Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4322

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
06-11-2001
Zaaknummer
02008/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4322
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 662
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02008/99

Mr Wortel

Zitting: 11 september 2001

Conclusie inzake:

[Verzoekster=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoekster is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 'medeplegen van smaad' veroordeeld tot één maand voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van twee jaren.

2. Door of namens verzoekster zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ambtshalve vraag ik de aandacht voor het volgende.

4. Ten laste van verzoekster is bewezen verklaard dat zij:

"in de periode van 7 oktober 1996 tot 15 oktober 1996 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk de eer en/of de goede naam van [betrokkene A] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben zij, verdachte, en haar mededader met voormeld doel aan [betrokkene B], hoofd studierichting FLP op de Hogeschool te Eindhoven, alwaar [betrokkene A] werkzaam is -zakelijk weergegeven- schriftelijk medegedeeld dat [betrokkene A] vrouwen mishandelt en/of bedreigt en/of overlast aandoet op straat."

5. De 'smaad' waarop art. 261 Sr doelt vereist dat iemands eer of goede naam wordt aangerand door de telastlegging (beschuldiging) van een bepaald feit, met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. In art. 367 van de Code Pénal, de voorloper van art. 261 Sr, werd dat uitgedrukt met 'fait précis'. De vraag doet zich voor of de in de tenlastelegging opgenomen woorden "dat [betrokkene A] vrouwen mishandelt en/of bedreigt en/of overlast aandoet op straat" de beschuldiging van zo een bepaald feit vormen. Indien dat niet het geval is, heeft het Hof de dagvaarding ten onrechte (inhoudelijk) geldig geacht.

6. Vooropgesteld zal moeten worden dat de eis betreffende de bepaaldheid van het feit waarvan iemand smadelijk wordt beschuldigd niet hetzelfde inhoudt als de eisen die in art. 261 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld aan een door het openbaar ministerie uit te brengen tenlastelegging. Dit ligt voor de hand. Een tenlastelegging dient zodanig te zijn ingericht dat de verdachte (de door het openbaar ministerie beschuldigde) zich in alle opzichten doeltreffend kan verweren. De smadelijke uitlating ontleent haar strafbare karakter (uitgaande boven eenvoudige belediging) aan de mate waarin de beschuldiging door degene die haar onder ogen krijgt ernstig genomen zal worden. Door te verlangen dat de beschuldiging een bepaald feit betreft heeft de wetgever zich kennelijk laten leiden door de gedachte dat een vage beschuldiging, die niet verder gaat dan het aan iemand toedichten van kwalijke eigenschappen of, in algemene zin, een dubieuze levenswandel, in de regel niet voldoende serieus genomen zal worden om een verdergaande strafbaarheid te doen ontstaan dan (mogelijk) wegens (enkelvoudige) belediging.

7. In de literatuur is wel het standpunt ingenomen dat de smadelijke uitlating, om als zodanig strafbaar te zijn, moet omvatten wanneer en waar de beschuldigde zich zou hebben misdragen, vgl. A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, p. 86, noten 18 en 19. Die eis stelt de Hoge Raad niet; het vereiste van bepaaldheid gaat niet verder dan dat het verwerpelijke feit in de beschuldiging is omschreven als een duidelijk te onderkennen, concrete gedraging, vgl. HR NJ 1937, 1022 en (impliciet) HR NJ 1993, 145. In Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 1a bij art. 261 (suppl. 98) is hieromtrent opgemerkt dat de als 'smaad' aan te merken uitlating niet alleen moet inhouden aan welke soort van gedraging de beschuldigde persoon zich te buiten zou zijn gegaan, maar ook welke bepaalde daad van die soort het betreft. Indien degene die de smadelijke uitlating doet daarbij vermeldt op welk tijdstip en op welke plaats de misdraging zou zijn begaan zal des te eerder vastgesteld kunnen worden dat de beschuldiging een bepaald feit betreft, maar zonder die vermelding behoeft die bepaaldheid niet noodzakelijk te ontbreken.

8. Een aan derden kenbaar gemaakte beschuldiging voldoet in ieder geval niet aan de eis van bepaaldheid als daarin alleen gewag wordt gemaakt van een ongunstige karaktereigenschap, zeker indien die niet in verband worden gebracht met strafbaar gedrag. Te wijzen valt op HR NJ 1990, 276: geen smaad door het in een bushokje bevestigen van de mededeling dat een bepaald persoon (ex-vriendin) "te verleiden zou zijn met een zak drop".

Ook in een geval waarin de tenlastelegging de smadelijke geschriften aldus omschreef dat daarin werd verwezen naar ten dele strafbare gedragingen ("waarin hij, verdachte - zakelijk weergegeven X van oplichterij en/of van diefstal en of van hoererij en/of van het overdragen van een geslachtsziekte heeft beschuldigd of verweten") oordeelde de Hoge Raad dat er geen 'bepaalde feiten' in de zin van art. 261 Sr waren omschreven, HR DD 91.149.

9. Nu zou men kunnen opmerken dat degene die een ander van oplichterij beschuldigt, daarmee te kennen geeft over aanwijzingen te beschikken dat de beschuldigde zulke strafbare feiten inderdaad heeft begaan. In het dagelijks taalgebruik heeft de mededeling "hij is een oplichter" nauwelijks een andere betekenis dan "hij heeft mensen opgelicht". Dat is in deze context van belang. De eis van voldoende bepaaldheid in de als smaad aan te merken beschuldiging staat immers in verband met de vraag of degene die de beschuldiging onder ogen krijgt daaruit zal kunnen opmaken dat de beschuldigde zich daadwerkelijk ernstig heeft misdragen, en de alledaagse betekenis van woorden moet uitwijzen of die indruk kan ontstaan. "Hij is een oplichter" zal spoedig aldus worden begrepen dat degene die de mededeling doet meent te weten dat de beschuldigde in het verleden oplichtingshandelingen heeft verricht. De grens tussen het (niet als strafbare smaad aan te merken) aan iemand toedichten van een kwalijke instelling en het (indien overigens is voldaan aan de in art. 261 Sr besloten eisen wèl strafbare smaad opleverende) suggeren dat iemand zich in het verleden aan bepaalde misdragingen heeft bezondigd kan naar mijn inzicht een betrekkelijk vage blijken te zijn.

10. Het komt mij daarom redelijk voor de in art. 261 Sr besloten eis van bepaaldheid in de beschuldiging aldus op te vatten dat de smadelijke uitlatingen, naar algemeen taalgebruik, met voldoende duidelijkheid de suggestie moeten wekken dat de beschuldigde een of meer misdragingen heeft begaan van een bepaalde soort, die ernstig te nemen delicten opleveren of in ieder geval zijn aan te merken als in aanmerkelijke mate onrechtmatig of in strijd met fatsoensnormen, zonder dat daarbij nog wordt verlangd dat de beschuldiging die misdragingen nader preciseert. Een nadere aanduiding van de wijze waarop, de gelegenheid waarbij, of de persoon jegens wie een misdraging is begaan zal in de regel meebrengen dat de suggestie nog ernstiger wordt genomen; dat daaraan méér of eerder betekenis wordt toegekend. Ook zonder een dergelijke precisering kan de suggestie dat iemand ernstig strafbaar of hoogst onfatsoenlijk gedrag heeft vertoond evenwel het beschadigend effect hebben waartegen art. 261 Sr beoogt te beschermen, en waardoor het in deze bepaling bedoelde gedrag zich onderscheidt van eenvoudige belediging.

11. Wellicht geeft het bovengenoemde HR NJ 1993, 145 een aanwijzing dat de Hoge Raad dit een juiste benadering acht. Ik geef mij er rekenschap van dat er (ook) in die zaak geen middelen waren voorgesteld, en dat er ambtshalve om een heel andere reden is vernietigd. Niettemin heeft de Hoge Raad in die zaak geen aanleiding gevonden zich uit te laten over de toereikendheid van de tenlastelegging, ofschoon ook daarin de als 'smaad' aangemerkte uitlatingen waren omschreven als de in algemene bewoordingen gegoten beschuldiging dat een bepaalde persoon "gestolen goederen (gereedschappen) kocht, terwijl hij wist, althans behoorde te weten, dat deze goederen van diefstal afkomstig waren".

12. Dit voert mij tot het oordeel dat het Hof zonder miskenning van het recht kon oordelen dat de in de tenlastelegging opgenomen woorden "dat [betrokkene A] vrouwen mishandelt en/of bedreigt en/of overlast aandoet op straat" een toereikende omschrijving van de 'telastlegging van een bepaald feit', als bedoeld in art. 261 Sr, vormen, en dat het Hof het bewezenverklaarde terecht uit hoofde van die strafbaarstelling strafbaar heeft verklaard.

13. Ook overigens vond ik geen redenen waarom de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,