Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4269

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
02252/00 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4269
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 463
NJ 2001, 534
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02252/00/A

Mr Machielse

Zitting: 13 maart 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij strafvonnis van 22 december 1999 is verzoeker door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba veroordeeld ter zake van 1. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren" en

2. "overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930" tot een gevangenisstraf van negen jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt erover dat het hof de onschuldpraesumptie als bedoeld in artikel 6, tweede lid van het EVRM heeft geschonden door met betrekking tot de op te leggen straf te overwegen dat verzoeker - naast de bewezenverklaarde feiten - zich ook schuldig heeft gemaakt aan uitlokking van meineed en bedreiging van een getuige en diens vader.

3.2. 's Hofs strafvonnis houdt met betrekking tot de op te leggen straf het volgende in:

"Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, acht het Hof met eenparigheid van stemmen de na te noemen beslissing passend.

Het Hof vindt in dit geval een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het Hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brutale overval op een toko waarin zich, naast de eigenaar, ook klanten bevonden, waaronder minderjarigen. Verdachte heeft daarbij tweemaal in de richting van personen geschoten en daarbij zelfs een persoon geraakt. De handelwijze van verdachte was levensbedreigend. Verdachte heeft niet geschroomd, teneinde de waarheid te verhullen, zijn concubine tot meineed aan te zetten. Evenmin heeft hij geschroomd een getuige van de overval en diens vader ernstig te bedreigen, andermaal met het kennelijke doel dat de waarheid, zijn betrokkenheid bij de onderhavige overval, niet boven water komt. Verdachte schermt voorts zijn mededader af. Tenslotte is hier sprake van recidive voor wat betreft de onderhavige delicten, te weten diefstal met geweld en vuurwapenbezit. Al met al is het Hof van oordeel dat hier een gevangenisstraf van tien jaar op zijn plaats is. Gelet echter op de lange duur van de berechting zal het Hof met het opleggen van negen jaar gevangenisstraf volstaan."

3.3. Het middel berust op de stelling dat feiten die niet tenlastegelegd en bewezenverklaard zijn, niet mogen worden meegewogen bij de strafoplegging, omdat de verdachte zich daar dan niet tegen heeft kunnen verdedigen. Die stelling vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht, zodat het middel in zoverre faalt.

Voor de vraag of een (niet telastegelegde) omstandigheid mag worden meegewogen in de bepaling van de strafmaat zijn naar mijn mening twee factoren van belang: 1. De betreffende omstandigheid moet tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake zijn gekomen.(1) 2. Indien die omstandigheid een zelfstandig strafbaar feit oplevert, geldt dit als een feit dat zich leent voor de zogenaamde ad-informandum afdoening waarvoor in de jurisprudentie van Uw Raad voorwaarden zijn geformuleerd (2) en die zijn gecodificeerd in artikel 412 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen.

3.4. Met betrekking tot de door het hof meegewogen bedreigingen blijkt überhaupt niets uit de stukken die zich bevinden in het dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden. De processen-verbaal van de diverse terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep houden evenmin in dat deze bedreigingen daar ter sprake zijn gebracht. Voor zover het middel erover klaagt dat verzoeker zich niet heeft kunnen verweren tegen dit verwijt, is het dan ook terecht voorgesteld.

4.1. Ambtshalve en naar aanleiding van het middel werp ik de vraag op of het door het hof meegewogen "aanzetten tot meineed" - met betrekking tot welk feit zich wel een proces-verbaal in het dossier bevindt dat ter terechtzitting in hoger beroep aan verzoeker is voorgehouden - door het hof in de strafmaatoverwegingen mocht worden betrokken.

4.2. Daarvoor is van belang dat het hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat (het enkele) aanzetten tot meineed niet een vorm van daderschap - in het bijzonder niet uitlokking - oplevert.

Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene] als verdachte van meineed door de politie houdt in dat zij heeft verklaard dat verdachte aan haar had gezegd dat zij getuige voor hem moest zijn, dat zij moest verklaren dat hij de dag van de beroving omstreeks 03.00 uur in de morgen thuis was gekomen en tot 07.20 uur in bed was samen met haar. Tegenover de rechter-commissaris heeft [betrokkene] nog verklaard dat zij instemde met hetgeen verzoeker vroeg omdat zij de partner van verzoeker is en bang voor hem is.

In aanmerking genomen dat voor uitlokking door middel van het verstrekken van inlichtingen in de zin van artikel 49, tweede lid SrNA nodig is dat die inlichting het feit makkelijker of mogelijk maakt en aldus aan de basis ligt van het begaan van het feit en de enkele mededeling van verdachte aan zijn concubine wat zij in haar verklaring tegenover de rechter zou moeten zeggen niet een zodanige inlichting oplevert, getuigt 's hofs oordeel dat het aanzetten tot meineed geen strafbaar feit oplevert niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk(3). Hetgeen het hof met betrekking tot het aanzetten tot meineed heeft overwogen moet derhalve kennelijk worden verstaan als een nadere uitwerking van het onderdeel "de persoon van de verdachte" (4).

5. Nu ik het middel deels gegrond acht, concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend voor wat de strafoplegging betreft en tot verwijzing naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 HR NJ 1988, 791

2 Zie o.a. HR 09-01-01, griffienummer 01751/00, HR NJ 1997, 322, HR NJ 1998, 697.

3 Vergelijk HR NJ 1940, 821, m.nt. W.P., HR NJ 1982, 339 r.o. 8.3 en HR NJ 1997, 585 r.o. 7.2.

4 Vergelijk HR NJ 1990, 657 en HR DD 90.146.