Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4336

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
02104/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4336
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 68
Wetboek van Strafvordering 261
Wetboek van Strafvordering 313
Wetboek van Strafvordering 314a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02104/00

Mr Jörg

Zitting: 25 september 2001

Conclusie inzake

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 11 februari 2000 door het gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" (feit 1), "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" (feit 2A), "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" (feit 4) en "mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot" (feit 5), veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren.

2. Namens verzoeker hebben mr. S.T. van Berge Henegouwen en mr. M.M.H. Zuketto, advocaten te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak bij de Hoge Raad bekend onder griffienummer 02104/00. In de laatste zaak wordt heden eveneens een conclusie genomen.

3. Het middel is gericht op de verwerping van het verweer dat is gevoerd ten aanzien van een voor feit 5 (mishandeling echtgenote) toegestane wijziging van de tenlastelegging.

4. In de bestreden uitspraak heeft het hof met betrekking tot het bedoelde verweer het volgende overwogen:

"Bij inleidende dagvaarding heeft de officier van justitie de verdachte een achttal feiten tenlastegelegd. Voor een omschrijving van deze feiten heeft de officier van justitie op de voet van het bepaalde in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met de omschrijving die in het laatste bevel gevangenhouding is gegeven. De officier van justitie heeft vervolgens een vordering "nadere omschrijving" als bedoeld in artikel 314a van genoemd wetboek ingediend. Daarna heeft de officier van justitie nog een tweede vordering "wijziging tenlastelegging" op de voet van het bepaalde in artikel 313 van genoemd wetboek ingediend. De rechtbank heeft beide vorderingen toegewezen.

Door in de nadere omschrijving tenlastelegging plotseling en voor het eerst op de proppen te komen met de verdenkingen van de mishandelingen door de verdachte van zijn echtgenote (feit 5) en de bedreiging van [slachtoffer] (feit 6), heeft de officier van justitie volgens de verdediging de tenlastelegging uitgebreid met andere feiten terwijl elk verband tussen die feiten en de in de voorlopige tenlastelegging opgenomen feiten, ontbreekt. Een dergelijke wijziging c.q. uitbreiding van de voorlopige tenlastelegging is volgens de verdediging niet toegestaan. De verdediging wijst op HR 24 maart 1998, NJ 1998, 535 en HR 20 oktober 1998, NJ 1999, 52).

Uit de laatstgenoemde arresten blijkt dat wijziging van de voorlopige tenlastelegging ingevolge het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering welke bestaat uit een uitbreiding daarvan met andere feiten slechts dan niet toelaatbaar is indien elk verband tussen de feiten die overeenkomstig het bevel gevangenhouding zijn opgenomen in de voorlopige tenlastelegging en die in de gewijzigde tenlastelegging ontbreekt.

In het in de inleidende dagvaarding onder 8 tenlastegelegde wordt de verdachte beschuldigd van deelneming aan een organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, zoals het uitoefenen van geweld tegen personen (afpersing en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving).

(...)

Het onder 5 tenlastegelegde betreft weliswaar een geweldshandeling doch elk verband met enig in de inleidende dagvaarding onder 8 tenlastegelegde feit ontbreekt. Het betreft hier een gebeurtenis die los staat van hetgeen de verdachte in de inleidende dagvaarding wordt verweten. Niettemin is begrijpelijk waarom het openbaar ministerie dit feit in de nadere omschrijving van de tenlastelegging heeft opgenomen. Het betrof een relatief eenvoudige zaak die zonder dat een reëel gevaar bestond dat daardoor verdedigingsbelangen in het gedrang zouden komen, bij het onderzoek ter terechtzitting kon worden meegenomen. De echtgenote van de verdachte was immers in het opsporingsonderzoek reeds als getuige gehoord inzake het thans onder 4 tenlastegelegde feit.

Het betreft hier geen ernstig verzuim. Gesteld noch gebleken is dat door dit verzuim aan de mogelijkheden tot verdediging nadeel is toegebracht. De echtgenote is door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Zij was ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2000 aanwezig. Desgevraagd vond de verdediging het niet nodig de echtgenote door het hof als getuige te doen horen. Gelet op het vorenstaande dient naar 's hofs oordeel de ongeoorloofde uitbreiding van de tenlastelegging door daarin het onder 5 tenlastegelegde feit op te nemen zonder rechtsgevolg te blijven."

5. Voorop moet worden gesteld dat het hof in de bestreden overwegingen vaststelt dat ten aanzien van feit 5 sprake is van een ongeoorloofde uitbreiding van de tenlastelegging. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdediging, ondanks dat sprake is van een ernstig verzuim, geen nadeel heeft ondervonden.

6. In hoger beroep is de kwestie van de door de rechtbank toegestane aanvulling van de tenlastelegging met feit 5 eerst aan de orde geweest op de zitting van het hof van 28 januari 2000. De raadsman heeft toen een en ander middels een pleitnota naar voren gebracht. Op geen enkel moment heeft de raadsman of verzoeker aangevoerd dat er onvoldoende mogelijkheden van verdediging zijn geweest.

7. Anders dan in het middel, in navolging van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, naar voren wordt gebracht ligt aan art. 314a Sv met de verwijzing naar art. 314 Sv eerder het waarborgen van de verdedigingsrechten ten grondslag dan het weloverwogen kunnen nemen van de vervolgingsbeslissing. (zie Melai c.s., losbladig commentaar Sr, art. 314, aant. 2, suppl. 69). Het hof heeft vastgesteld dat aan de mogelijkheden tot verdediging geen nadeel is toegebracht door de handelwijze van het openbaar ministerie. Dit vindt bevestiging in de pleitnota overgelegd in hoger beroep en de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep, welke in geen enkel opzicht iets inhouden omtrent een beroep op benadeling van de verdediging. Overigens dient in dit verband nog te worden gewezen op HR 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1235. Uit het laatste arrest kan worden afgeleid dat een eventueel niet naleven van het voorschrift van art. 314, tweede lid, Sv - schorsing na wijziging van de tenlastelegging - door een behandeling in hoger beroep dusdanig wordt ondervangen, dat de verdachte geacht kan worden niet in zijn belangen te zijn geschaad.

8. 's Hofs overwegingen ten aanzien van het als feit 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit zijn dan ook in geen enkel opzicht onbegrijpelijk. De overwegingen getuigen evenmin van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de betekenis van de artikelen 313 tot en met 314a Sv. Het middel faalt derhalve.

9. Tot slot bevat de schriftuur nog een opmerking van de zijde van de stellers van het middel omtrent de door het hof gebezigde overwegingen aangaande het gevoerde verweer met betrekking tot de "onvolledige infiltratie". Nu deze opmerking slechts een waardering van 's hofs overwegingen bevat en geen inhoudelijke klacht, behoeft de opmerking geen bespreking.

10. Het middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG