Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4400

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
03217/00 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4400
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 39
Wetboek van Strafvordering 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 697
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03217/00E

Mr Wortel

Zitting: 11 september 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8:40 lid 1 Wet Milieubeheer, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van ƒ4.500,--, subsidiair 47 dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. G.F. van der Hardt Aberson, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte de dagvaarding in hoger beroep geldig heeft geacht.

4. De appèldagvaarding is, omdat er van verzoeker geen woon- of verblijfplaats bekend was, ex artikel 588 lid 1, sub b, onder 3o Sv op 11 juni 1999 uitgereikt aan de griffier.

De steller van het middel heeft zich voorzien van een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente [woonplaats], en meent daaruit te kunnen opmaken dat verzoeker sinds 5 januari 1999 tot 7 februari 2001 - derhalve ook ten tijde van de betekening van de appèldagvaarding - ingeschreven heeft gestaan op het adres [b-straat 1] te [woonplaats].

5. Dat is een verkeerd begrip van dit uittreksel. Dat dient aldus te worden gelezen dat verzoeker vanaf 5 januari 1999 ingeschreven stond op een zogenaamd 'puntadres'. Dat wil zeggen dat verzoeker weliswaar geregistreerd was als ingezetene van de gemeente [woonplaats], maar zonder dat een adres van hem bekend was (HR NJ 1997, 564; NJ 1997, 8). Dit wordt bevestigd door een historisch overzicht van inschrijvingsgegevens dat door de administratie van de Hoge Raad is opgevraagd in verband met het betekenen van de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging. Eerst per 16 augustus 1999 is verzoeker ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [woonplaats]. Terecht heeft het Hof de dagvaarding in hoger beroep geldig betekend geacht.

Het middel faalt.

6. Het tweede middel bevat de klacht dat aan de raadsman, ofschoon die zich als zodanig had gesteld met het oog op de behandeling in hoger beroep, in strijd met art. 51 Sv geen afschrift van de appeldagvaarding en van de (overige) processtukken is toegezonden.

7. Aan de cassatieschriftuur zijn kopieën gehecht van de akte blijkens welke mr Van der Hardt Aberson namens verzoeker hoger beroep heeft ingesteld, van een ondertekend schrijven gedateerd 18 maart 1998 waarbij mr Van der Hardt Aberson, met (correcte) vermelding van het parketnummer dat in eerste aanleg aan de zaak is toegekend en de datum van het in eerste aanleg gewezen vonnis, te kennen gaf hoger beroep te hebben aangetekend en zich als raadsman te stellen, alsmede van een rappèl ter zake van het verzoek stukken toegezonden te krijgen, gedateerd 28 juli 1999.

8. Exemplaren van laatstbedoelde twee brieven van mr Van der Hardt Aberson zijn niet te vinden tussen de stukken die het Hof aan de Hoge Raad heeft toegezonden.

Dezelfde klacht was aan de orde in HR NJ 1998, 772, HR 21 november 2000, griffienr 01344/99 en HR 9 januari 2001, griffienr 02161/00, met dien verstande dat in die zaken telkens de cassatieschriftuur vergezeld ging, niet alleen van een stuk waaruit bleek dat de raadsman zich had gesteld, maar ook van een stuk dat uitwees dat die kennisgeving van de raadsman ter griffie was ontvangen.

9. Een bescheid waaruit kan blijken dat de 'stelbrief' van de raadsman daadwerkelijk - voordat de zaak in hoger beroep ter terechtzitting werd behandeld - het parket van de Procureur-Generaal bij het Haagse Hof, waaraan die brief is gericht, heeft bereikt is thans niet geproduceerd.

Naar mijn inzicht moet, indien een advocaat opgeeft, onder bijvoeging van een kopie van het desbetreffende stuk, een 'stelbrief' te hebben verzonden, worden aangenomen dat die brief inderdaad is verstuurd op of omstreeks de dag waarop die brief is gedateerd, en tevens dat die brief de geadresseerde binnen de voor postbestelling gebruikelijke termijn heeft bereikt, een en ander behoudens aanwijzingen voor het tegendeel.

10. Dat voert mij tot het oordeel dat zich de situatie voordoet die ook in de hierboven, onder 8, genoemde zaken aan de orde was: het ernstige vermoeden rijst dat de brieven van de raadsman aan (het parket bij) het Gerechtshof in het ongerede zijn geraakt, en er moet vanuit gegaan worden, ofschoon de aannemelijk geworden onvolledigheid van de aan de Hoge Raad toegezonden stukken verhindert zulks met zekerheid vast te stellen, dat het in art. 51, tweede volzin, Sv opgenomen voorschrift niet is nageleefd.

Niet-naleving van dat voorschrift treft de behandeling van een strafzaak buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman met nietigheid.

De bestreden uitspraak kan daarom niet in stand blijven. Het middel is terecht voorgesteld.

11. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt teruggewezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,