Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4573

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
06-02-2002
Zaaknummer
02142/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4573
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02142/00

Mr Machielse

Zitting 18 september 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 3 februari 2000 voor verduistering veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende zeventig uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken.

2. Mr H.P. Scheer, advocaat te Alphen aan den Rijn, heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring. Verdachte is veroordeeld voor verduistering van een auto. In feitelijke aanleg is betoogd dat verdachte de auto juist wél door misdrijf, te weten door valsheid in geschrift, onder zich heeft gekregen.(1) Het Gerechtshof heeft die mogelijkheid verworpen met de volgende overwegingen:

Vast staat dat verdachte bij het aangaan van de "Peugeot Leaseovereenkomst: 16555" als naam van de "client" de naam van zijn zoon (immers beider achternaam met de voorletters van zijn zoon) heeft opgegeven en dat verdachte die overeenkomst heeft ondertekend met een handtekening waarvan niet zijn voorletters, maar die van zijn zoon deel uitmaken. Van dit feit uitgaande heeft de raadsvrouwe van verdachte aangevoerd dat verdachte van het aan hem tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat verdachte de Peugeot 306 heeft verkregen door een misdrijf, namelijk een valsheid in geschrift, gelegen in het plaatsen van een valse handtekening.

Het hof verwerpt deze stelling aangezien de omstandigheid dat verdachte de overeenkomst heeft voorzien van een handtekening met de voorletters van zijn zoon niet wegneemt dat verdachte de Peugeot 306 heeft verkregen met instemming van PSA Financiering Nederland BV. De omstandigheid dat PSA Financiering Nederland BV (handelend onder de naam Peugeot Lease) wellicht tengevolge van valsheid in geschrift tot die instemming is bewogen, doet daaraan niet af.

Vaststaat dat verdachte in feite de leaseovereenkomst met PSA Financiering Nederland BV heeft gesloten, dat verdachte daarbij de handtekening met de voorletters van zijn zoon heeft geplaatst en dat de auto aan verdachte is meegegeven. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte bij het aangaan van de overeenkomst op enige wijze aan PSA Financiering Nederland BV heeft kenbaar gemaakt dat zijn voorletters niet waren de voorletters die hij in de door hem geplaatste handtekening opnam. Onder deze omstandigheiden kon, mocht en moest PSA Financiering Nederland BV er op vertrouwen dat zij de leaseovereenkomst is aangegaan met degeen die de handtekening onder de leaseovereenkomst plaatste, te weten de verdachte. Hieruit leidt het hof af dat verdachte de Peugeot als lessee onder zich zich had toen hij zich die auto wederrechtelijk toegeëigende.

Het middel betoogt dat deze overwegingen onverlet laten dat verdachte de auto op onrechtmatige wijze onder zich heeft gekregen, omdat verdachte onder het leasecontract niet zijn eigen handtekening zette maar een handtekening die moest doorgaan voor die van zijn zoon.

3.2. Ik moet de steller van het middel nageven dat de overwegingen van het hof bij mij niet direct de indruk hebben doen ontstaan dat de zaak wel helder was. Het hof overweegt immers dat verdachte het contract niet met de eigen handtekening heeft bezegeld, maar met een handtekening waarin de naam van verdachtes zoon was te herkennen, en dat zulks er niet aan in de weg staat dat verdachte de Peugeot heeft verkregen met instemming van de leasemaatschappij, ook al zou de leasemaatschappij door valsheid in geschrift tot instemming met de afgifte van de auto hebben bewogen. Anderzijds overweegt het hof even verder dat de leasemaatschappij erop moest vertrouwen dat zij het contract aanging met degeen die de handtekening zette. Ik kan het een niet met het ander rijmen. De laatste overwegingen komen er op neer dat de overeenkomst is gesloten door de leasemaatschappij en degeen die de handtekening zette, te weten verdachte. Dat doet zich immers in zeer veel gevallen van oplichting en valsheid in geschrift voor; twee partijen sluiten een overeenkomst, maar de een blijkt bij nader inzien niet degeen te zijn die hij voorgaf te zijn. Dan moet het er ook voor gehouden worden dat de persoon die de handtekening zette gebonden is, ook al heeft deze persoon zich voor een ander uitgegeven. De andere partij kan wel de vernietiging van de overeenkomst bewerkstelligen op grond van bedrog. Dat sluit niet uit dat de ene partij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan en zijn prestatie niet zou hebben geleverd als deze partij had geweten hoe de vork werkelijk in de steel zat.

Anderzijds overwoog het hof daarvoor dat het feit dat de leasemaatschappij door valsheid in geschrift door verdachte gepleegd tot de instemming met afgifte van de auto is bewogen er niet aan afdoet dat er (toch maar) instemming wás. Maar dat is in iedere oplichtingszaak het geval. De opgelichte geeft af en op het moment van afgifte gelooft de opgelichte dat alles in orde is. Achteraf blijkt men te zijn bedrogen.

Ik had mij kunnen voorstellen dat het hof had aangenomen dat het zetten van de (verkeerde) handtekening door verdachte onder het contract voor de leasemaatschappij geen causa was voor de afgifte, omdat ook als verdachte had ondertekend met de eigen handtekening tot afgifte zou zijn overgegaan. Zulks had het Gerechtshof bijvoorbeeld kunnen vaststellen aan de hand van de verklaring van [betrokkene] waaruit blijkt dat deze wist dat het contract werd ondertekend door [de vader] (p. 42 dossier en bewijsmiddel 4 in het arrest); uit de verklaring van verdachte dat hij bevoegd was voor zijn zoon zulke contracten af te sluiten (p. 46 en 48 dossier). In dat geval zou verdachte wel een valsheid in geschrift hebben gepleegd, maar zou niet dáárdoor de auto hebben meegekregen.(2)

De verwerping van het verweer acht ik onbegrijpelijk en daarom ontoereikend. Het middel is naar mijn mening terecht voorgesteld. De aanbeveling van de steller van het middel dat de Hoge Raad zelf zou vrijspreken acht ik niet opportuun omdat bij een nieuwe behandeling zal kunnen blijken dat verdachte inderdaad de auto niet door valsheid in geschrift onder zich had, omdat het zetten van de handteke-ning niet beslissend was voor de afgifte van de auto.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de strafzaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De steller van het middel betoogt in de toelichting op het middel dat de wijze van verkrijging van de auto ook als oplichting kan worden gekwalificeerd, maar in feitelijke aanleg is de verdediging niet voor dat anker gaan liggen.

2 HR 19 december 2000, 00943/99 inzake het vierde middel.