Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4316

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
01802/01 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4316
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01802/01/U

Mr. Jörg

Zitting 2 oktober 2001

Conclusie inzake:

(Bij vervroeging)

[de opgeëiste persoon]

1. De arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 11 juni 2001 de vervolgingsuitlevering van verzoeker aan Duitsland toelaatbaar verklaard ter zake van feiten zoals omschreven in het Haftbefehl van 11 september 1998 van het Ambtsgericht Dortmund.

2. Namens verzoeker heeft mr. T. Arkesteijn, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het ter zitting gevoerde onschuldverweer.

4. Blijkens de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het in het middel bedoelde onschuldverweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van [de opgeëiste persoon] heeft primair aangevoerd, dat [de opgeëiste persoon] onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor uitlevering is gevraagd.

De rechtbank is van oordeel, dat dit verweer dient te worden verworpen. Uit de door de raadsman overgelegde kopieën van stukken (Potvrda's) en de vertaling ervan, noch uit hetgeen door [de opgeëiste persoon] en zijn raadsman ter terechtzitting is aangevoerd, kan onverwijld de conclusie worden getrokken, dat [de opgeëiste persoon] niet schuldig kan zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd."

5. Anders dan de steller van het middel meent, getuigt het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet onverwijld zijn onschuld heeft aangetoond niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde het - ook in het licht van de door de verdediging overgelegde stukken - geen nadere motivering. Die stukken houden weliswaar in dat de opgeëiste persoon op de data waarop de in het Haftbefehl genoemde feiten zouden zijn begaan in dienst was bij het Joegoslavische leger en dat hij werkzaam is geweest bij de "Gornji Ibar", maar dat sluit de mogelijkheid niet uit dat verzoeker op de desbetreffende data in Duitsland is geweest. Het document betreffende het Joegoslavische leger waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon van 4 januari 1996 tot 15 september 1997 verbonden was in een reservegroep van het leger als marconist-verbindingsman maakt niet duidelijk of de opgeëiste persoon toen in actieve dienst is geweest dan wel als reservist oproepbaar was, terwijl - zo de opgeëiste persoon daadwerkelijk militaire dienst vervulde - onaannemelijk is dat hij zonder enige onderbreking ruim 21 maanden het militaire marconistenvak heeft uitgeoefend, waarbij ik er nog op wil wijzen dat het in militaire kringen niet ongebruikelijk is om ook verlof als een vorm van militaire dienst te beschouwen. Kortom de Potvrda van kapitein der 1e klasse [betrokkene 8] is een weinigzeggende stuk. De weinigzeggendheid ervan blijkt ook uit het (andere) document aangaande de arbeidsbetrekking, omdat - gelet op de met de hand op dit document geplaatste aantekeningen - de opgeëiste persoon van 3 januari 1996 tot 4 april 1997 bij de "Gornji Ibar" heeft gewerkt. Dat maakt het waarschijnlijk dat de opgeëiste persoon niet in diezelfde periode in actieve militaire dienst is geweest bij [betrokkene 8]. Tenslotte vermeldt het dienstbetrekkingsdocument dat de opgeëiste persoon met onderbrekingen in die periode bij "Gorni Ibar" heeft gewerkt. Al met al roepen de Potvrda's meer vragen op dan zij beantwoorden.

6. Voor zover het middel erover klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [de opgeëiste persoon] zijn onschuld niet onverwijld heeft kunnen aantonen, faalt het dus.

7. Voorts klaagt het middel over de afwijzing van het - in het kader van voornoemd onschuldverweer gedane - verzoek tot het horen van getuigen.

8. Omtrent een - blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank gehechte pleitnota -door de raadsman van de opgeëiste persoon ter zitting gedaan verzoek "de behandeling aan te houden en o.a. de voormalig werkgever van cliënt als getuige te (doen) horen", heeft de rechtbank overwogen en beslist als volgt:

"Het door de raadsman gedane (subsidiaire) verzoek de opstellers van bedoelde Potvrda's (vertaald met: bevestigingen, NJ), alsmede [de opgeëiste persoon]'s voormalige werkgever ter terechtzitting als getuige te horen dient naar het oordeel van de rechtbank plaats te vinden ter gelegenheid van de behandeling van de strafzaak zelf. Het door de raadsman gedane verzoek bedoelde getuigen te horen, dient te worden afgewezen, aangezien dit verzoek niet te verenigen is met het vereiste dat de opgeëiste persoon zijn onschuld onverwijld aantoont. Desgewenst kan het verzoek worden gedaan tijdens de behandeling van de strafzaak zelf in Duitsland."

9. Vooropgesteld zij dat een onschuldbewering ingevolge art. 28, tweede en vierde lid, en art. 26, derde lid, Uitleveringswet alleen op gaat als de rechtbank onverwijld - dus zonder onderzoek vergelijkbaar met dat in een strafgeding zelf - tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld (vgl. HR 15 december 1998, NJ 1999, 206).

10. Nu de aard van het verzoek tot het aanhouden van de behandeling van de zaak en tot het horen van getuigen in het licht van de inhoud van de boven besproken Potvrda's het doen van een zodanig uitgebreid onderzoek door de rechtbank verlangt, dat dit vergelijkbaar is met een onderzoek in het strafgeding, getuigt voornoemd oordeel van de rechtbank tot afwijzing van meergenoemd verzoek - anders dan de steller van het middel meent - niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde dit evenmin nadere motivering. Ingeval van een onschuldbewering kán de rechtbank daartoe getuigen horen, doch is daartoe niet gehouden (vgl. HR 28 mei 1985, NJ 1985, 892).

11. Het eerste middel faalt dus in beide onderdelen.

12. Het tweede middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het ter zitting gevoerde verweer dat de stukken niet genoegzaam zijn nu de Duitse toepasselijke pogingsbepalingen met betrekking tot de roof niet zijn overgelegd.

13. Omtrent het in het middel bedoelde verweer heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak overwogen en beslist als volgt:

"De raadsman van [de opgeëiste persoon] heeft voorts terecht aangevoerd, dat de tekst van de Duitse wettelijke pogingsbepalingen met betrekking tot roof niet zijn opgenomen.

Het is de rechtbank echter ambtshalve bekend, dat poging tot zware mishandeling en poging tot - kort gezegd - diefstal met geweld en afpersing ook naar Duits recht strafbaar zijn."

14. Aangevoerd wordt dat het verweer ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd is verworpen, aangezien de rechtbank - in strijd met de ratio van art. 12, tweede lid onder c, van het Europees uitleveringsverdrag (EUV) - zonder de toepasselijke Duitse pogingsbepalingen niet heeft kunnen nagaan of de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd voldoen aan de verdragsrechtelijke eis van dubbele strafbaarheid.

15. Anders dan de steller van het middel meent, kon de rechtbank ook zonder de Duitse pogingsbepalingen oordelen dat aan de verdragsrechtelijk eis van dubbele strafbaarheid is voldaan. De steller van het middel miskent dat het hier een zogenoemde accessoire uitlevering betreft (zie Keijzer, Handboek strafzaken 3, paragraaf 91.6.3).

16. De opgeëiste persoon wordt verdacht van - samengevat - 1. poging tot diefstal met geweld en zware mishandeling en 2. diefstal met geweld. Aan de hand van de overgelegde wetsbepalingen kan worden vastgesteld, dat naar de eis van art. 2, eerste lid, eerste volzin, j° tweede lid, van het Europees uitleveringsverdrag, op tenminste één der feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft - te weten het tweede feit 'diefstal met geweld' - in Duitsland een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van tenminste een jaar of met een zwaardere straf. Voor de poging tot zware mishandeling en poging tot diefstal met geweld en afpersing - ten aanzien waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat het haar ambtshalve bekend is dat deze feiten ook naar Duits recht strafbaar zijn - geldt, voor zover deze feiten niet zouden voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, art. 2, tweede lid, van genoemd verdrag.

17. Dat de rechtbank verzuimd zou hebben blijk te geven te hebben onderzocht of tenminste één der feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft voldoet aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, behoeft hoe dan ook niet tot cassatie te leiden nu de rechtbank de uitlevering dienaangaande terecht toelaatbaar heeft verklaard.

18. Het ontbreken van de Duitse pogingsbepalingen staat, gelet op het voorgaande, dus aan het aannemen van dubbele strafbaarheid en aan de toelaatbaarheid van de uitlevering van [de opgeëiste persoon] niet in de weg. Voor zover het middel uitgaat van een andere opvatting, faalt het dus.

19. Het derde middel klaagt over schending van art. 28, derde lid, van de Uitleveringswet nu de uitspraak niet de artikelen vermeld[t] krachtens welke de onderhavige feiten volgens Nederlands recht strafbaar zijn.

20. Het middel mist feitelijke grondslag nu op bladzijde 2 van de bestreden uitspraak onder het kopje "[t]oepasselijke verdragen en wetten" de artikelen 45, 47, 300, 302, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen.

21. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende motivering.

22. Ambtshalve merk ik tenslotte nog het volgende op. De rechtbank spreekt onder het kopje '[b]eslissing' van 'de Duitse autoriteiten' in plaats van 'de Bondsrepubliek Duitsland'. De Hoge Raad kan de beslissing verbeterd lezen.

23. Andere gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

24. Deze conclusie strekt ertoe dat het dictum van de bestreden uitspraak als voorgesteld verbeterd wordt gelezen en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG