Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD5155

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2001
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
01510/01 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD5155
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01510/01 U

Mr. Machielse

Zitting: 16 oktober 2001

Conclusie inzake:

[verzoeker=de opgeëiste persoon]

1. Bij haar uitspraak van 19 juni 2001 heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem de uitlevering toelaatbaar verklaard:

a. ter tenuitvoerlegging van het restant van de aan de opgeëiste persoon bij het op tegenspraak gewezen arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 21 december 2000 opgelegde vrijheidsstraf, en

b. ter tenuitvoerlegging van het restant van de aan de opgeëiste persoon bij het verstekvonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 26 februari 2001 opgelegde vrijheidsstraf, dan wel - indien door of namens de opgeëiste persoon tijdig een rechtsmiddel wordt aangewend - ter strafvervolging ter zake van het feit vermeld in dat strafvonnis.

2. Namens verzoeker hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel - dat zich klaarblijkelijk uitsluitend richt tegen de beslissing van de rechtbank zoals hiervoor onder 1.a. is weergegeven - klaagt over de verwerping van het ter zitting gevoerde verweer, dat de opgeëiste persoon in hoger beroep bij het Hof van Beroep te Antwerpen niet in de gelegenheid is geweest om op een adequate wijze zijn verdediging te voeren. Het middel berust hierbij op de stelling dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zijn geschonden nu aldaar in hoger beroep "in afwezigheid van rekwirant het woord is gevoerd door een - niet door hem gevolmachtigde - advocaat". Ingevolge hiervan zou niet zijn voldaan aan de eisen van art. 6 lid 3 sub c EVRM.

3.1. De rechtbank heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

De raadsman heeft betoogd dat de uitlevering voor de feiten vermeld in het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat -zo begrijpt de rechtbank de raadsman- de opgeëiste persoon niet in staat is geweest in hoger beroep zijn verdediging adequaat te voeren. Weliswaar is voor de opgeëiste persoon een raadsman als gemachtigde opgetreden, maar deze raadsman is niet door de opgeëiste persoon, maar door het Hof van Beroep gemachtigd hem te vertegenwoordigen. Dat is -zo stelt de raadsman- in aanmerking genomen de eisen die het Europees verdrag betreffende de uitlevering en het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken stellen aan de mogelijkheid voor een opgeëiste persoon zich adequaat te kunnen verdedigen, in strijd met een behoorlijke procedure.

De rechtbank overweegt dat met betrekking tot de hier bedoelde feiten de opgeëiste persoon -zoals hij ook bij zijn verhoor door de rechtbank op 15 mei 2001 heeft verklaard- in eerste aanleg door de rechtbank in zijn tegenwoordigheid is berecht, zodat hij alstoen in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren.

Voorts is de opgeëiste persoon, nadat hij zelf een rechtsmiddel tegen het vonnis in eerste aanleg had aangewend, in hoger beroep vertegenwoordigd door een advocaat, welke vertegenwoordiging door het Hof van Beroep te Antwerpen is aangemerkt als een berechting op tegenspraak. Over de juistheid van die opvatting van het Hof van Beroep te Antwerpen (die overigens van de Nederlandse rechter een hem niet toekomende beoordeling van het Belgische recht zou vragen) komt de uitleveringsrechter -mede gelet op het aan het uitleveringsrecht ten grondslag liggende vertrouwensbeginsel- geen oordeel toe.

Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat het de opgeëiste persoon in eerste aanleg en in hoger beroep aan mogelijkheden heeft ontbroken zich tegen de hem verweten feiten te verdedigen, zodat hetgeen de raadsman heeft gesteld, niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg zal kunnen staan.

3.2. Vooropgesteld is het volgende van belang. Het Benelux Uitleveringsverdrag (BUV) is de basis van de uitleveringsrelatie tussen Nederland en België. Het BUV kent geen voorbehoud ten aanzien van verstekveroordelingen zoals Nederland dat wel heeft gemaakt bij art. 1 van het Europees Uitleveringsverdrag (EUV). Het eerste lid van art. 28 EUV kent evenwel de volgende inhoud:

This Convention shall, in respect of those countries to which it applies, supersede the provisions of any bilateral treaties, conventions or agreements governing extradition between any two Contracting Parties.

Daaruit mag evenwel niet de conclusie worden getrrokken dat dus het Nederlands voorbehoud ook geldt voor de uitleveringsrelatie tussen Nederland en België. Nederland heeft immers bij art. 28 EUV het volgende voorbehoud laten aantekenen:

By reason of the special arrangements between the Benelux countries, the Netherlands Government does not accept Article 28 (1) and (2) in respect of its relations with the Kingdom of Belgium and the Grand Duchy of Luxembourg. (..)

Dat Nederland zo uitdrukkelijk het primaat van het EUV boven het BUV in dit voorbehoud heeft afgewezen is een zeer sterk argument tegen de suggestie van de stellers van het middel om het voorbehoud dat Nederland bij art. 1 EUV heeft gemaakt maar analoog toe te passen. Teruggrijpen naar art. 5 lid 3 Uw is dan verleidelijk maar weinig kansrijk. Art. 5 lid 3 Uw is ondergeschikt aan de uitleveringsverdragen waarbij Nederland partij is. De Hoge Raad stelt zich klaarblijkelijk ook op dit standpunt . Ik citeer:

dat art. 5, lid 3, Uitleveringswet, waarop het middel is gegrond, ingevolge art. 4 Gw. een algemene voorwaarde regelt op welke ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten, doch niet een wettelijk voorschrift bevat dat bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering toepassing kan vinden;

dat het ten deze van toepassing zijnde Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk Belgie, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden gesloten te Brussel op 27 juni 1962, Traktatenblad 1962, 97, de in art. 5, lid 3, van de wet geregelde voorwaarde niet bevat, zodat het middel reeds daarom faalt;(1)

Biedt dan het EVRM in deze een handvat? Het EVRM is niet geschreven met het oog op uitleveringsprocedures.(2) Dat neemt niet weg dat het licht van het EVRM toch doordringt in uitleveringszaken. Indien uitlevering wordt verzocht in gevallen waarin zowel de verzoekende als de aangezochte staat partij zijn bij het EVRM en het IVBP moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de desbetreffende bepalingen van deze verdragen zal eerbiedigen. Dit beginsel kan uitzondering lijden als blijkt dat de opgeëiste persoon door uitlevering zou worden blootgesteld aan een zo flagrante schending van de rechten in art. 6 EVRM en 14 IVBP gegarandeerd dat de ingevolge art. 1 EVRM en art. 2 lid 1 IVBP op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de uit het EUV voortvloeiende verplichting tot uitlevering aan de weg staat.(3) Toepassing van het vertrouwensbeginsel, dat algemeen geldt voor de relatie tussen Nederland en een andere staat met wie een uitleveringsverdrag is gesloten, lijdt voorts slechts uitzondering, wanneer a.) de verzoekende staat het individueel klachtrecht conform art. 25 EVRM niet heeft erkend(4), dan wel b) een gemotiveerd verweer wordt gevoerd omtrent schending van art. 3 EVRM aangezien die bepaling derogeert aan een uit enig uitleveringsverdrag voortvloeiende uitleveringsverplichting(5).

Het voorenstaande geldt ook voor de executieuitlevering naar België. De verplichting tot uitlevering zal ook in Beneluxverband soms moeten wijken voor het zwaarder belang dat bestaat bij het voorkomen van ernstige schending van de mensenrechten. Ook in het Benelux-uitleveringsverkeer wordt nogal eens aangevoerd dat de opgeëiste persoon onvoldoende gelegenheid heeft gekregen zijn verdediging te voeren omdat hij bij verstek is veroordeeld. In het verleden ging het dan meestal om zaken waarin de uitlevering werd verzocht ter tenuitvoerlegging van in eerste aanleg bij verstek gewezen vonnissen. In die zaken ging de Hoge Raad inhoudelijk op de zaak in.(6) Mijn stellige indruk is dat er volgens de Hoge Raad alleen van een flagrante schending van het aanwezigheidsrecht sprake kan zijn als de opgeëiste persoon in de gehele rechtsgang die aan het uitleveringsverzoek ten grondslag ligt nooit de gelegenheid heeft gekregen en ook niet alsnog zal krijgen zich te verdedigen. Wanneer evenwel in eerste instantie wel die gelegenheid is geboden maakt het ontbreken van een verdedigingsmogelijkheid niet dat er sprake is van zo een flagrante schending van art. 6 EVRM dat daarvoor de verplichting tot uitlevering moet wijken. Tegen die achtergrond dient naar mijn mening de onderhavige zaak te worden beschouwd.

3.3. In de hiervoor weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van de rechtbank besloten, dat de opgeëiste persoon, nadat hij in eerste aanleg in zijn tegenwoordigheid en met bijstand van zijn raadsman was berecht, (ook) in appel in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zijn verdediging te voeren nu hij aldaar is berecht in tegenwoordigheid van een rechtsgeleerd raadsman, waarbij de rechtbank mede heeft doen wegen dat het ten laste van de opgeëiste persoon gewezen vonnis in eerste aanleg op tegenspraak is geschied en het daartegen aangewende rechtsmiddel (ook) door de opgeëiste persoon is aangewend. Anders dan in het middel wordt geopperd, is dit oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Niet alleen op grond van hetgeen door de rechtbank is overwogen, maar ook nog gelet op de uit het eerdergenoemde arrest van het Hof van Beroep volgende omstandigheid, dat dit Hof de door de aldaar voor de opgeëiste persoon optredende raadsman geformuleerde "middelen van verdediging" heeft "gehoord", waaruit slechts kan worden opgemaakt dat de raadsman in hoger beroep niet slechts in de gelegenheid is geweest om de verdediging te voeren, maar dat deze ook daadwerkelijk aldaar die verdediging heeft gevoerd.(7) Eveneens anders dan in het middel wordt verondersteld, maakt de enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon in hoger beroep niet aanwezig is geweest bij de behandeling van zijn zaak niet dat sprake is van een schending van art. 6 lid 3 sub c EVRM, laat staan van een flagrante schending van deze waarborg.(8) Het beroep dat het middel in dit opzicht poogt te doen op het in HR NJ 1990, 639 gepubliceerde arrest van de Hoge Raad faalt, nu de opgeëiste persoon in die zaak - anders dan te dezen - noch bij de behandeling in eerste aanleg (bij het Assisenhof van Rimini) noch in hoger beroep (bij het Hof van Appel te Bologna) aanwezig is geweest. Daarnaast heeft de rechtbank - klaarblijkelijk met het oog op de omstandigheid dat het desbetreffende arrest van het Belgische Hof op tegenspraak is gewezen - met juistheid overwogen dat de Nederlandse rechter geen oordeel toekomt omtrent de vraag of de veroordelende buitenlandse uitspraak met inachtneming van het recht van de verzoekende staat is gewezen.(9) Tot een nadere motivering was de rechtbank in dit opzicht niet gehouden.

In feitelijke aanleg noch in cassatie is aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel op een van de voornoemde gronden zou moeten wijken. Het beroep dat de stellers van het middel nog doen op HR NJ 1997, 533 miskent dat dat arrest van de Hoge Raad - anders dan waartoe in casu verweer is gevoerd - ziet op het bijzondere ius cogens rond de in art. 3 EVRM neergelegde vrijwaring van marteling.(10)

3.4. Zuiver ten overvloede nog het volgende. De stelling in het middel, dat in hoger beroep in afwezigheid van de opgeëiste persoon het woord is gevoerd door een - niet door hem gevolmachtigde - advocaat, gaat voorbij aan de toepasselijke Belgische strafvorderlijke bepalingen met het oog op de Belgische verdedigingsvorm van vertegenwoordiging. Deze dient in samenhang te worden beschouwd in het licht van de omstandigheid - zoals de opgeëiste persoon blijkens het proces-verbaal ter zitting van de rechtbank van 15 mei 2001 aldaar zelf heeft verklaard - dat hij België is "uitgezet". Zulks klaarblijkelijk na de berechting in eerste aanleg en na het door hem ingestelde appel, en voor de behandeling in hoger beroep.

In hoger beroep was de opgeëiste persoon blijkens het Belgische arrest "vertegenwoordigd door Mr. C. Slabbaert, Advocaat bij de Balie te Antwerpen, door het Hof hiertoe gemachtigd". Het gaat hierbij dus om een rechterlijke machtiging tot vertegenwoordiging. Van belang voor het Belgische recht is Boek II - het gerecht - titel I, betreffende onder meer de correctionele rechtbanken, waaruit ik de volgende relevante bepalingen citeer:

"Art. 185.

(...)

§ 2. Een beklaagde die natuurlijke persoon is, verschijnt in persoon. Hij kan zich echter door een advocaat laten vertegenwoordigen in zaken betreffende misdrijven waarop geen hoofdgevangenisstraf is gesteld, of in debatten die slechts betrekking hebben op een exceptie, op een tussengeschil dat de zaak zelf niet raakt, of op de burgerlijke belangen. De rechtbank kan altijd toestaan dat de beklaagde zich laat vertegenwoordigen wanneer hij aantoont dat het hem onmogelijk is in persoon te verschijnen (vet door mij; A.M.).

§ 3. In elke stand van het geding kan de rechtbank de persoonlijke verschijning bevelen, zonder dat tegen haar beslissing enig rechtsmiddel kan worden ingesteld.

Het vonnis dat deze verschijning beveelt, wordt ten verzoeke van het openbaar ministerie aan de betrokken partij betekend, met dagvaarding om te verschijnen op de door de rechtbank vastgestelde datum. Verschijnt zij niet, dan wordt vonnis bij verstek gewezen."

"Art. 186. Indien de beklaagde niet verschijnt, wordt hij bij verstek gevonnist."

"Art. 199. Tegen de vonnissen gewezen in correctionele zaken staat hoger beroep open."

"Art. 200. Het hoger beroep van de vonnissen gewezen door de correctionele rechtbanken wordt gebracht voor het hof van beroep van het rechtsgebied."

"Art. 211. De bepalingen van de voorgaande artikelen betreffende de wettelijke vormen van het onderzoek, de aard van de bewijzen, de vorm, de authenticiteit en de ondertekening van het eindvonnis in eerste aanleg, de veroordeling in de kosten, alsook de straffen in die artikelen bepaald, gelden eveneens voor de vonnissen in hoger beroep gewezen."

M.J.A. Plaisier schrijft in zijn dissertatie dat het begrip "vertegenwoordiging" in de Belgische rechtspleging een andere inhoud heeft dan het Nederlandse, omdat de advocaat daarbij in België "deel [neemt] aan de zitting alsof zijn cliënt er zelf was"; de advocaat kan aldaar dan ook in die hoedanigheid de "verdediging [voeren]" van zijn cliënt.(11) Ik lees hierin dat vertegenwoordiging naar Belgisch recht dient te worden gezien als een verdediging als ware het in persoon en in tegenwoordigheid van de beklaagde.

Nu de opgeëiste persoon, zoals hij zelf heeft verklaard, België is uitgezet, waardoor het voor hem klaarblijkelijk onmogelijk was om in België ter zitting te verschijnen, en de Belgische rechter "altijd [kan] toestaan dat de beklaagde zich laat vertegenwoordigen wanneer hij aantoont dat het hem onmogelijk is in persoon te verschijnen", vindt vertegenwoordiging naar Belgisch recht klaarblijkelijk met instemming van de vertegenwoordigde plaats. Anders dan de stellers van het middel menen is van een schending van de meermaals genoemde Verdragsbepaling in dat geval geen sprake.(12)

Bovendien gaan de stellers van het middel uit van een verkeerde lezing van het arrest van het Hof van Beroep. Dat het Hof de advocaat heeft gemachtigd tot vertegenwoordiging van de opgeëiste persoon betekent niet dat het Hof een advocaat heeft aangewezen om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen, maar dat het Hof de vertegenwoordiging heeft toegestaan, nu de beklaagde in de onmogelijkheid verkeerde te verschijnen.(13) Aldus heeft ook de Rechtbank kennelijk het arrest van het Hof verstaan.

De klacht tenslotte dat uit de stukken niet volgt dat "rekwirant ooit contact heeft gehad met deze advocaat" is tardief. Dit behelst namelijk een beroep op feiten en omstandigheden die in cassatie niet vast staan, terwijl die een beoordeling van feitelijke aard vergen waarvoor in cassatie geen plaats is.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 HR NJ 1974, 501.

2 HR NJ 1977, 619.

3 Bijvoorbeeld HR NJ 1996, 586; HR NJ 2000, 702.

4 HR NJ 1984, 611.

5 HR NJ 1997, 533.

6 Bijvoorbeeld HR NJ 1983, 62; HR NJ 1986, 707; HR NJ 1987, 106; HR NJ 1988, 1003; HR NJ 1990, 640; HR NJ 1991, 279; HR NJ 1995, 227.

7 Vgl. HR NJ 2000, 546 rov. 4.3 en bijvoorbeeld HR NJ 1992, 677.

8 Vgl. HR NJ 2000, 546 en EHRM NJ 1999, 611.

9 Bijvoorbeeld HR NJ 1986, 387.

10 Zie hiervoor ook de conclusie van A-G Meijers vóór HR NJ 1997, 533.

11 Het verstek in strafzaken, diss. p. 276.

12 Vgl. HR NJ 2000, 546 en 1992, 677.

13 Aldus begrijp ik Chris van den Wyngaert, Strafrecht en strafprocesrecht, 1994, p. 741. Aldus ook reeds J D'Haenens, Belgisch Strafprocesrecht, Deel II, Volume B, 1980, p. 32, die schrijft; "Mits toestemming van de rechtbank kan de beklaagde zich laten vertegenwoordigen door een advocaat wanneer hij aantoont dat het hem onmogelijk is te verschijnen (..)" Zie voorts Hof van Cassatie 20 juni 1990, Pas. 1990(I,P.1193).