Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4434

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
03349/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4434
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 136
Wetboek van Strafrecht 136
Wetboek van Strafrecht 137
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 718
NJ 2002, 517 met annotatie van G. Knigge
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03349/00

Mr Wortel

Zitting: 11 september 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens medeplichtigheid aan moord, veroordeeld tot onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 uren in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.

2. Namens verzoeker heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring dat verzoeker heeft gehandeld met opzet - in de zin van voorwaardelijk opzet - en de daartoe gegeven motivering.

4. Ten aanzien van verzoeker is bewezenverklaard dat hij medeplichtig is geweest aan de moord op [het slachtoffer] gepleegd door [betrokkene A]. Het Hof heeft daarbij het opzettelijk verschaffen van gelegenheid en het opzettelijk behulpzaam zijn - beide in de vorm van voorwaardelijk opzet - bewezenverklaard. In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof in dit verband gewezen op de navolgende feiten en omstandigheden:

"- verdachte is begin december 1996 met ernstige depressieve klachten opgenomen op de psychiatrische afdeling van het Catharinaziekenhuis in Eindhoven:

- op die afdeling heeft verdachte [betrokkene A], die daar eveneens met ernstige depressieve klachten was opgenomen, ontmoet en enige tijd een kamer met hem gedeeld;

- verdachte heeft met [betrokkene A] afgesproken dat deze hem in de nacht met een hamer, die [betrokkene A] in zijn bezit had, zou doodslaan;

- verdachte en [betrokkene A] hebben de voorbereidingen voor die daad getroffen, doch [betrokkene A] is daartoe uiteindelijk niet overgegaan, volgens zijn zeggen aan verdachte de volgende ochtend omdat hij - [betrokkene A] - twijfelde of het zou lukken en hij het gevoel had dat hij moest overgeven;

- [betrokkene A], die volgens verdachte in de weken daarvoor al een spiegel had vernield en een pols had doorgesneden, alles om aan te geven dat hij agressiviteit kwijt moest, heeft vervolgens met een hamer een computer stuk geslagen;

- [betrokkene A] heeft in de dagen daarop aan verdachte verteld dat hij zich een massamoordenaar voelde en dat hij iemand, wie dan ook, wilde vermoorden;

- verdachte is kort daarop uit het ziekenhuis ontslagen;

- op 24 februari 1997 heeft [betrokkene A] verdachte thuis opgebeld en hem medegedeeld dat hij het plan had opgevat om zijn - [betrokkene A's] - grootmoeder ([het slachtoffer]) te gaan vermoorden, hetgeen hij wilde doen met een metalen honkbalknuppel;

- verdachte en [betrokkene A], hebben afgesproken dat hij [betrokkene A] naar Alkmaar - de woonplaats van [het slachtoffer] - zou brengen;

- verdachte is [betrokkene A] op 27 februari 1997 bij het ziekhuis in Eindhoven gaan afhalen; zij zijn toen naar het centrum van Eindhoven gegaan om een honkbalknuppel te kopen; aangezien deze niet te krijgen was en [betrokkene A] zei dat "hij het dan met een hamer zou doen", heeft [betrokkene A] vervolgens in aanwezigheid van verdachte twee metalen klauwhamers gekocht;

- verdachte heeft [betrokkene A] daarop in een door hem, verdachte, bestuurde auto naar Alkmaar gereden;

- in de auto heeft [betrokkene A] verdachte onder meer gezegd dat zijn grootmoeder aan hem had aangegeven dat zij dood wilde;

- verdachte heeft [betrokkene A] bij het station in Alkmaar afgezet; hij heeft [betrokkene A] gevraagd om hem te bellen wanneer het niet zou zijn gebeurd;

- verdachte heeft noch aan de politie noch aan andere derden gemeld met welk plan [betrokkene A] naar Alkmaar was gegaan en heeft ook overigens de uitvoering van het plan niet in de weg gestaan.

Door onder de voormelde omstandigheden [betrokkene A] - ten aanzien wie hij ter zitting in hoger beroep nog eens heeft bevestigd dat hij zich op 27 februari 1997 realiseerde dat deze "gestoord" was - bij het ziekenhuis op te halen en hem te vergezellen bij het kopen van twee hamers en hem vervolgens naar Alkmaar te brengen en daar af te zetten, terwijl [betrokkene A] hem niet had kenbaar gemaakt dat hij het plan om zijn grootmoeder te gaan doden had laten varen, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [betrokkene A] dat plan ook daadwerkelijk zou uitvoeren, hetgeen is geschied.

Daarmee is het bewezenverklaarde opzet - in de zin van voorwaardelijk - opzet gegeven.

Aan het vorenstaande doet niet af dat [betrokkene A] een eerder plan om verdachte met een hamer om te brengen uiteindelijk niet had uitgevoerd en evenmin dat [betrokkene A] van het ziekenhuis toestemming had gekregen om dit op 27 februari 1997 te verlaten. Mede in aanmerking genomen dat [betrokkene A] na genoemd incident opnieuw aan verdachte zijn plan had medegedeeld om iemand te doden, en wel zijn grootmoeder, en verdachte er mee bekend was dat [betrokkene A] met dat doel naar Alkmaar zou afreizen, mocht verdachte redelijkerwijs niet aannemen - hetgeen naar hij stelt door hem is gedaan - dat [betrokkene A] zijn plan toch niet zou uitvoeren en dat het dus geen kwaad kon om met hem hamers te gaan kopen en hem vervolgens naar Alkmaar brengen, en dat het waarschuwen van derden achterwege kon blijven."

In het middel worden 's Hofs overwegingen aangaande het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet betwist.

5. De eerste grond die daartoe in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, is dat de door het Hof vastgestelde omstandigheden dat [betrokkene A] eerder af had gezien van het om het leven brengen van verzoeker met een hamer en dat [betrokkene A] was ontslagen uit het ziekenhuis, factoren zijn op grond waarvan verzoeker "redelijkerwijs" mocht aannemen dat [betrokkene A] zijn plan niet zou uitvoeren. Met dit betoog wordt evenwel miskend dat het Hof nadrukkelijk heeft vastgesteld dat sprake was van een nieuw plan om iemand te doden, hetgeen aan verzoeker was medegedeeld, en dat verzoeker vervolgens [betrokkene A] naar Alkmaar - zijnde de woonplaats van het slachtoffer - heeft gebracht. Dat verzoeker op de hoogte was van het plan om [het slachtoffer] om het leven te brengen wordt volledig bevestigd door verzoekers op de terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2000 afgelegde verklaring opgenomen als bewijsmiddel 1. Niet onbegrijpelijk heeft het Hof aldus overwogen dat het opnieuw aan verzoeker mededelen van het plan iemand te doden en [betrokkene A's] mededeling met dit doel te willen afreizen naar Alkmaar, feiten waren op grond waarvan verzoeker redelijkerwijs niet mocht aannemen dat [betrokkene A] toch niet tot uitvoering zou overgaan.

6. De tweede reden die in de toelichting op het middel wordt aangevoerd waarom 's Hofs overwegingen aangaande het voorwaardelijk opzet onbegrijpelijk zouden zijn, heeft betrekking op verzoekers bij de politie afgelegde verklaring.

De door de steller van het middel aangehaalde passages - door het Hof niet voor het bewijs gebruikt - duiden geenszins op het ontbreken van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verzoeker. Verzoeker spreekt enerzijds over de verwachting dat het niet zou lukken, maar anderzijds heeft hij [betrokkene A] voorgesteld met [betrokkene A's] grootmoeder nog te bespreken of zij wel echt dood wilde. Met name uit het laatste kan worden afgeleid dat verzoeker het doel van [betrokkene A] helder voor ogen had. 's Hofs overwegingen zijn derhalve ook tegen de achtergrond van door verzoeker afgelegde verklaringen niet onbegrijpelijk.

7. Als derde grond waarom 's Hofs overwegingen onbegrijpelijk zouden zijn, wordt aangevoerd dat de medische behandelaars van [betrokkene A] de situatie - ook voor verzoeker kenbaar - dusdanig hebben ingeschat dat [betrokkene A's] plannen niet serieus waren te nemen.

Het komt mij voor dat de steller van het middel hier miskent dat niet aan de orde is of verzoeker al dan niet terecht heeft vertrouwd op de waarnemingen van de behandelaars van [betrokkene A], maar de vraag of verzoeker gehandeld heeft met voorwaardelijk opzet. In 's Hofs overwegingen komt tot uitdrukking dat in de door het Hof geschetste omstandigheden verzoeker er niet op heeft kunnen en mogen vertrouwen dat [betrokkene A] [het slachtoffer] niet zou vermoorden. Dat wellicht uit het feit dat [betrokkene A] uit het ziekenhuis werd ontslagen, kon worden geconcludeerd dat van die zijde geen gevaar van [betrokkene A] (meer) werd verwacht, maakt dit niet anders. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat [betrokkene A] zijn plannen met betrekking tot [het slachtoffer] tegenover verzoeker heeft geëxpliciteerd en dat dit alles - blijkens 's Hofs vaststellingen - plaatsvond na ontslag uit het ziekenhuis.

8. Als vierde reden waarom 's Hofs oordeel aangaande het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet ontoereikend zou zijn gemotiveerd, wordt gewezen op de deskundigenverklaringen waarvan de conclusies door het Hof zijn overgenomen. In de strafmotivering heeft het Hof aangaande de deskundigenverklaringen het volgende overwogen:

"Het hof heeft bij het bepalen van straf in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat, gelet op de inhoud van de over verdachte uitgebrachte deskundige rapportages - een rapport van psychiater Zwemstra van 18 juni 1997 en van de psycholoog Cremers van 8 juli 1997 -, bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis waarin vermijdende, afhankelijke en dwangmatige trekken in de persoonlijkheid de boventoon voeren. Verdachte had een hechte relatie met [betrokkene A], wilde - in zijn drang om anderen te behagen - dienstbaar zijn naar zijn "maat" en was ten tijde van het tenlastegelegde verminderd tot sterk verminderd in staat om tot gedragsalternatieven te komen.

Het hof neemt deze conclusies over."

Door de steller van het middel wordt betoogd dat tegen de achtergrond van de overgenomen conclusies van de deskundigenrapporten, het Hof niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van een "gewild" handelen zoals vereist bij het voorwaardelijk opzet.

9. Volgens (vaste) rechtspraak van de Hoge Raad kan van handelen met opzet slechts dan geen sprake zijn "indien bij de dader zou blijken van een zodanig ernstige geestelijke afwijking dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken"; vgl. HR NJ 1968, 217, HR NJ 1983, 412 en HR NJ 1999, 156. Van een situatie waarin bij de verdachte sprake is van een volstrekt ontbreken van inzicht in de draagwijdte van zijn handelingen is in casu geen sprake. Wel van een verminderd inzicht, maar dit staat aan het oordeel dat gehandeld is met (voorwaardelijk) opzet niet in de weg.

Voor het overige wordt in het middel een beroep gedaan op feiten en omstandigheden waaromtrent door het Hof niets is vastgesteld.

10. De in de bestreden uitspraak opgenomen bewijsoverweging is in geen enkel opzicht onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve in alle onderdelen.

11. Het tweede middel klaagt erover dat sprake is van een onjuiste toepassing van art. 48 Sr.

12. Blijkens de toelichting op het middel wordt bedoeld te betogen dat het Hof door bewezen te verklaren - naast andere omstandigheden die verzoekers medeplichtigheid onderbouwen - dat verzoeker:

"heeft nagelaten op enigerlei wijze [dat slachtoffer] en/of de politie en/of anderen op de hoogte te brengen van en/of te waarschuwen voor het gegeven dat die [betrokkene A] voornemens was en bij die [betrokkene A] de gedachte had postgevat [dat slachtoffer] te doden en anderszins opzettelijk niet heeft belet dat die [betrokkene A] [dat slachtoffer] zou gaan doden."

een vorm van passieve medeplichtigheid bewezen heeft verklaard, welke vorm van medeplichtigheid niet valt binnen art. 48 sub 2 Sr. Voorts wordt betoogd dat verzoeker geen bijzondere rechtsplicht had om tot handelen over te gaan.

13. De in het middel bedoelde passage uit de bewezenverklaring kan worden opgevat als een nadere aanduiding van het bewezenverklaarde opzettelijk gelegenheid verschaffen. Verzoeker heeft door het niet waarschuwen van het latere slachtoffer, de politie of anderen het mogelijk gemaakt dat [betrokkene A] in de gelegenheid was om [het slachtoffer] om het leven te brengen. In deze lezing van de bewezenverklaring is geenszins sprake van een vorm van medeplichtigheid die niet zou vallen binnen de grenzen van art. 48 sub 2 Sr. Anders dan door de steller van het middel lijkt te worden gesuggereerd, bestaat de medeplichtigheid aldus niet uit het niet waarschuwen van het slachtoffer, politie of anderen. De medeplichtigheid van verzoeker is daarin gelegen dat hij [betrokkene A] gelegenheid heeft gegeven tot het plegen van de moord door opzettelijk - door niet waarschuwen van de juiste mensen en instanties - [betrokkene A] niet te beletten in zijn voornemen [het slachtoffer] met een hamer om het leven te brengen.

14. Anders dan de steller van het middel meent kan een passieve vorm van medeplichtigheid ook vallen binnen het opzettelijk verschaffen van gelegenheid zoals bedoeld in art. 48 sub 2 Sr. Als voorbeeld kan worden gewezen op HR NJ 1988, 979; een vrouw ziet werkloos toe hoe haar vriend haar kind dusdanig mishandeld dat het komt te overlijden en wordt veroordeeld voor medeplichtigheid wegens het bieden van gelegenheid tot het plegen van het feit. Verder kan worden gewezen op het oudere arrest HR 21 februari 1921, NJ 1921, blz. 465 en het recente HR 12 december 2000, ELRO AA8966.

In het middel wordt voorts aangevoerd dat verzoeker geen rechtsplicht had tot ingrijpen zodat het niet waarschuwen van de politie, het slachtoffer of anderen niet tot strafbare medeplichtigheid zou kunnen leiden. Nu het echter om een voorgenomen moord handelde, bestond aan de zijde van verzoeker wel degelijk een rechtsplicht tot het verwittigen van de politie en het slachtoffer. Deze rechtsplicht volgt namelijk uit art. 136 lid 1 Sr. Deze specifieke rechtsplicht brengt met zich mee dat door het niet waarschuwen van de politie en/of het slachtoffer, verzoeker medeplichtig kan worden geacht aan de door [betrokkene A] gepleegde moord.

Het voorgestelde middel faalt derhalve.

15. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 55 lid 2 Sr door de bewezenverklaring niet gedeeltelijk te kwalificeren als overtreding van art. 136 Sr.

16. Blijkens de bestreden uitspraak is ten aanzien van verzoeker bewezenverklaard dat:

"[Betrokkene A] op 27 februari 1997 in de gemeente Alkmaar opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft genoemde [betrokkene A] opzettelijk en met voorbedachten rade, namelijk na kalm beraad en rustig overleg, [het slachtoffer] meermalen met een of meer klauwhamers, met kracht, op het hoofd geslagen, waardoor [dat slachtoffer] dusdanig letsel heeft bekomen, dat zij daardoor is overleden, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 10 februari 1997 tot en met 27 februari 1997, in de gemeenten Eindhoven en Alkmaar opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door tezamen met die [betrokkene A] het plan om [dat slachtoffer] ter doden te bespreken en tezamen met die [betrokkene A] klauwhamers te kopen en die [betrokkene A], terwijl hij, verdachte, wist van het voornemen van die [betrokkene A] om [het slachtoffer] van het leven te beroven, met een door hem, verdachte, bestuurde auto te vervoeren naar Alkmaar en in de gemeente Alkmaar uit de auto te laten stappen en heeft nagelaten op enigerlei wijze [dat slachtoffer] en/of de politie en/of anderen op de hoogte te brengen van en/of te waarschuwen voor het gegeven dat die [betrokkene A] voornemens was en bij die [betrokkene A] de gedachte had postgevat [dat slachtoffer] te doden en anderszins opzettelijk niet heeft belet dat die [betrokkene A] [dat slachtoffer] zou gaan doden."

In het middel wordt betoogd dat nu in de bewezenverklaring - het door mij gecursiveerde gedeelte - elementen voorkomen van art. 136 lid 1 Sr, het Hof op grond van art. 55 lid 2 Sr had moeten komen tot kwalificatie van het bewezenverklaarde als overtreding van art. 136 lid 1 Sr.

17. De in het middel bedoelde bewezenverklaarde elementen dienen te worden beschouwd als een nadere invulling van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde verschaffen van gelegenheid. In deze uitleg van de tenlastelegging die kennelijk door het Hof is gebezigd, is toepassing van art. 55 lid 2 Sr niet aan de orde. Deze bepaling ziet immers op de situatie dat het (gehele) bewezenverklaarde feit valt binnen meerdere strafbepalingen. Nu slechts sprake is van enkele onderdelen van de bewezenverklaring die overeenkomen met de delictsomschrijving van art. 136 lid 1 Sr, valt niet in te zien hoe art. 55 lid 2 Sr toepasselijk zou kunnen zijn.

Het middel faalt derhalve.

18. Het vierde middel klaagt erover dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

19. Opgemerkt dient te worden dat het voorgestelde middel niet duidelijk is geformuleerd. Ik vermoed dat wordt bedoeld te betogen dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat de bewezenverklaring een zogenaamde passieve variant van medeplichtigheid impliceert. Door deze bewezenverklaring zou het Hof de reikwijdte van art. 48 Sr hebben gewijzigd.

20. Ik meen dat het middel berust op een onjuist begrip van de zogenaamde 'grondslagleer'. Deze grondslagleer houdt immers in dat recht moet worden gedaan op grondslag van de tenlastelegging, hetgeen betekent dat de feitenrechter bij de bewezenverklaring niet iets anders bewezen mag verklaren dan waarop de steller van de tenlastelegging heeft gedoeld. In de bestreden uitspraak is op geen enkele wijze sprake van miskenning van de grondslag van de tenlastelegging.

21. Voorzover de steller van het middel bedoelt te betogen dat het Hof door de bewezenverklaring van een onder meer een 'passieve' vorm van medeplichtigheid de strekking van art. 48 Sr heeft miskend, kan volstaan worden met verwijzing naar het hiervoor ten aanzien van middel II opgemerkte. Overigens doelt deze klacht op een uitleg van art. 48 Sr, hetgeen vervolgens kan raken aan de kwalificatie van het bewezenverklaarde. Met de grondslag van de tenlastelegging heeft dit niets te maken.

Het middel faalt derhalve.

22. De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,