Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD5323

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
23-11-2001
Zaaknummer
C00/047HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD5323
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 399
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 688
JWB 2001/329
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C 00/047 HR

Mr. Bakels

Zitting 7 september 2001

Conclusie inzake

[Eiser]

t e g e n

[Verweerster]

1. Feiten en procesverloop

1.1 In deze arbeidszaak wordt door het cassatiemiddel de vraag aan de orde gesteld of de bewijslast ten aanzien van de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst dan wel een werkervaringsovereenkomst gold, door de rechtbank terecht, op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd op de werknemer is gelegd. De conclusie zal in verband met art. 399 Rv echter worden beperkt tot de ontvankelijkheid van het beroep.

1.2 [Eiser] heeft gedurende een periode van zes weken, ingaande op 24 februari 1997, werk verricht in het bedrijf van [verweerster]. Laatstgenoemde heeft hem in verband met deze werkzaamheden een tweetal bedragen betaald ten belope van in totaal f 1 150,-. De werkzaamheden zijn beëindigd op initiatief van [verweerster].

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Gorinchem. Hij stelde, kort gezegd, dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst had gegolden, dat [verweerster] deze onregelmatig heeft beëindigd en dat hij in verband daarmee recht heeft op achterstallig loon en nevenvorderingen.

[Verweerster] heeft de vorderingen betwist. Zij heeft daartoe in de kern aangevoerd dat [eiser] slechts gedurende enige tijd heeft meegelopen in haar bedrijf om werkervaring op te doen. Deze overeenkomst is door haar rechtsgeldig beëindigd. De aan [eiser] gedane betalingen betreffen slechts onkostenvergoedingen.

1.4 Nadat de kantonrechter een comparitie had gehouden, heeft zij bij eindvonnis van 25 mei 1998 de vorderingen grotendeels toegewezen. Zij heeft daartoe in de kern overwogen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De mondeling overeengekomen proeftijd is nietig, gezien de toepasselijke CAO - bepalingen.

1.5 [Verweerster] is tegen het tussenvonnis en het eindvonnis van de kantonrechter tijdig in hoger beroep gekomen bij de rechtbank Dordrecht. [eiser] sprak het beroep tegen.

Bij vonnis van 13 oktober 1999 heeft de rechtbank [eiser] opgedragen te bewijzen dat hij met [verweerster] een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een proeftijd van zes weken en dat hij in de salarisgroep D 1 zou worden ingeschaald.(1) De rechtbank overwoog daartoe met name:

"Anders dan de kantonrechter, is de rechtbank van oordeel dat uit het feit dat de CAO geen onbezoldigde werkervaringsovereenkomst kent en dat [eiser] gedurende zes weken meer dan full-time voor [verweerster] heeft gewerkt, niet zonder meer volgt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond. Immers, partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werkzaamheden tegen betaling van een vergoeding (in het onderhavige geval: loon dan wel een onkostenvergoeding), kunnen deze overeenkomst op verschillende wijzen inrichten. Wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

(...)(2)

In het licht van alle voornoemde feiten en omstandigheden is het, mede gelet op hetgeen [verweerster] verder nog ter weerspreking heeft aangevoerd, voorshands niet aannemelijk dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen." (rov. 6)

1.6 Tegen dit tussenvonnis is [eiser] tijdig in cassatie gekomen.(3) [Verweerster] verscheen eveneens in cassatie en concludeerde tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun onderscheiden standpunten vervolgens door hun advocaten schriftelijk doen toelichten. Er is niet gerepliceerd of gedupliceerd.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Art. 399 Rv(4) bepaalt - zakelijk weergegeven - dat een tussentijds cassatieberoep tegen een voorlopige beslissing, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Omdat het hier gaat om een bepaling die de toegang tot de rechter regelt, dient deze zo nodig ambtshalve te worden toegepast.

In het onderhavige geval is tussentijds cassatieberoep ingesteld tegen een bewijs-interlocutoir van de appèlrechter. Maar een interlocutoir vonnis bindt de rechter niet, tenzij daarin ten aanzien van enig geschilpunt een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing ('eindbeslissing') is gegeven.(5) Als eindbeslissing heeft onder meer niet te gelden de verdeling van de bewijslast en de formulering van een bewijsopdracht in een interlocutoir vonnis, ook als deze in hoger beroep wordt gewijzigd. De rechter is daaraan in de verdere loop van het geding dus niet gebonden.(6)

2.2 Dit neemt niet weg dat aan een bewijsopdracht in hoger beroep uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen ten grondslag kunnen liggen, die zich niet lenen voor herstel door de rechter die deze beslissing nam. Een voorbeeld dat met het onderhavige geval verwantschap vertoont, is de zaak Hesseling/Stichting Ombudsman.(7) Ook in deze zaak ging het om een arbeidsconflict waarin Hesseling betaling vorderde van achterstallig salaris met nevenvorderingen, waartegen de Stichting Ombudsman zich verzette met het verweer, dat tussen partijen slechts een stage-overeenkomst had gegolden. De kantonrechter droeg Hesseling op te bewijzen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. In hoger beroep heeft de rechtbank dit tussenvonnis bekrachtigd. Toen Hesseling tegen dat vonnis in cassatie ging, wierp de Stichting Ombudsman onder meer tegen dat Hesseling niet-ontvankelijk was op grond van art. 399 Rv. Dit exceptieve verweer werd door de Hoge Raad verworpen omdat het cassatieberoep was gericht tegen het oordeel van de rechtbank, dat het bestaan van de door Hesseling gestelde arbeidsovereenkomst niet reeds voortvloeit uit de in het geding gebrachte bewijsstukken. Dit was een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing. Het cassatieberoep was dus - terecht - niet gericht tegen de formulering van de bewijsopdracht of de verdeling van de bewijslast.

2.3 De vraag of de appèlrechter een voorlopige beslissing heeft gegeven of een eindbeslissing, kan niet reeds worden beantwoord op de enkele grond dat de rechtbank zich heeft bediend van het woord 'voorshands'. Ten eerste kan dit woord twee betekenissen hebben: om te onderstrepen dat het hier gaat om een slechts voorlopig oordeel, of om uitdrukking te geven aan een voor tegenbewijs vatbaar, maar op zichzelf zonder voorbehoud gegeven (bewijs)-oordeel.(8) Ten tweede is het mogelijk dat de rechtbank in één en hetzelfde vonnis zowel voorlopige oordelen als eindbeslissingen heeft gegeven.

2.4 Naar mijn mening ligt in het onderhavige tussenvonnis slechts één eindbeslissing besloten, namelijk dat - anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld - de omstandigheden dat de CAO geen onbezoldigde werkervaringsovereenkomst kent en dat [eiser] gedurende zes weken meer dan full-time voor [verweerster] heeft gewerkt, niet zonder meer meebrengen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond. Deze beslissing wordt door het cassatiemiddel echter (terecht) niet aangevallen. Voor het overige heeft de rechtbank in rov. 6 van haar tussenvonnis slechts geoordeeld dat de door [eiser] gestelde en door de kantonrechter aanvaarde arbeidsovereenkomst, gezien de tussen partijen vaststaande omstandigheden van het geval, voorshands niet aannemelijk is. Daarmee vormde de rechtbank zich nog geen definitief oordeel over de grieven 1 en 2; dit oordeel zal, na bewijslevering door [eiser], in het eindvonnis worden geveld.(9) Ook al hetgeen de rechtbank ter toelichting op dit oordeel heeft overwogen, draagt een voorlopig karakter.

2.5 M.i. stuit het middel(10) daarom in zijn geheel af op art. 399 Rv.

3. Conclusie

Deze strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Ook [verweerster] kreeg een (voorwaardelijke) bewijsopdracht, die in cassatie niet van belang is.

2 Volgt: een zevental tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden.

3 De cassatiedagvaarding dateert van 13 januari 2000.

4 Over deze bepaling onder meer Veegens, Cassatie, 1989, nr. 53.

5 Hugenholtz/ Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, nr. 89. Recent en uitgebreid over eindbeslissingen H.W. Wiersma, Tussenoordelen en eindbeslissingen, diss. Amsterdam 1998, deel 3.

6 HR 24 september 1993, NJ 1994, 227 (HER).

7 HR 8 juli 1981, NJ 1983, 229 (WHH).

8 Hieromtrent de conclusie van A-G Vranken, nr. 17, voorafgaand aan HR 26 januari 1996, NJ 1996, 361 en de noot van Ras onder het al aangehaalde arrest HR 24 september 1993, NJ 1994, 227, die terecht stelt dat het aankomt op de context waarin de term wordt gebruikt. De Hoge Raad wenst deze term overigens te reserveren voor rechterlijke beslissingen die onder voorbehoud zijn gegeven: HR 26 januari 1996, NJ 1996, 361 en HR 11 november 1996, NJ 1996, 376. Zie voorts Wiersma, diss. nr. 238.

9 In de kern evenzo Wiersma, diss. nr. 231, ad b, slot.

10 Onderdeel III is overigens bij schriftelijke toelichting ingetrokken.