Het onderdeel dringt nader aan dat:

a. de door het Hof geformuleerde regel in elk geval niet in het algemeen geldt (subonderdeel 8.1); of de regel juist is hangt, volgens Sun Alliance, van de omstandigheden van het geval af;

b. de fietser die links rijdt andere - nader uitgewerkte - mogelijkheden heeft om het gevaar te bezweren (subonderdeel 8.2);

c. onduidelijk is waarom slechts op [betrokkene A] de verplichting rustte om oplettendheid te betrachten.

6.21 Uit de s.t. maak ik op dat de klacht is gestoeld op de gedachte dat het Hof (ook in deze context) te eenzijdig te werk is gegaan. Het zou zich teveel hebben gericht op hetgeen de aan de linkerzijde fietsende fietser had moeten doen. Aldus wordt, zo begrijp ik de geëerde steller, uit het oog verloren dat het best mogelijk is dat de rechts rijdende fietser een fout heeft gemaakt (s.t. onder 3.2).

6.22 Hoewel ik begrip - en in zekere zin ook sympathie - heb voor deze beschouwing, gaat het betoog m.i. niet op. Het Hof heeft aangenomen dat [verweerster] (thans geabstraheerd van het feit dat zij naast [betrokkene A] is blijven rijden) geen enkele bijdrage aan het ongeval heeft geleverd (rov. 4.9). Wat [betrokkene A] betreft heeft het college geconstateerd dat hij een zijwaartse beweging heeft gemaakt. Het is de combinatie daarvan met het onvoldoende afstand houden (in samenhang met de afwezigheid van een rechtvaardigende oorzaak) die het Hof ertoe heeft gebracht te oordelen dat [betrokkene A] volledig aansprakelijk is.(14) Dit wordt door het onderdeel uit het oog verloren. Reeds daarop stuit het af.

6.23 Ondanks alle grote welsprekendheid, brengt de steller van het middel hier, naar de kern genomen, niets anders tegen in dan dat het naast iemand fietsen voldoende reden oplevert voor een beperking van de schadevergoedingsvordering. De steller van het middel onderkent dat ook want ter adstructie van zijn stelling komt hij niet verder dan het postuleren van het kinderrijmpje: "drie naast elkaar, één de sigaar" (s.t. onder 3.4). Nog daargelaten dat het hier gaat om twee naast elkaar, zijn kinderrijmpjes een wat smalle basis om geschillen mee te beslechten.

6.24 Opmerking verdient nog - ik zeg dat à la barbe van 's Hofs arrest, want zijn redenering is er niet op gebaseerd - dat deze zaak zich m.i. niet goed leent voor het inslaan van een koers die voorzienbaar verstrekkende gevolgen kan hebben voor veel fietsongevallen. Zulks omdat minstgenomen zeer aannemelijk is - er is in feitelijke aanleg terecht door Sun Alliance op gewezen - dat [betrokkene A] zoveel alcoholhoudende drank had geconsumeerd dat zijn rijvaardigheid niet optimaal meer was.(15)

6.25 Het Hof is er expliciet over - en werkt dat concreet uit - dat [verweerster] geen (of zeer weinig) alcohol heeft gedronken (rov. 4.6). Zeker bij deze stand van zaken is 's Hofs oordeel alleszins begrijpelijk.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Sun Alliance is door [betrokkene A] in vrijwaring opgeroepen. Deze vrijwaring doet in cassatie niet meer ter zake; zie s.t. mr Van Staden ten Brink onder 1.9.

2 Het arrest heb ik ad informandum aan het dossier toegevoegd. Het is gepubliceerd in VR 2000, 137.

3 Ook de mvg wijst op deze passage, onder 23.

4 Dit vloeit ook voort uit het, naar ik begrijp, onherroepelijk geworden arrest van het Hof Arnhem van 9 november 1999 in de vrijwaringsprocedure. Ik meen te voldoen aan het verzoek van mr Van Staden ten Brink door het arrest niet aan het dossier toe te voegen. Het doet er intussen weinig toe nu het in VR 2000, 138 is gepubliceerd.

5 In de losbladige Onrechtmatige Daad (Bouman) III aant. 46 is dan ook vrijwel niets te vinden.

6 Veelzeggend is dat in het boek van S.P. de Haas en T. Hartlief, Verkeersaansprakelijkheid, Vergoeding van personenschade in Europees perspectief, alleen aandacht wordt besteed aan schades veroorzaakt door motorrijtuigen. Hieraan doet niet af dat in verschillende Europese groepen wordt overwogen om te pleiten voor vormen van verscherpte aansprakelijkheid veroorzaakt door - kort gezegd - bronnen van verhoogd gevaar. De contouren van die ideeën zijn vooralsnog onvoldoende duidelijk, terwijl binnen deze groepen zeer verschillend over deze kwestie wordt gedacht. Opmerking verdient dat aan ongevallen door fietsers geen bijzondere aandacht wordt besteed in twee belangrijke dissertaties die betrekking hebben op de problematiek van verhoogd gevaar: Michael R. Will, Quellen erhöhter Gefahr (1980) en C.H.W.M. Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994).

7 Vgl. HR 4 mei 2001, RvdW 2001, 99 rov. 3.7.2.

8 Mogelijk heeft het Hof zich onder meer gestoord aan de kwalificatie "kalverliefde"; deze is inderdaad weinig gelukkig en bovendien volstrekt irrelevant.

9 Volledigheidshalve stip ik aan dat het Hof spreekt van het niet vaststaan van alcoholgebruik door [betrokkene A] "onmiddellijk" voordat hij ging fietsen (rov. 4.6). Inderdaad staat dat niet vast. Er is weinig reden om voorbij te gaan aan de stellingen van Sun Alliance over anterieur alcoholgebruik (hetgeen ruimer is dan "onmiddellijk aan het ongeval voorafgaand") voorzover zij daarmee haar eigen glazen ingooit. Omdat het Hof die stellingen nog niet heeft besproken kan de verwijzingsrechter, ingeval van vernietiging, dat alsnog doen. Hij kan dan tot geen ander oordeel komen dan dat, mede met het oog op het alcoholgebruik van [betrokkene A], zoals beklemtoond door Sun Alliance, onvoldoende afstand is bewaard.

10 M.i. heeft het Hof willen zeggen dat het slechts acht slaat op stellingen en niet op veronderstellingen.

11 HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 GJS.

12 Zie C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (2000) nr 800/801; Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (2000) (Van Maanen) nr 47; Asser-Hartkamp III (1998) nr 45. Ook in een Europese (en Amerikaanse) context is deze benadering betrekkelijk gemeengoed; zie voor nadere gegevens bijv. H. Koziol (red.), Unification of tort law: wrongfulness.

13 Een verwijt kan eventueel een rol spelen bij de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW, maar nodig is dan wel dat in elk geval sprake is van een causale bijdrage.

14 Zie ook onder 6.2.

15 A prima vista heeft het Hof anders geoordeeld. Het schrijft het probleem evenwel weg door te spreken van alcoholgebruik "onmiddellijk" voor het fietsen (rov. 4.6). Daarop komt het evenwel niet alleen aan. Van belang is mede hetgeen in een eerder stadium (vanaf het moment dat [betrokkene A] zich in het feestgedruis begaf) aan alcoholhoudende drank is geconsumeerd.