Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
02860/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4372
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 245
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02860/00

Mr Fokkens

Zitting: 11 september 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 'medeplichtigheid aan opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen' en 'medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen' veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte gedurende 60 uren, in plaats van vier weken jeugddetentie.

2. Namens verdachte heeft mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof verdachte ten onrechte schuldig heeft geoordeeld aan medeplichtigheid aan het vernielen van een telefooncel.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"[betrokkene 1] op 01 januari 1999 te Westervoort tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een telefooncel, toebehorende aan KPN Telecom, heeft vernield door in voornoemde telefooncel een vuurwerkbom (bestaande uit een metalen tafelpoot, gevuld met kruit van vuurwerk) tot ontploffing te brengen, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 december 1998 te Westervoort tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door te assisteren bij de vervaardiging van voormelde vuurwerkbom".

5. Volgens het middel kan verdachte niet als medeplichtige beschouwd worden, aangezien hij op het moment dat hij de middelen had verschaft, niet wist en ook niet behoorde te weten dat [verdachte] voornemens was om een aantal uren later een KPN telefooncel te vernielen. In het middel wordt derhalve betoogd dat het opzet van verzoeker niet gericht was op het vernielen van de telefooncel.

6. Deze klacht kan niet slagen. Het Hof heeft in de bewijsvoering vastgesteld dat

- verdachte samen met anderen op oudejaarsdag een vuurwerkbom heeft vervaardigd met de afspraak dat deze in de nieuwjaarsnacht tot ontploffing zou worden gebracht;

- in verband met die afspraak [betrokkene 1] kort na 24.00 uur in de nieuwjaarsnacht met anderen naar het winkelcentrum de Broeklanden is gelopen met in zijn rugtas de vuurwerkbom;

- in het winkelcentrum veel mensen aanwezig waren en dat iedereen wist dat [verdachte] een vuurwerkbom bij zich had;

- bij de mensen die in het winkelcentrum aanwezig waren, ook verdachte stond;

- verschillende mensen opperden de bom in de telefooncel te leggen;

- [betrokkene 2] (een van de personen die mede de bom hadden vervaardigd) de deurtjes van de telefooncel open zette en dat [verdachte] de bom naast de telefoon plaatste en de lont aanstak;

- de bom met een enorme knal ontplofte en de telefooncel geheel vernield was.

7. Uit dit geheel van omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat verdachte van het begin af aan wist dat de bom die nacht tot ontploffing gebracht zou worden en dat [verdachte] met dat doel naar het winkelcentrum zou komen. Mede uit verdachtes aanwezigheid in het winkelcentrum in die nacht heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte zich bewust was van de mogelijkheid dat de bom in het winkelcentrum tot ontploffing zou worden gebracht. Dat is voldoende om voorwaardelijk opzet aan te nemen met betrekking tot de schade die bij het tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom op een dergelijke plaats te verwachten valt. Dat verdachte er niet van op de hoogte was dat de bom in een telefooncel tot ontploffing zou worden gebracht, doet daar niet aan af. Dat de bom in of nabij een telefooncel ontplofte, stond immers niet zozeer buiten hetgeen te verwachten viel als de vuurwerkbom in het winkelcentrum tot ontploffing zou worden gebracht , dat dit niet meer zou vallen onder de aanmerkelijke kans op het teweegbrengen van schade die verdachte bewust heeft aanvaard toen hij met anderen de bom vervaardigde en afsprak dat deze 's-nachts tot ontploffing zou worden gebracht.

8. Verder stelt het middel dat het Hof art. 48 lid 1 Sr verkeerd heeft toegepast, door in de bewezenverklaring de woorden "en opzettelijk behulpzaam is geweest" op te nemen.

9. Aan verzoeker is als meest subsidiair feit ten laste gelegd dat hij "tot en/of bij het plegen" van het misdrijf "op of omstreeks 31 december 1998 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid en/of (een) middel (en) heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door te assisteren bij de vervaardiging van voormelde vuurwerkbom."

10. Daarvan heeft het Hof, zoals hierboven is weergegeven, bewezenverklaard dat verdachte "bij het plegen" van het misdrijf opzettelijk middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door te assisteren bij de vervaardiging van voormelde vuurwerkbom.

11. Ik heb de indruk dat het Hof hier even het spoor bijster is geraakt. Art. 48 Sr bevat twee vormen van medeplichtigheid. Behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf wordt ook wel als gelijktijdige of simultane medeplichtigheid aangeduid. Het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf gaat aan het misdrijf vooraf en wordt ook wel consecutieve medeplichtigheid genoemd(vgl. De Hullu, Materieel Strafrecht, p. 465 en Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 48 Sr, aant. 12). Ook als met De Hullu (p.466) wordt aangenomen dat er een vloeiende overgang bestaat tussen voorafgaande en gelijktijdige medeplichtigheid, gaat het mijns inziens te ver om, zoals het Hof in de bewezenverklaring in feite doet, aan het onderscheid geen enkele betekenis toe te kennen en iedere vorm van medeplichtigheid tot ook als behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf te beschouwen.

12. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de middag van 31 december 1998 samen met anderen de in de nacht van 1 januari 1999 tot ontploffing gebrachte vuurwerkbom heeft vervaardigd. Dit is in de bewezenverklaring terecht omschreven als "tezamen en in vereniging met anderen middelen heeft verschaft door te assisteren bij het vervaardigen van voormelde vuurwerkbom". Mijns inziens heeft het Hof echter ten onrechte dit handelen in de bewezenverklaring opgenomen als "bij het plegen van welk misdrijf verdachte (...) middelen heeft verschaft". De Hoge Raad zou dit kunnen herstellen als een kennelijke misslag in de bewezenverklaring door in plaats van "bij het plegen" te lezen "tot het plegen". Verder zou de bewezenverklaring voor zover daarin het assisteren bij het vervaardigen van de bom ten onrechte als "behulpzaam is geweest bij het misdrijf" is omschreven, verbeterd kunnen worden gelezen door daaruit de woorden "en behulpzaam is geweest" te schrappen.

13. Na verbeterde lezing op de door mij voorgestelde wijze mist het tweede onderdeel van het middel feitelijke grondslag.

14. Het middel is derhalve in beide onderdelen ongegrond.

15. Ook overigens geen gronden voor cassatie aanwezig achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,