Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD5214

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
03575/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD5214
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 699
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03575/00

Mr Wortel

Zitting: 9 oktober 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 'doodslag', 'openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen', 'medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht', 'poging tot doodslag, meermalen gepleegd' en 'medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III' veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Daarin wordt er over geklaagd dat de bewezenverklaring van het als vierde feit aan verzoeker tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, aangezien de bewezenverklaring een poging tot doodslag op twee personen behelst, terwijl verzoeker, blijkens die bewijsmiddelen, slechts één kogel heeft afgevuurd.

4. Het Hof heeft ten aanzien van feit 4 bewezenverklaard dat verzoeker

"op 6 november 1998, in de gemeente Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet (op zeer korte afstand) op die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] met een vuurwapen een kogel op die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heeft afgeschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

5. Er kan geen twijfel over bestaan dat één bepaalde gedraging zodanige uitwerkingen kan hebben ten aanzien van verschillende personen dat het door de strafbaarstelling die deze gedraging verbiedt beschermde rechtsgoed ten aanzien van elk dier personen wordt aangetast, zodat de gedraging kan worden aangemerkt als meermalen gepleegd, vgl. HR NJ 1981, 170 en HR DD 92.224. De omstandigheden van het geval moeten uitwijzen of die situatie zich voordoet.

6. Verzoeker zelf heeft bij de politie verklaard (bewijsmiddel 3.4) dat hij op een weg liep en een auto naast hem op de rijbaan stopte; dat hij zijn vuurwapen "duidelijk" heeft gericht op de beide inzittenden van die auto en wel "op hun hoofden", en dat hij heeft geschoten met de bedoeling "hen" te raken.

[Slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij de auto bestuurde waarin ook [slachtoffer 2] zat en dat hij, toen hij zag dat verzoeker een pistool op hem richtte, met hoge snelheid is weggereden (bewijsmiddel 3.1). Technisch onderzoek van de politie heeft uitgewezen (bewijsmiddel 3.5.) dat een vaste ruit aan de linkerzijde van die auto - derhalve een zijruit - een gat vertoonde ter hoogte van het hoofd van de bestuurder.

7. Aangezien verzoeker zich blijkens deze bewijsmiddelen niet recht vóór of achter de auto bevond toen hij schoot, maar aan de zijkant daarvan, is het alleszins mogelijk dat hij, een schot lossend met zijn in de richting van de beide inzittenden van die auto gerichte wapen, die beide personen dodelijk had verwond. Ik meen dat als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt dat een kogel die van korte afstand wordt afgevuurd in de richting van twee (ten opzichte van de schutter) naast elkaar zittende personen zeer wel eerst de ene persoon kan treffen en - na diens lichaam verlaten te hebben - vervolgens de andere, en bij beide personen dodelijk letsel kan aanrichten. Op het doden van de beide personen was verzoekers opzet, getuige diens bovengenoemde, tot bewijs gebezigde verklaring, ook gericht, terwijl uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het slechts aan het accelereren van de auto te danken is geweest dat de kogel achter het hoofd van de bestuurder insloeg.

8. 's Hofs oordeel dat verzoeker heeft beoogd met de ene, door hem afgevuurde, kogel de beide inzittenden van de auto dodelijk te verwonden en dat die gedraging ook geschikt was om dat beoogd gevolg teweeg te brengen is niet onbegrijpelijk. Voor een verdergaand onderzoek in cassatie leent dat oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, zich niet.

9. Het middel faalt. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,