Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4928

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
C00/350HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4928
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 758
JWB 2001/368
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr.: C00/350

mr. E.M. Wesseling-Van Gent

Zitting: 28 september 2001

Conclusie inzake:

LACHISH INDUSTRIES LTD

tegen

LOGIFEED B.V.

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Tussen eiseres tot cassatie, Lachish, en verweerster in cassatie, Logifeed, bestaat sinds 1986 een handelsrelatie, in die zin dat Logifeed zelfrijdende en getrokken voermengwagens van Lachish distribueert.

1.2 In 1995 is door partijen in drie letters of appointment vastgelegd dat Logifeed op basis van exclusiviteit als distributeur van Logifeed optreedt in Nederland, Duitsland en Denemarken.

1.3 In september 1996 is de overeenkomst met betrekking tot Denemarken beëindigd. Bij die gelegenheid zijn door Lachish bonussen toegezegd op de verkopen in Nederland en Duitsland, alsmede een bijdrage in de marketingkosten.

1.4 Bij brief van 15 april 1999 heeft Lachish aan Logifeed geschreven:

"My dear partner and friend this letter certifies that you invest 300 % in promoting the name of RMH mixer feeders in your territory, because you want both of our companies to develop and grow and to enjoy the profits due to us!"

1.5 Bij brieven van 15 juli 1999 en 9 augustus 1999 heeft Lachish een aantal klachten geuit over het distributeurschap van Logifeed.

1.6 Lachish heeft bij brief van 10 oktober 1999 de distributieovereenkomsten met Logifeed met ingang van 10 januari 2000 opgezegd.

1.7 Logifeed heeft van Lachish bij dagvaarding van 28 februari 2000 in kort geding - voor zover in cassatie nog van belang - een bedrag van ƒ 1.000.000,-- als voorschot op de schadevergoeding in verband met de opzegging gevorderd.

1.8 Bij vonnis van 27 maart 2000 heeft de president van de rechtbank te Zwolle de vordering toegewezen.

1.9 Lachish is vervolgens bij dagvaarding van 30 maart 2000 in hoger beroep gekomen van dit vonnis bij het Gerechtshof te Arnhem. Het hof heeft na memoriewisseling en pleidooi het vonnis bij arrest van 31 oktober 2000 bekrachtigd.

1.10 Lachish heeft tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Logifeed is in cassatie verschenen en heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunt vervolgens schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van het middel

2.1 Het middel bevat twee onderdelen.

2.2 Het eerste onderdeel, dat bestaat uit twee klachten, richt zich tegen rechtsoverweging 4.4 van het bestreden arrest, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

"De president van de rechtbank heeft ter zake van de vraag of aannemelijk is dat een vordering van Logifeed op Lachisch(3) bestaat, terecht onderzocht of Lachisch in verband met de opzegging van 10 oktober 1999 schadeplichtig is. Voorzover grief 1.a uitgaat van een andere lezing van het vonnis, is die lezing onjuist. Waar Lachisch in de toelichting op dezelfde grief betoogt dat voor toekenning van een voorschot als gevorderd slechts plaats is indien voor de eiser een deconfiture dreigt, berust de grief op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 29 maart 1985, NJ 1986, 84. Logifeed heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij de gevorderde voorziening een spoedeisend belang heeft, nu door de opzegging van de distributieovereenkomsten haar inkomsten voor een belangrijk deel zijn weggevallen. (...)"

2.3 De eerste klacht betoogt dat het hof met deze overweging niet naar behoren heeft gerespondeerd op het betoog van Lachish dat inhield dat weliswaar de inkomsten uit de distributieovereenkomsten waren weggevallen maar dat dit niet tot liquiditeitsproblemen had geleid. De tweede klacht betoogt dat de motivering te kort schiet omdat het hof heeft miskend dat terughoudendheid op zijn plaats is bij het aannemen van een spoedeisend belang en dat naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Ik zal de klachten hierna gezamenlijk behandelen.

2.4 Om te kunnen beoordelen of een geldvordering in kort geding kan worden toegewezen, dient de rechter te onderzoeken of de vordering voldoende aannemelijk is en of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Bij de belangenafweging zal de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling aan de orde moeten komen, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Niet is vereist dat de eisende partij in een financiële noodsituatie komt te verkeren indien betaling langer achterwege blijft(4).

2.5 Ten aanzien van een en ander geldt een verscherpte motiveringsplicht, waarbij dient te worden bedacht dat aan de motivering van (andere) uitspraken in kort geding minder strenge eisen dan normaal worden gesteld(5). Van de rechter die een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding toewijst, kan worden verlangd dat naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen, die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden(6).

2.6 Het hof heeft overwogen dat het spoedeisend belang van Logifeed is gelegen in het feit dat haar inkomsten voor een belangrijk deel zijn weggevallen door de opzegging van de distributieovereenkomsten door Lachish. Gezien het voorgaande, heeft het hof daarmee aan zijn motiveringsplicht voldaan. In het oordeel ligt een aan het hof als feitenrechter voorbehouden beoordeling van de aangevoerde argumenten besloten(7).

Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof op alle door Lachish aangevoerde argumenten tegen het door Logifeed gestelde omtrent liquiditeitsproblemen had behoren in te gaan, geldt dat de rechter daartoe niet is gehouden(8).

2.7 Het tweede onderdeel richt zich met motiveringsklachten tegen rechtsoverweging 4.11 van het bestreden arrest. Het hof heeft onder 4.10 en 4.11 - voor zover hier van belang - als volgt overwogen:

"4.10 (...) De grief is in zoverre terecht voorgesteld dat indien Lachisch en Logifeed zouden zijn overeengekomen dat Lachisch aan Logifeed kortingen zou geven en Logifeed die aan haar afnemers zou doorberekenen, en vervolgens Logifeed de kortingen zou hebben geïncasseerd zonder die aan de afnemers door te berekenen, dit hoe dan ook een beschaming van het door Lachisch in haar distributeur gestelde vertrouwen oplevert. (...)"

"4.11 Dat Logifeed zich verplicht heeft om door Lachisch te verstrekken kortingen aan haar afnemers door te berekenen, staat echter geenszins vast. Uit het verslag van de bespreking tussen partijen van november 1998 blijkt wel dat Lachisch naar aanleiding van ideeën van [betrokkene A], directeur van Logifeed, kortingen heeft aangekondigd met het oog op de (te hoge) prijsstelling van de producten van Lachisch in de Nederlandse en Duitse markt, maar niet dat een zodanig direct verband tussen die kortingen en de prijsstelling is gelegd, dat de strekking van de afspraken was dat Logifeed gehouden was die kortingen direct in (algemene) prijsverlagingen te vertalen. In dit verband is van belang dat het volgens de onbetwiste stellingen van Logifeed tot haar marktstrategie behoorde dat in de onderhandelingen met afnemers (forse) individuele kortingen werden verstrekt. Bovendien voert Logifeed aan dat de kortingen op bepaalde producten van Lachisch spoedig door nieuwe prijsverhogingen werden achterhaald. Ook die stelling is door Lachisch niet inhoudelijk betwist.(...)"

2.8 Het hof beoordeelt in deze rechtsoverwegingen of sprake is van een vertrouwensbreuk die de opzegging rechtvaardigt. Aan haar stelling dat zodanige vertrouwensbreuk bestond, heeft Lachish ten grondslag gelegd dat Logifeed haar heeft verzocht de prijzen te verlagen, op welk verzoek Lachish als volgt is ingegaan: voor drie type machines heeft Lachish aangeboden speciale prijzen aan Logifeed aan te bieden zodat deze lagere prijzen zouden kunnen worden doorberekend aan Logifeeds klanten(9). In rechtsoverweging 4.10 vertaalt het hof dit betoog als volgt: indien Lachish en Logifeed zouden zijn overeengekomen dat Logifeed door Lachisch gegeven kortingen aan haar afnemers zou doorberekenen, en Logifeed zou die overeenkomst niet naleven door de kortingen te incasseren zonder die aan de afnemers door te berekenenen dan was in elk geval het door Lachish in Logifeed gestelde vertrouwen beschaamd.

2.9 Vervolgens overweegt het hof in rechtsoverweging 4.11 dat bedoelde overeenkomst tussen partijen niet is komen vast te staan en dat de strekking van in 1998 gemaakte afspraken niet was dat Logifeed gehouden was de kortingen van Lachish direct in prijsverlagingen te vertalen. Deze overwegingen zijn, anders dan in onderdeel 2.2 wordt betoogd, niet onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.

2.10 Daarnaast betoogt onderdeel 2.2 dat voor zover het hof de stellingen van Lachish aldus heeft opgevat dat de vertrouwensbreuk uitsluitend is gebaseerd op de omstandigheid dat Logifeed niet heeft voldaan aan haar verplichting om de kortingen door te geven, deze lezing onbegrijpelijk is in het licht van het in het onderdeel weergegeven betoog.

2.11 Het onderdeel faalt. Aan het hof als feitenrechter is de uitleg van de gedingstukken en daarin vervatte stellingen van partijen voorbehouden. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk nu Lachish zelf betoogt dat sprake is geweest van een gemaakte afspraak met het oog op profijt van de kortingen voor de afnemers van Logifeed(10). Voor zover de klacht inhoudt dat Lachish voor haar stelling dat van een vertrouwensbreuk die de opzegging rechtvaardigt sprake was ook andere grondslagen heeft aangevoerd, voldoet het middel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv., aangezien niet wordt aangegeven waar een en ander in de feitelijke instanties is gesteld.

2.12 Onderdeel 2.3 richt zich tegen de volgende overweging in rechtsoverweging 4.11:

"4.11 (...) In dit verband is van belang dat het volgens de onbetwiste stellingen van Logifeed tot haar marktstrategie behoorde dat in de onderhandelingen met afnemers (forse) individuele kortingen werden verstrekt. Bovendien voert Logifeed aan dat de kortingen op bepaalde producten van Lachisch spoedig door nieuwe prijsverhogingen werden achterhaald.(...)"

Volgens de klacht is deze overweging onbegrijpelijk nu niet valt in te zien hoe de in de overweging genoemde omstandigheden in de weg zouden staan aan het ontstaan van een vertrouwensbreuk die de opzegging rechtvaardigt.

2.13 Door te overwegen dat het verstrekken van kortingen onderdeel was van de marktstrategie van Lachish en dat de kortingen door prijsverhogingen zouden worden achterhaald, heeft het hof twee vaststaande omstandigheden genoemd die van belang zijn bij de beoordeling van de strekking van de in november 1998 gemaakte afspraken. Deze overweging is niet onbegrijpelijk.

2.14 Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 31 oktober 2000.

2 Op 12 december 2000.

3 Het hof spelt de naam consequent verkeerd.

4 HR 29 maart 1985, NJ 1986, 84 (WLH).

5 Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 122.

6 HR 22 januari 1982, NJ 1982, 505; HR 19 februari 1993, NJ 1995, 704 en HR 14 april 2000, NJ 2000, 489. Zie voor een overzicht van literatuur en jurisprudentie over spoedeisendheid de uitvoerige conclusie van A-G Bakels vóór laatstgenoemd arrest.

7 HR 26 mei 1989, NJ 1989, 653.

8 Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 120.

9 Pleitnota eerste aanleg nr. 18 en 19.

10 Pleitnota eerste aanleg nr. 23.