Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4366

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
02777/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4366
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 130

Conclusie

Nr. 02777/00

Mr Machielse

Zitting: 18 september 2001

(bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is op 22 december 1997 door de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Alkmaar - voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - veroordeeld wegens 3. "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994". Aan verzoeker is daarbij een geheel voorwaardelijke geldboete opgelegd van ƒ 400,= subsidiair 8 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over een schending van art.6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn, zowel bij de behandeling van verzoekers zaak in zijn geheel als bij de behandeling van het cassatieberoep.

3.1. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang.

Verzoeker heeft - naar ook in cassatie onbestreden is gebleven - op 26 januari 1997 (onder meer) zonder geldig rijbewijs een auto bestuurd (feit 3). Vervolgens is verzoeker voor in totaal drie feiten gedagvaard om op de zitting van 30 mei 1997 voor de politierechter te verschijnen. Op die zitting, alwaar verzoeker blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is verschenen, is de zitting op verzoek van de verdediging voor bepaalde tijd geschorst tot 4 september 1997. Op deze tweede zitting is verzoeker blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet verschenen en heeft de verdediging aldaar wederom om aanhouding verzocht, waarin de politierechter heeft toegestemd, door wederom een schorsing voor bepaalde tijd uit te spreken tot 22 december 1997. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is verzoeker op deze datum wederom niet verschenen, waarna de politierechter, na sluiting van het onderzoek ter zitting, het hiervoor onder 1. deels weergegeven mondeling vonnis heeft gewezen. Blijkens de zich bij de gedingstukken bevindende "akte rechtsmiddel" heeft vervolgens op 30 december 1997 de advocaat die voor verzoeker ter terechtzitting van de politierechter optrad "beroep" ingesteld tegen dat eindvonnis van de rechtbank, waarbij verzoeker tevens nog is veroordeeld wegens twee misdrijven.

Op de zitting van het hof van 23 maart 1999 heeft de voorzitter blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal ambtshalve het onderzoek ter zitting geschorst voor onbepaalde tijd wegens een gebrek in de tijdige uitreiking van verzoekers dagvaarding. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van het hof van 31 augustus 1999 is aldaar noch verzoeker noch een raadsman verschenen en heeft de voorzitter uiteindelijk het onderzoek ter zitting gesloten. Bij zijn arrest van 14 september 1999 heeft het hof het aldaar dienende hoger beroep van verzoeker, voorzover betrekking hebbende op de onder 3. tenlastegelegde overtreding, geconverteerd in beroep in cassatie.

Uit een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel blijkt dat de stukken op 28 juli 2000 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen. Voorts is de eerste behandeling van verzoekers zaak door de Hoge Raad vastgesteld op 4 september 2001.

3.2. Uit het hiervoor weergegevene volgt dat tussen de datum waarop het hof het beroep in beroep in cassatie heeft geconverteerd en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad tieneneenhalve maand zijn verstreken, waardoor de behandeling door de Hoge Raad bijna twee jaar na die conversiebeslissing heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen. Voorzover het middel erover klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art.6 EVRM in de cassatiefase is geschonden, is het dus terecht voorgesteld nu de in dit opzicht fatale achtmaandengrens is overschreden (HR NJ 2000, 721, m.nt. JdH.).

3.3. Vervolgens rijst de vraag of art. 6 EVRM ook is geschonden gelet op de totale duur van de behandeling van verzoekers zaak. De steller van het middel beroept zich daartoe in het bijzonder op de omstandigheid dat de "vertragingsfactor die voortvloeit uit de 'omweg' via het Gerechtshof niet voor rekening van verzoeker kan komen" nu namens verzoeker " beroep" is aangetekend tegen het vonnis in eerste aanleg, welk beroep de griffier van de rechtbank had moeten verstaan als "cassatieberoep".

3.4. Ik lees hierin dat de steller van het middel meent, dat namens verzoeker het verkeerde rechtsmiddel is ingesteld, dat vervolgens ter griffie geconverteerd diende te worden. Dit is juist.(1) De opvatting evenwel, waarop het middel daaraan voorafgaand berust, dat bij de beoordeling van de redelijke termijn het tijdsverloop tussen het instellen van een verkeerd rechtsmiddel door of namens verdachte en het wijzen van een conversiebeslissing behoort te worden meegerekend als zijnde niet aan de verdachte zelf toe te rekenen vertraging, is onjuist.(2)

3.5. Ambtshalve merk ik evenwel op dat in dit opzicht nog een andere omstandigheid op de achtergrond een rol speelt die de beoordeling van de onderhavige rechtsvraag naar mijn inzicht enigszins genuanceerder maakt. Dit betreft de omstandigheid dat de politierechter in het vonnis a quo de advocaat van de niet verschenen verdachte er - zonder meer - van in kennis heeft gesteld "dat verdachte binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis". Deze vermelding is onjuist voorzover deze mededeling mede betrekking heeft op de onder 3. bewezenverklaarde overtreding nu daartegen slechts beroep in cassatie heeft opengestaan.(3) Mijn ambtgenoot A-G Wortel concludeerde vóór HR 20 maart 2001, gr.nr. 02414/00 (ongepubliceerd) het volgende: "De vertraging die optreedt door het instellen van het verkeerde rechtsmiddel dient te worden toegerekend aan degene door of namens wie die procedurefout is gemaakt". Deze gedachtegang onderschrijf ik. In deze is, behalve namens verzoeker, kritisch beschouwd eveneens een "procedurefout" gemaakt door de politierechter en nadien door de griffie. De processuele beginselen alsook de rechtvaardigheid nemen daarom in mijn visie mee, dat de vertraging welke te dezen is ontstaan mede voor rekening van justitie dient te komen.

Anderzijds acht ik tevens van belang dat de politierechter ten behoeve van de verdediging tot twee maal toe de zaak heeft aangehouden nadat verzoeker op 30 mei 1997 ter terechtzitting was verschenen. Verzoeker is ondanks aanzegging van de rechtsdag waarop de zaak voor het eerst weer zou dienen en, toen de behandeling op 4 september 1997 opnieuw voor bepaalde tijd werd aangehouden, ondanks een uitreiking in persoon van de oproeping voor de zitting van 22 december 1997 tot tweemaal toe niet meer verschenen. Een deel van de vertraging die is ontstaan door het instellen van het verkeerde rechtsmiddel zal dus naar mijn mening voor rekening van justitie dienen te komen

3.6. Deels op ambtshalve gronden meen ik dus dat het middel terecht is voorgesteld voor zover het inhoudt dat de redelijke termijn is overschreden. De vraag die zich nu opwerpt is welk rechtsgevolg hieraan moet worden verbonden.

3.7. Een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, behoudens bijzondere gevallen, tot strafvermindering te leiden.(4) Tussen het betekenen van de inleidende dagvaarding en de conversiebeslissing van het Gerechtshof ligt een periode van iets meer dan twee jaren en vijf maanden. Ook al zou een deel van dit tijdsverloop voor rekening van justitie dienen te komen dan nog is mijns inziens de redelijke termijn tot het arrest van het hof niet overschreden. Wel is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden doordat de stukken door het hof te laat zijn ingezonden; ik meen dat er geen onderscheid is te maken tussen de situatie waarin het hof zelf een eindarrest wijst en de situatie waarin het hof tot conversie van het ingestelde rechtsmiddel komt. De vraag die nu beantwoording verdient is of toch niet het totale tijdsverloop dat met de zaak gemoeid is zodanig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan.

Ik beantwoord die vraag ontkennend en heb mij daarin laten inspireren door HR 7 december 1999, nr. 111.212. In die zaak ging het om een berechting van verkeersovertredingen. Verdachte was door de kantonrechter veroordeeld, ging in hoger beroep en uiteindelijk in cassatie. De Hoge Raad overwoog naar aanleiding van de vraag of de redelijke termijn niet was overschreden:

3.4. Voorzover het middel de klacht bevat dat, de totale duur van de behandeling van de zaak in aanmerking genomen, het recht op behandeling binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM, is geschonden verdient het volgende opmerking. De aan de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van 6 juni 1995 van de Kantonrechter te Den Helder gehechte akte van uitreiking houdt in dat deze op 1 mei 1995 aan de verdachte in persoon is uitgereikt. De Hoge Raad beschouwt die dag als het beginpunt van de op redelijkheid te beoordelen termijn. In aanmerking genomen dat de stukken van het geding niets inhouden waaruit een ernstig vermoeden voortvloeit van enig bijzonder belang van de verdachte op grond waarvan in het onderhavige geval anders zou moeten worden geoordeeld brengt het tijdsverloop van ruim vier en een half jaar tussen de datum waarop de dagvaarding is uitgereikt en die van het in deze zaak in cassatie te wijzen arrest niet mee, behoudens hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen (AM; overschrijding in cassatiefase doordat de stukken eerst negen maanden en twee weken na het instellen van het cassatieberoep bij de Hoge Raad zijn ontvangen), dat het recht van de verdachte, die gedurende die periode niet in voorlopige hechtenis verkeerde, op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Het middel faalt in zoverre.

In de onderhavige zaak laat het zich aanzien dat ook tussen de betekening van de inleidende dagvaarding en het door de Hoge Raad te wijzen arrest ruim viereneenhalf jaar zal verstrijken. Weliswaar zijn in eerdergenoemde zaak drie rechterlijke instanties ten gronde in de zaak gemoeid geweest, maar in wezen doet zich hetzelfde in de onderhavige zaak voor. Als een niet onbelangrijk deel van het tijdsverloop sinds het betekenen van de inleidende dagvaarding voor rekening van verzoeker komt, die een verkeerd rechtsmiddel heeft doen instellen, zie ik niet in waarom in deze zaak niet met strafvermindering zou kunnen worden volstaan. Als de helft van het tijdsverloop tussen het instellen van het verkeerde rechtsmiddel en de conversiebeslissing van het hof voor rekening van verzoeker moet blijven zou dat betekenen dat van de behandeling van de zaak tot en met cassatie drieëneenhalf jaar op het conto van justitie kan worden geschreven. Dat is voor een behandeling in drie instanties zeker niet overdreven lang, ook al heeft een der instanties enkel het ingestelde rechtsmiddel geconverteerd. Ik kom tot de slotsom dat de redelijke termijn is overschreden maar niet zodanig dat zulks moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3.8. Het middel is dus gedeeltelijk gegrond.

4. Nu ik ambtshalve geen andere gronden tot cassatie heb aangetroffen, strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad de straf zal verminderen

1 Zie voor het converteren van "beroep" in hoger beroep en beroep in cassatie door de Hoge Raad HR 19 juni 2001, gr.nr. 02990/00 B (ongepubliceerd) en DD 93.444.

2 HR NJ 1991, 753; HR 20 maart 2001, gr.nr. 02414/00 (ongepubliceerd).

3 Zie bijvoorbeeld HR NJ 1996, 700 en HR NJ 1989, 88.

4 Zie ook Cassatie in strafzaken, 4e druk, bewerkt door mijn ambtgenoot Van Dorst, p. 172-181, in het bijzonder p. 174-176.