Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4505

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
16-11-2001
Zaaknummer
C00/012HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4505
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 669
JWB 2001/312
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. C 00/012 HR

Mr. M.R. Mok

Zitting 13 juli 2001

(bij vervroeging)

Conclusie inzake

Stichting PENSIOENFONDS MEDISCHE SPECIALISTEN

tegen

[Verweerder] (niet verschenen)

1. FEITEN

1.1. Eiseres van cassatie, de Stichting Pensioenfonds medisch specialisten (SPMS) is een beroepspensioenfonds als bedoeld in art. 1, lid 1, sub f, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling(1).

Bij besluit van 18 juni 1973 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken op grond van deze wet deelneming in het beroepspensioenfonds van SPMS verplicht gesteld voor medische specialisten die:

a. zijn ingeschreven in het register van erkende medische specialisten, als bedoeld in het huishoudelijk reglement van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG);

b. in Nederland het beroep van medisch specialist uitoefenen;

c. in Nederland wonen;

d. de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt.

1.2. Art. 1, lid 2, van het pensioenreglement van SPMS bevat een aantal uitzonderingen op de verplichte deelneming.

Deze bepaling luidt - voor zover van belang - als volgt:

"2. De medische specialist die naar verwachting in een kalenderjaar zijn beroep uitsluitend zal uitoefenen in dienstverband terzake waarvan voor de medische specialist(...)

b. een pensioenvoorziening geldt waarin deelneming krachtens de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds is verplicht gesteld; (...)

verkrijgt voor de duur van bedoeld dienstverband in elk zodanig kalenderjaar vrijstelling van het deelnemerschap, mits hij daartoe telkenjare vóór een door het bestuur aangegeven tijdstip een schriftelijk verzoek tot het pensioenfonds met vermelding van de gegevens, die het bestuur te dier zake verlangt, heeft gericht."(2)

1.3. Verweerder in cassatie, [verweerder], heeft tot 1 januari 1996 verplicht deelgenomen in het pensioenfonds van SPMS. Tot die datum was hij, op basis van een toelatingsovereenkomst, als "vrijgevestigd specialist" werkzaam in de Sint Maartenskliniek te Nijmegen.

Van 1 januari 1996 tot 1 juli 1998 is [verweerder] in die kliniek werkzaam geweest op basis van een overeenkomst met de Stichting Beheer Specialistenpraktijken Sint Maartenskliniek (SBS). Deze overeenkomst is, in de aanhef van de akte waarin zij is vastgelegd, aangeduid als een overeenkomst "tot het verrichten van enkele diensten"(3).

1.4. [Verweerder] heeft met ingang van 1 januari 1996 de betaling van zijn pensioenpremies aan het pensioenfonds van SPMS stopgezet en is sindsdien deelnemer in het bedrijfspensioenfonds van de Stichting Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (PGGM).

De deelneming in het bedrijfspensioenfonds van PGGM is krachtens de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht gesteld voor werknemers die verbonden zijn aan een "particuliere verplegingsinrichting"(4).

1.5. Met ingang van 1 juli 1998 is [verweerder] in dienst getreden bij de Stichting Sint Maartenskliniek. Tussen partijen is in confesso dat hij met ingang van die datum ten aanzien van zijn inkomsten uit de arbeidsovereenkomst verplicht deelnemer is in de bedrijfspensioenregeling van PGGM.

1.6. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of [verweerder] ook na 1 januari 1996 ­ dat wil, gezien het voorgaande, zeggen: van 1 januari 1996 tot 1 juli 1998 ­ nog steeds verplicht was aangesloten bij het pensioenfonds van SPMS of dat hij, zoals hij stelt, sindsdien verplicht deelnemer is in het bedrijfspensioenfonds van PGGM.

1.7. Op 12 maart 1997 heeft SPMS een dwangbevel tegen [verweerder] uitgevaardigd en betaling gevorderd van een bedrag van ƒ 18.577, terzake van de door [verweerder] verschuldigde premies en rente tot en met het vierde kwartaal van 1996, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1997 en incassokosten.

Het dwangbevel is op 17 maart 1997 aan [verweerder] betekend.

1.8. SPMS heeft ook dwangbevelen uitgevaardigd tegen vier andere medische specialisten die in de Sint Maartenskliniek werkzaam zijn(5), onder wie [betrokkene A]. [Betrokkene A] heeft in een hieraan parallel lopende procedure onder rolnr. C 00/011 HR cassatieberoep ingesteld, steunend op middelen die gelijkluidend zijn aan die in de onderhavige zaak. Ook in de genoemde andere zaak zal ik heden concluderen.

2. VERLOOP PROCEDURE

2.1. Op 7 april 1997 heeft [verweerder] SPMS gedagvaard voor de kantonrechter te Nijmegen.

Hierbij is hij tegen het dwangbevel in verzet gekomen en heeft hij gevorderd hem te ontheffen van de verplichtingen die daaruit voortvloeiden.

2.2. [Verweerder] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij ingevolge art. 1, lid 2, sub b, van het pensioenreglement van SPMS van verplichte deelneming is vrijgesteld, omdat hij met ingang van 1 januari 1996 uitsluitend werkzaam is geweest in dienstverband en met ingang van die datum, in het kader van dit dienstverband, op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, aangesloten was bij PGGM.

PGGM heeft ook bevestigd dat hij sindsdien verplicht bij haar is verzekerd.

2.3. SBS zou in het kader van de overeenkomst met [verweerder] loonbelasting inhouden en ten behoeve van [verweerder] pensioenpremies afdragen aan het bedrijfspensioenfonds van PGGM.

Ten slotte heeft [verweerder] aangevoerd dat de verplichte deelneming in het pensioenfonds van SPMS in strijd zou zijn met een aantal bepalingen van het EG-Verdrag.

2.4. SPMS heeft betwist dat [verweerder] onder de pensioenregeling van PGGM valt en betoogd dat SBS geen "particuliere verplegingsinrichting" is in de zin van de verplichtstellingsbeschikking voor PGGM.

Bovendien zou de overeenkomst tussen [verweerder] en SBS niet kunnen worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst in de zin van de PGGM-beschikking. In die beschikking worden van deelname aan het bedrijfspensioenfonds (o.m.) juist vrijgesteld:

"de werknemers die zonder arbeidsovereenkomst volgens burgerlijk recht aan bovengenoemde instellingen verbonden zijn tot het persoonlijk verrichten van arbeid (...);".

2.5. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 13 februari 1998 het beroep van [verweerder] op de vrijstelling in art. 1, lid 2, sub b van het pensioenreglement van SPMS verworpen en een comparitie van partijen gelast.

Bij vonnis van 8 mei 1998 heeft de kantonrechter aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) een aantal prejudiciële vragen voorgelegd over de verenigbaarheid van de verplichte deelneming in het beroepspensioenfonds van SPMS met het EG-Verdrag.

2.6. [Verweerder] is van beide vonnissen in hoger beroep gekomen bij de rechtbank te Arnhem. Bij memorie van grieven heeft hij zijn beroep op schending van het EG-Verdrag ingetrokken en betoogd dat het vonnis van 8 mei 1998 zou moeten worden vernietigd.

Verder heeft hij bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst tussen hemzelf en SBS onvoldoende aannemelijk was geworden.

2.7. Bij vonnis van 30 september 1999 heeft de rechtbank de vonnissen van de kantonrechter vernietigd en [verweerder] ontheven van de verplichtingen, voortvloeiende uit het dwangbevel.

Met [verweerder] was zij van oordeel dat het haar na het intrekken van diens beroep op schending van het EG-mededingingsrecht niet langer vrijstond de verenigbaarheid van de verplichte deelneming aan het beroepspensioenfonds van SPMS met het EG-recht te onderzoeken.

De vernietiging van (ook) het tweede vonnis van de kantonrechter heeft niet verhinderd dat het HvJEG de door de kantonrechter verzochte prejudiciële beslissing heeft gegeven. De zaak maakte bij het HvJEG deel uit van een pakket gevoegde zaken(6).

2.8. De rechtbank heeft de zaak op de voet van art. 356, lid 1, Rv aan zich gehouden en is vervolgens nagegaan of de overeenkomst tussen [verweerder] en SBS als een arbeidsovereenkomst in de zin van de in art. 1, lid 2, sub b vervatte vrijstellingsbepaling van het pensioenreglement van SPMS kon worden beschouwd.

Zij heeft deze vraag beoordeeld tegen de achtergrond van de specifieke omstandigheden van het concrete geval.

2.9. De rechtbank achtte van belang dat uit de door [betrokkene A] overgelegde "gelijkstellingsovereenkomst" blijkt dat partijen ­ in afwijking van de in de overeenkomst gebruikte terminologie ­ in werkelijkheid beoogd hebben een arbeidsovereenkomst te sluiten. Er was volgens de rechtbank, een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, sprake van een "reële arbeidsovereenkomst".

Gesteld noch gebleken zijn dat [verweerder] naast de overeenkomst met SBS nog een toelatingsovereenkomst had of heeft gehad met de kliniek of dat hij naast de voor SBS verrichte werkzaamheden voor eigen rekening werkzaamheden is gaan verrichten voor de kliniek.

De rechtbank heeft het verweer van SPMS dat SBS niet als een "particuliere verplegingsinrichting" in de zin van de verplichtstellingsbeschikking van PGGM kan worden beschouwd, verworpen.

2.10. SPMS heeft tegen dit vonnis (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.

Het beroep steunde op drie cassatiemiddelen, waarvan SPMS, in de schriftelijke toelichting van haar raadsman, het derde weer heeft ingetrokken(7).

[verweerder] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

3. BESPREKING VAN DE CASSATIEMIDDELEN

3.1. Inleiding

3.1.1. Middel I richt zich in vier onderdelen tegen de verwerping van het betoog van SPMS dat SBS geen particuliere verplegingsinrichting is in de zin van de verplichtstellingsbeschikking van PGGM.

Middel II brengt een aantal klachten in stelling tegen het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst tussen [verweerder] en SBS is aan te merken als een reële arbeidsovereenkomst.

3.1.2. In ro. 5 van haar vonnis heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat partijen het erover eens waren dat, bij gebreke van een arbeidsovereenkomst, [verweerder] met ingang van 1 januari 1996 niet verplicht was tot deelneming in PGGM. Hij viel in dat geval niet onder de uitzonderingsbepaling van art. 1, lid 2, sub b, van het pensioenreglement van SPMS. Afgezien van het beroep op vrijstelling met toepassing van art. 19 van de statuten en art. 44 van het pensioenreglement van SPMS, (in de periode 1 januari 1996 tot 1 juli 1998) zou [verweerder] verplicht zijn geweest tot deelneming in SPMS.

In cassatie zijn tegen het genoemde uitgangspunt geen klachten gericht, zodat hiervan ook in cassatie moet worden uitgegaan. Systematisch komt het mij daarom aantrekkelijk voor eerst middel II en dan middel I te behandelen.

3.1.3. [verweerder] heeft ten processe verdedigd(8) dat er in wezen sprake was van een conflict tussen beide pensioenfondsen (PGGM en SPMS, waarvan hij niet de dupe wilde worden.

3.2. Middel II

3.2.1. Dit middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst tussen [verweerder] en SBS (ondanks de titel "overeenkomst tot het verrichten van diensten") moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:671 BW(9).

Onderdeel 1 bevat geen zelfstandige klacht.

3.2.2. De onderdelen 2 en 3 klagen over ongeoorloofde aanvulling van de feitelijke grondslag.

3.2.3.1. Volgens onderdeel 2 heeft de rechtbank in strijd met de in appel tussen partijen vaststaande feiten in ro. 6 heeft aangenomen dat "[verweerder] voor 1 januari 1996 niet als vrijgevestigd anesthesioloog in de Sint Maartenkliniek werkzaam was, maar met ingang van die datum is aangetrokken door SBS ter voorziening van een vacature binnen de anesthesiologie aldaar"(10).

3.2.3.2. De kantonrechter heeft in ro 2. (derde alinea) van zijn vonnis van 13 februari 1998 vastgesteld dat [verweerder] tot 1 januari 1996 op basis van een toelatingsovereenkomst als vrijgevestigd specialist bij de Sint Maartenskliniek werkzaam is geweest. Als zodanig is hij in elk geval tot die datum deelnemer van SPMS is geweest.

De rechtbank heeft in ro. 1 vastgesteld dat de door de kantonrechter in ro. 2 van diens vonnis van 13 februari 1998 vastgestelde feiten in hoger beroep niet bestreden zijn.

3.2.3.3. De hier bedoelde overweging is daarmee naar de letter niet te verenigen. In zoverre is de klacht van het onderdeel gegrond.

Overigens zou ik menen dat niet te veel betekenis moet worden gehecht aan de in het vonnis van de kantonrechter voorkomende woorden "als vrijgevestigd specialist". Ik heb de indruk dat de kantonrechter daarmee heeft willen zeggen: niet in het verband van SBS, terwijl de rechtbank dezelfde woorden heeft gebruikt om aan te geven dat [verweerder] niet als vrijgevestigd specialist in dienst van de kliniek was, en dat was hij tot 1 januari 1996 wèl.

Er was in die periode kennelijk geen sprake van een zuivere arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst van bijzondere aard(11) die met een arbeidsovereenkomst punten van overeenstemming had.

3.2.3.4. Hoe het zij, de rechtbank heeft niet de rechtspositie van [verweerder] vóór 1 januari 1996, maar de aard van de rechtsverhouding op basis waarvan [verweerder] in de daaropvolgende periode (1996, 1997 en de eerste zes maanden van 1998) in de Sint Maartenskliniek werkzaam is geweest, relevant geacht voor de beslechting van het geschil.

Dat betekent dat de klacht van onderdeel 2, die betrekking heeft op de situatie vóór 1 januari 1996, afstuit op gebrek aan belang.

3.2.4.1. Onderdeel 3 acht het onjuist of onbegrijpelijk dat de rechtbank (ro. 8) heeft overwogen dat "gesteld noch gebleken is dat [verweerder] naast de overeenkomst met SBS nog een toelatingsovereenkomst had of heeft gehad met de Sint Maartenskliniek", nu tussen partijen in confesso was dat [verweerder] tot 1 januari 1996 op basis van een toelatingsovereenkomst in de kliniek werkzaam was.

3.2.4.2. In ro. 6 heeft de rechtbank overwogen dat [verweerder] met ingang van "die datum" (1 januari 1996) is aangetrokken door SBS. In ro. 8 ("naast de overeenkomst met SBS") bouwt zij daarop voort.

Daaruit volgt dat de rechtbank in ro. 8 alleen het oog heeft gehad op de periode vanaf 1 januari 1996 (tot 1 juli 1998), de periode waarin [verweerder] op grond van een overeenkomst met SBS in de Sint Maartenskliniek werkzaam was en niet ook, zoals het onderdeel kennelijk veronderstelt, op de periode vóór 1 januari 1996.

3.2.4.3. Het onderdeel gaat derhalve uit van een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en loopt daardoor vast op gebrek aan feitelijke grondslag.

3.2.5.1. Onderdeel 4 klaagt dat de rechtbank in ro. 6(12) ten onrechte heeft overwogen dat de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst is in de zin van art. 7:671 BW moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van ­ wat zij noemt ­ de specifieke omstandigheden van het geval en daarbij is gaan afwijken van hetgeen "in de zaken Pavlov/SPMS en Van der Schaaf/SPMS moet worden aangenomen"; [verweerder] heeft immers geen beroep gedaan op dergelijke omstandigheden, maar ter onderbouwing van zijn betoog dezelfde gronden aangevoerd als Pavlov en Van der Schaaf.

In elk geval zou de rechtbank een verrassingsbeslissing hebben gegeven door aan de bewoordingen van de gelijkstellingsovereenkomst het in ro. 7 bedoelde belang te hechten.

3.2.5.2. Wat de rechtbank in ro. 6 heeft willen zeggen is, zoals bleek, dat [verweerder] tot 1 januari 1996 in dienst van de Sint Maartenskliniek was, maar met ingang van die datum is aangetrokken door SBS en dat dit in de zaken-Pavlov en -Van der Schaaf anders lag.

Hoe de specifieke omstandigheden in de zaken-Pavlov en -Van der Schaaf waren, is hier niet aan de orde.

3.2.5.3. Door bij de beoordeling van de vraag of (sedert 1 januari 1996) sprake was van een arbeidsovereenkomst met de Sint Maartenskliniek acht te slaan op hetgeen omtrent de rechtsverhouding tussen [verweerder] en SBS in de daarvan overgelegde akte en de daarbij gevoegde "gelijkstellingsovereenkomst" is bepaald, heeft de rechtbank geen andere omstandigheden in aanmerking genomen dan [verweerder] heeft aangevoerd of anderszins haar ten processe zijn gebleken.

De rechtbank mocht als feitenrechter aan stukken die [verweerder] ter ondersteuning van zijn stellingen heeft overgelegd, zodanige conclusies verbinden als zij juist achtte(13).

3.2.5.4. [Verweerder] heeft al in eerste aanleg ­ onder overlegging van de gelijkstellingsovereenkomst ­ gesteld dat SBS en [verweerder] uitdrukkelijk bedoeld hebben een arbeidsovereenkomst aan te gaan, maar dit om hen moverende redenen niet in de betiteling van de overeenkomst tot uitdrukking hebben willen brengen(14). In reactie hierop heeft SPMS hetzelfde argument gebruikt ter onderbouwing van de stelling dat juist geen sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst.(15)

In hoger beroep heeft [verweerder], onder overlegging van een brief van SBS, waarin is verwezen naar de genoemde overeenkomst, dit betoog herhaald(16).

Gezien dit alles was van een verrassingsoordeel geen sprake.

3.2.6.1. Onderdeel 5 klaagt dat niet duidelijk is op welke bewoordingen in de gelijkstellingsovereenkomst de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd.

3.2.6.2. Deze overeenkomst vermeldt:

"Gelijkstellingsovereenkomst van «overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten» (nieuw: overeenkomst van opdracht) met arbeidsovereenkomst ex art. 1637a B.W.

(...)

De ondergetekenden:

(...)

In aanmerking nemende:

1. (...)

2. dat SBS is gebleken dat de gezondheidszorgregelgeving zich wellicht verzet tegen een dienstverband;

3. dat SBS enkel om die reden in plaats van een arbeidsovereenkomst een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten (inmiddels overeenkomst van opdracht geheten) heeft aangeboden onder de uitdrukkelijke toezegging dat SBS overigens naar [verweerder] en [verweerder] alle gevolgen wil verbinden aan de overeenkomst van opdracht die aan een arbeidsovereenkomst ex art. 1637a B.W. verbonden zijn.

Komen overeen:

dat SBS ervoor instaat dat [betrokkene A] en [verweerder] alle rechten die verbonden zijn aan de dienstbetrekking zowel intern tussen partijen als extern naar derden (..) onverkort kunnen geldend maken.

Indien en voorzover dit buiten de macht van partijen niet gerealiseerd kan worden, garandeert SBS [betrokkene A] en [verweerder] in eenzelfde positie te zullen brengen als wanneer er sprake was geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen.

Kortom partijen wensen hun relatie eigenlijk als een arbeidsovereenkomst ex 1637a B.W. te betitelen."

3.2.6.3. De rechtbank heeft uit deze bewoordingen worden opgemaakt dat SBS en [verweerder], in afwijking van de in de akte van hun overeenkomst gebezigde terminologie, van meet af aan beoogd hebben in werkelijkheid een arbeidsovereenkomst te sluiten.

Uit het bestreden vonnis blijkt dat de rechtbank, anders dan de kantonrechter, bij haar oordeel de tekst van de gelijkstellingsovereenkomst in zijn geheel in aanmerking heeft genomen. Het hierop gebaseerde oordeel is m.i. geenszins onbegrijpelijk en behoefde evenmin nader te worden gemotiveerd.

3.2.7.1. Onderdeel 6 verwijt de rechtbank ten onrechte niet mede de wijze waarop partijen feitelijk aan de overeenkomst met SBS uitvoering, en aldus inhoud, hebben gegeven, in aanmerking te hebben genomen.

3.2.7.2. Uit de roo. 6 en 7 blijkt dat de rechtbank, bij afwezigheid van een duidelijke feitelijke gezagsrelatie, bij de beantwoording van de vraag welke bedoeling partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hebben gehad, ook is nagegaan op welke wijze [verweerder] en SBS hun rechtsverhouding verder hebben ingericht(17).

Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats vastgesteld dat partijen een vaste, niet van het aantal verrichtingen afhankelijke, beloning zijn overeengekomen. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [verweerder] tegelijkertijd niet tevens op een andere basis in de Sint Maartenskliniek werkzaam is geweest.

3.2.7.3. De rechtbank heeft aangenomen (en ook mogen aannemen) dat het ontbreken van een duidelijke feitelijke gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer ten aanzien van de invulling en uitvoering van de arbeid aan het aannemen van een arbeidsovereenkomst niet in de weg behoeft te staan.

Dit geldt in het bijzonder voor een arts in dienstverband die bij het uitoefenen van zijn beroep een ruime mate van vrijheid en zelfstandigheid heeft om te kunnen voldoen aan de eisen die eigen zijn aan het medische beroep. De instructiebevoegdheid van de werkgever zal zich in dat geval beperken tot het geven van algemene aanwijzingen met betrekking tot het werkverband(18).

3.2.7.4. Dat, zoals het onderdeel betoogt, [verweerder] ten onrechte geen feiten heeft gesteld waaruit blijkt dat zijn arbeidssituatie sinds 1 januari 1996 is veranderd, doordat hij sindsdien instructies ontvangt van zijn sectorhoofd en verplicht is periodiek te rapporteren, berust op te zware eisen aan de stelplicht.

Omdat het begrip gezagsverhouding in gevallen als dit als onderscheidend criterium tekortschiet, heeft de rechtbank ook aan de hand van andere factoren beoordeeld of sprake is van arbeid in dienstverband(19).

3.2.8. Het middel treft in geen van zijn onderdelen doel.

3.3. Middel I

3.3.1. Dit middel keert zich tegen het oordeel van de rechtbank (ro. 9) dat er geen goede grond is voor de toepassing van de verplichtstellingsbeschikking van PGGM [verweerder] van verplichte deelneming uit te sluiten om de enkele reden dat SBS zelf naar de letter niet een "particuliere verplegingsinrichting" is(20). Dit begrip wordt in die beschikking, in navolging van de omschrijving in het pensioenreglement van PGGM, omschreven als

"de onder beheer van een natuurlijke of rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijk lichaam, staande inrichtingen, bestemd voor het geneeskundig behandelen en/of verplegen van personen, die daarvoor op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand in aanmerking komen, alsmede door of ten behoeve van één of meer inrichtingen in het leven geroepen stichtingen of verenigingen, die een taak op het gebied van die inrichtingen hebben."

3.3.2.1. Volgens onderdeel 1 heeft de rechtbank in ro. 9 miskend dat voor medisch specialisten de verplichtstellingsbeschikking van SPMS uitgangspunt moet vormen. Voor een vrijstelling van verplichte deelneming hierin bestaat geen goede grond, zolang niet aan een van de voorwaarden hiervoor (het bestaan van een andere pensioenvoorziening waarin deelneming krachtens de Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds is verplicht gesteld) is voldaan.

In ieder geval zou de rechtbank de juiste verhouding tussen de verplichtstellingsbeschikking-PGGM en de verplichtstellingsbeschikking-SPMS ten opzichte van elkaar miskend en de eerstgenoemde beschikking onjuist geïnterpreteerd of toegepast hebben, door deze op [verweerder] van toepassing te achten(21).

3.3.2.2. Onderdeel 2 acht het rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, dat de rechtbank (ro. 9) tot de conclusie is gekomen dat [verweerder] verplicht is aangesloten bij PGGM hoewel SBS "naar de letter" geen particuliere verplegingsinrichting is.

Onderdeel 3 acht niet althans ondeugdelijk gemotiveerd dat SBS "gelet op de doelomschrijving" (eveneens ro. 9) met een particuliere verplegingsinrichting gelijk zou moeten worden gesteld.

Onderdeel 4 richt een dergelijke motiveringsklacht tegen de overweging (nog steeds ro. 9) dat gelet op het feit dat [verweerder] weliswaar formeel in dienst van SBS was maar feitelijk uitsluitend werkzaam was in de Sint Maartenskliniek ertoe kan leiden dat [verweerder] als werknemer in de zin van de verplichtstellingsbeschikking van PGGM moet worden beschouwd.

3.3.3.1. Het pensioenreglement dat een regeling bevat waarin (onder meer) werknemers verbonden aan een particuliere verplegingsinrichting krachtens genoemde Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenregeling verplicht zijn deel te nemen, is ­ net als de beschikking waarin de deelneming aan PGGM verplicht is gesteld ­ te beschouwen als recht in de zin van art. 99 van de Wet RO(22).

De beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de uitleg en toepassing van het begrip "particuliere verplegingsinrichting" in het pensioenreglement en de verplichtstellingsbeschikking van PGGM kunnen in cassatie derhalve niet alleen op motivering, maar ook op juistheid worden getoetst.

3.3.3.2. De rechtbank heeft haar oordeel dat [verweerder] wettelijk verplicht is aangesloten bij het bedrijfspensioenfonds van PGGM mede gebaseerd op de doelomschrijving van SBS. In de statuten van SBS(23) wordt het doel van SBS omschreven als

"a. het zorg dragen voor een kwantitatief en kwalitatief goede invulling van specialistenpraktijken in de Sint Maartenskliniek, in het bijzonder door het beheer van deze praktijken en door het aantrekken en honoreren van daartoe gekwalificeerde specialisten en het zorgdragen voor de financiering van een en ander;

b. het verichten van al hetgeen met het vorenstaande in de ruimste zin verband houdt en/of daartoe bevorderlijk kan zijn."

Uit de statuten blijkt verder dat SBS in 1995 door de Stichting Sint Maartenfonds is opgericht "ten behoeve van de goede invulling van specialistenpraktijken in de Sint Maartenskliniek".

3.3.3.3 Uit de geciteerde doelomschrijving blijkt dat SBS niet kan worden aangemerkt als een particuliere inrichting in strikte zin, d.w.z. een inrichting "bestemd voor het geneeskundig behandelen en/of verplegen van personen die daarvoor op grond van hun lichamelijk of geestelijke toestand in aanmerking komen".

3.3.3.4. Anders dan het middel betoogt, zou ik echter menen dat SBS wl kan worden beschouwd als een "door of ten behoeve van een of meer inrichtingen in het leven geroepen" stichting met "een taak op het gebied van die inrichtingen". De woorden "door of ten behoeve van" geven geen aanleiding tot de enge uitleg van SPMS, waarin de verplichtstellingsbeschikking alleen van toepassing is indien het gaat om een stichting of vereniging die taken uitvoert die voorheen door de inrichting zelf werden verricht en die nu zijn verzelfstandigd.

Vereist is slechts dat de stichting "een taak heeft op het gebied van die inrichtingen." Gezien de wijze waarop in de statuten het doel van SBS wordt omschreven en de wijze waarop SBS daaraan in de praktijk uitvoering geeft (het door bij haar in dienst zijnde medische specialisten laten uitvoeren van medische handelingen in de kliniek), komt het mij voor dat aan deze voorwaarde is voldaan.

3.3.3.5. De door het middel bestreden ro.9 moet ook in deze zin worden opgevat. Met de woorden "naar de letter" heeft de rechtbank slechts tot uitdrukking willen brengen dat SBS niet kan worden aangemerkt als een particuliere verplegingsinrichting in de hiervoor bedoelde strikte zin. Gelet op het voorgaande is dat oordeel onjuist noch onbegrijpelijk. Het behoefde in het licht van hetgeen ten aanzien van SBS wordt vermeld in de statuten ook niet nader te worden gemotiveerd.

De onderdelen 1-3 stuiten hierop af.

3.3.3.6. Onderdeel 4 bouwt(24) voort op de onderdelen 1-3 en moet het lot daarvan delen.

3.3.4. Het middel faalt.

4. CONCLUSIE

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiseres in de kosten.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1. Wet van 29 juni 1972, Stb. 400.

2. Prod. 2 bij c.v.a. in oppositie.

3. Prod. 2 bij c.v.r. in oppositie.

4. Beschikking van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid d.d. 31 december 1969, Stcrt. 1970, nr. 18. De beschikking is in werking getreden op 1 januari 1970. Bij latere beschikkingen is de verplichtstelling uitgebreid tot andere instellingen. Zie voor een overzicht Losbl. Pensioenen: regelingen & jurisprudentie (red. W.J.D. Gohres), Overzicht Pensioenfondsen, F 1000-12.

5. Dezen zijn ook betrokken bij de procedures die geleid hebben tot de in de volgende noot te noemen prejudiciële beslissing.

6. HvJEG 12 september 2000, zaken C-180/98-184/98 (Pavlov e.a. t. Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten), Jur. 2000, p. I-6451, NJ 2001, 92.

7. De intrekking is het gevolg van het in de vorige noot genoemde arrest.

8. Inl. dagv. d.d. 7 april 1997, nr. 3, p. 2.

9. S.t., nr. 23, p. 10.

10. Cursivering toegevoegd.

11. Vgl. J.H. Hubben, NJB 1997, p. 1172.

12. Het onderdeel verwijst abusievelijk naar ro. 8, zie s.t., nr. 28, p. 11.

13. HR 14 november 1997, NJ 1998, 149, ro. 3.6.

14. C.v.r. in oppositie, p. 3, nr. 1.

15. C.v.d. in oppositie, p. 3.

16. M.v.gr., nr. 3.3., p. 4.

17. Vgl. HR 14 november 1997, NJ 1998, 149, ro. 3.4. Zie ook Arbeidsovereenkomst (losbl.), art. 7:610, aant. 1.6.

18. Zie W.C.L. Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 1999, p. 16; Arbeidsovereenkomst, t.a.p., aant. 1.2, Vgl. ook HR 11 november 1988, NJ 1989, 173 en HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173, m.nt. H.J. Snijders.

19. Zie o.a. Arbeidsovereenkomst, t.a.p., aant. 1.2.; Asser-Kortmann-De Leede-Thunnissen 5-III (1994), nr. 276, p. 204.

20. S.t., nr. 8, p. 5.

21. S.t., nr. 18, p. 7/8.

22. Vgl. HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 117 (Pensioenreglement St. Pensioenfonds voor Huisartsen), alsmede de conclusie (Biegman-Hartogh) voor dat arrest en HR 30 maart 2001, NJ 2001, 292 (Pensioenreglement SPMS). Zie ook mijn conclusie voor HR 10 januari 1986, NJ 1986, 476, nr. 2 met verdere verwijzingen.

23. Prod. 2 bij c.v.a. in oppositie.

24. S.t. nr. 22, p. 9.