Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4941

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2001
Datum publicatie
30-11-2001
Zaaknummer
R01/119HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 705
JWB 2001/339
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R 01/119 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 26 oktober 2001

Wet Bopz

Conclusie inzake:

[Verzoekster=betrokkene]

In deze zaak wordt een voorlopige machtiging met motiveringsklachten aangevallen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Zwolle heeft op 24 juli 2001 bij de rechtbank aldaar een voorlopige machtiging gevorderd tot het doen opnemen en doen verblijven(1) van thans-verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij de vordering was een verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis van de Stichting Adhesie te Deventer en een begeleidingsplan.

1.2. Op 31 juli 2001 heeft de rechtbank betrokkene, haar advocaat, de behandelend arts en een verpleegkundige gehoord. De rechtbank heeft diezelfde dag de vordering toegewezen en de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden.

1.3. Namens betrokkene is - tijdig(2) - cassatieberoep ingesteld. Het cassatiemiddel bevat aan het slot een voorbehoud. Bij brief van 15 oktober 2001 is namens betrokkene een aanvullend cassatiemiddel voorgesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid zich in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen dan wel daar te verblijven (vgl. art. 2 lid 3 onder a Wet Bopz). Het (enige) cassatiemiddel klaagt dat deze beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Ter toelichting wordt o.m. aangevoerd dat betrokkene reeds sedert 1995 vrijwillig in het ziekenhuis verblijft en dat uit de geneeskundige verklaring niet blijkt dat zij voornemens is het ziekenhuis te verlaten.

2.2. In cassatie kan worden aangenomen dat betrokkene sedert 1995 op vrijwillige basis in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft(3). Dat tijdsverloop zegt op zichzelf nog niets over de vraag of betrokkene het verblijf op vrijwillige basis wil laten voortduren. Het argument dat uit de geneeskundige verklaring niet blijkt dat betrokkene voornemens is het ziekenhuis te verlaten, geeft de toepasselijke maatstaf niet volledig weer. Het argument is kennelijk ontleend aan art. 2, vierde lid, Wet Bopz. Dat artikellid bepaalt dat wanneer de betrokkene reeds in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een rechterlijke machtiging is vereist "indien de daartoe met overeenkomstige toepassing van het derde lid bevoegde persoon of personen [in casu: betrokkene zelf, noot A-G] ervan blijk geven het vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te willen beëindigen, tenzij die persoon of personen te kennen geven de behandeling in een ander door deze persoon of personen aangewezen psychiatrisch ziekenhuis te willen doen voortzetten en dat ziekenhuis bereid is de betrokkene op te nemen". In feitelijke aanleg noch in cassatie is aangevoerd dat zich hier de uitzondering voordoet als bedoeld in art. 2, vierde lid, Wet Bopz ("tenzij ..."). Aldus resteert de vraag of betrokkene blijk geeft het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis te willen beëindigen. Kort geleden heb ik aan de hand van jurisprudentie verdedigd dat, hoewel in de tekst van het vierde lid de term "nodige bereidheid" niet voorkomt, de systematiek van de Wet Bopz meebrengt dat een machtiging is vereist indien de betrokkene niet de nodige bereidheid heeft tot voortzetting van het verblijf op vrijwillige basis(4). Ook de bestreden beschikking stelt de eis van de nodige bereidheid. Het cassatiemiddel bestrijdt niet dit criterium, maar beperkt zich tot een motiveringsklacht over het oordeel dat de nodige bereidheid ontbreekt.

2.3. De geneeskundige verklaring vermeldt in rubriek 3, zonder verdere toelichting, dat betrokkene geen blijk geeft van bereidheid tot opneming en verblijf. Uit rubriek 5 blijkt dat betrokkene door haar gedrag(5) agressie van anderen oproept en overgeplaatst is moeten worden teneinde de gemoederen op de afdeling tot bedaren te brengen. In het begeleidingsplan valt te lezen dat betrokkene aangeeft dat zij zich niet thuis voelt op de huidige afdeling en een andere woonplek verkiest, doch dat (nog) geen andere plaatsingsmogelijkheid is gevonden. In cassatie moet worden uitgegaan van het oordeel (a) dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar in de zin van de Wet Bopz doet veroorzaken en (b) dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Betrokkene kon dus niet zomaar op straat worden gezet: een opneming, vrijwillig of gedwongen, werd nodig geacht. Ter terechtzitting heeft betrokkene een ambivalent standpunt ingenomen. Enerzijds heeft zij gezegd: "Ik wil de rechterlijke machtiging eraf hebben. Die is niet meer nodig.", welke uitlating zou kunnen duiden op een bereidheid om vrijwillig het verblijf in het ziekenhuis voort te zetten. Anderzijds heeft zij ter terechtzitting gezegd dat zij wel voor zichzelf kan zorgen en dat zij naar een verzorgingstehuis in Den Ham wil, hetgeen zou kunnen duiden op de wens het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis te beëindigen. Door of namens betrokkene is in elk geval niet een bereidverklaring tot voortzetting van het vrijwillig verblijf uitgesproken(6). Al met al is niet onbegrijpelijk, dat en waarom de rechtbank tot de slotsom is gekomen dat bij betrokkene de nodige bereidheid tot het voortzetten van het verblijf op vrijwillige basis ontbreekt. De klacht treft dus geen doel.

2.4. In beginsel kunnen na het verstrijken van de cassatietermijn geen nieuwe klachten over de bestreden beschikking worden aangevoerd. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan, na een daartoe in het cassatierekest gemaakt voorbehoud, na het verstrijken van de termijn een aanvulling of wijziging van de voorgestelde middelen worden toegestaan. Die mogelijkheid bestaat in het bijzonder indien de verzoeker tot cassatie niet tijdig heeft kunnen beschikken over een essentieel document, zoals de tekst van de (motivering van de) uitspraak of het proces-verbaal van de terechtzitting. Deze mogelijkheid reikt niet verder dan voor zover de inzage van het ontbrekende processtuk noodzakelijk was voor het opstellen van de klacht. Had de betrokkene de nagekomen klachten evengoed, zonder kennis te hebben genomen van het ontbrekende processtuk, binnen de cassatietermijn naar voren kunnen brengen, dan wordt op het aanvullend verzoekschrift geen acht geslagen(7).

2.5. In het aanvullend rekest d.d. 15 oktober 2001 worden voor het eerst klachten geuit (a) over het oordeel dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken voor zichzelf en voor anderen, in het bijzonder gevaar dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen en gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen (vgl. art. 2 lid 2 onder a in verbinding met art. 1 lid 1 onder f Wet Bopz) en

(b) over het oordeel dat dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (art. 2 lid 2 onder b Wet Bopz).

Het voorbehoud in het cassatierekest heeft betrekking op het proces-verbaal van de terechtzitting, dat de advocaat van betrokken kort tevoren had gekregen en waarover nog overleg met de correspondent zou moeten plaatsvinden. In het midden latend wanneer precies dat proces-verbaal werd ontvangen en eveneens in het midden latend of bedoeld overleg niet telefonisch had kunnen plaatsvinden, leert de puntsgewijze lezing van het aanvullend rekest mij dat daarin niets wordt aangevoerd waarvoor kennisneming van het proces-verbaal onontbeerlijk was. Overigens werd, voor wat betreft de kwestie van de nodige bereidheid, in het oorspronkelijke cassatierekest reeds uitdrukkelijk ingegaan op de inhoud van het proces-verbaal. Op de klachten in het aanvullend rekest zal geen acht geslagen mogen worden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Omdat betrokkene reeds vrijwillig in het ziekenhuis verbleef, zou zorgvuldiger zijn geweest: een vordering tot het doen voortduren van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis (de tweede volzin van art. 2 lid 1 Wet Bopz).

2 30 September 2001 viel op een zondag; art. 1 Alg. Termijnenwet.

3 Het staat weliswaar niet in de bestreden beschikking, maar het is af te leiden uit het begeleidend schrijven van het ziekenhuis d.d. 23 juli 2001.

4 Conclusie d.d. 31 augustus 2001 inz. R 01/101 HR.

5 De aard van dit gedrag wordt in de bestreden beschikking beschreven.

6 Blijkens het proces-verbaal heeft haar raadsman niet anders aangevoerd dan: "Ik pleit ervoor dat u de machtiging voor een kortere termijn verleent dan voor de maximale termijn".

7 Vaste rechtspraak. Zie o.m.: HR 10 oktober 1986, NJ 1987, 121; HR 27 september 1991, NJ 1991, 786, met verdere gegevens in de conclusie van A-G Asser.