Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4032

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
26-11-2001
Zaaknummer
R99/205HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 680
NJ 2002, 25
RvdW 2001, 186
JWB 2001/326
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekest R99/205

mr. C.L. de Vries Lentsch-Kostense

Antilliaanse zaak

Zitting 7 september 2001

Conclusie inzake

Marielle Investments N.V.

tegen

1. ING Bank N.V.

2. ING Trust Antilles N.V.

Inleiding

1. In deze Antilliaanse zaak klaagt het eerste cassatiemiddel dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie ten onrechte, althans zonder enige motivering, het aanbod tot het leveren van getuigenbewijs van thans eiseres tot cassatie heeft gepasseerd. Daarbij komt aan de orde of ook naar Antilliaans procesrecht geldt dat de appèlrechter is gehouden in te gaan op een in hoger beroep gedaan - ter zake dienend en voldoende gespecificeerd - aanbod tot het leveren van getuigenbewijs, een vraag die, als ik het goed zie, niet eerder expliciet in cassatie is beslist. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het Gemeenschappelijk Hof heeft miskend dat de tussen thans eiseres tot cassatie en verweerster in cassatie sub 1 gesloten overeenkomst waarbij partijen elkaar finale kwijting verleenden, niet geldt in de verhouding tussen thans eiseres tot cassatie en verweerster in cassatie sub 2. Beide middelen moeten naar mijn oordeel slagen; voordat ik hierop nader inga, geef ik een kort overzicht van de feiten en het verloop van het geding.

2. Tussen partijen staat het volgende vast:

i) Thans eiseres tot cassatie, verder: Marielle, is een "offshore-vennootschap" die in 1987 door thans verweerster in cassatie sub 1, verder: ING Bank, is verkocht aan de Braziliaanse zakenman [...], verder: [betrokkene A]. ii)Thans verweerster in cassatie sub 2, verder: ING Trust, is van 1987 tot april 1995 enig statutair directeur van Marielle geweest. Op 20 oktober 1988/16 maart 1989 hebben Marielle en ING Trust een management agreement gesloten. [Betrokkene A] beschikte gedurende voornoemde jaren over een volledige volmacht.

iii) ING Bank heeft Marielle en [betrokkene A] geadviseerd en is behulpzaam geweest bij diverse transacties.

iv) Op 26 oktober 1994 hebben ING Bank en Marielle (namens Marielle tekende [betrokkene A]) een Unified Settlement Agreement, verder: USA, gesloten. Artikel 7.1 van de USA luidt als volgt:

"The completion of the payment by the BANK to MARIELLE shall constitute full and final settlement of all liabilities from both Parties in connection with the Transactions and the Obligations, and neither Parties will have further rights to procure or claim from the other any payment or right of any nature whatsoever."

Artikel 11 van de USA luidt als volgt:

"This agreement shall be governed by, construed and interpreted in accordance with the laws of the state of New York."

3. Marielle heeft in dit geding - kort samengevat - gevorderd:

- de nietigverklaring van de tussen Marielle en ING Bank gesloten USA wegens dwang, bedrog en/of dwaling;

- de veroordeling van ING Bank en ING Trust tot het doen van rekening en verantwoording, ieder voor zich;

- hoofdelijke veroordeling van ING Bank en ING Trust tot vergoeding van de schade die het gevolg is van het niet, althans niet op juiste wijze afdragen van renten en/of winsten uit diverse transacties, dan wel van het zonder instemming uitvoeren van bepaalde transacties.

Zij voerde daartoe - onder meer - het volgende aan. De USA is (ook naar het recht van de Staat New York) vernietigbaar wegens dwang (economic duress), dwaling en bedrog (con-cealment en fraud) nu ING Bank onjuiste informatie over de vermogenstoestand van Marielle heeft gegeven en/of informatie over die vermogenstoestand heeft achtergehouden, terwijl de desbetreffende juiste en volledige informatie voor Marielle van cruciaal belang was om te kunnen beoordelen of de USA een evenwichtige regeling inhield aangezien voor Marielle geen andere informatiebron beschikbaar was omdat ING Trust haar verplichtingen op het gebied van het voeren van de administratie had verzaakt. Van dwang is met name sprake omdat ING Bank het verschaffen van informatie afhankelijk stelde van de ondertekening door Marielle van de USA. ING Bank kan zich derhalve niet op de USA en de daarin overeengekomen finale kwijting beroepen. Zij is dan ook - evenals ING Trust - verplicht rekening en verantwoording af te leggen, opdat kan blijken of ING Bank en ING Trust uit wanprestatie en/of onrechtmatige daad jegens Marielle tot schadevergoeding zijn gehouden. Uit de gegevens die Marielle ten dienste staan, blijkt reeds thans dat ING Bank in de periode waarop de managementovereenkomst tussen Marielle en ING Trust betrekking had en waarin Marielle met ING bank een bankrelatie onderhield, aan Marielle (de door Marielle in dit geding reeds gevorderde) schade hebben berokkend door het onbevoegd verrichten van betalingen en het niet afdragen van ontvangen rente en het doen van riskante beleggingen.

4. ING Bank en ING Trust hebben verweer gevoerd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat zij uit hoofde van de USA ontslagen van al haar verplichtingen en derhalve ook van die tot het afleggen van rekening en verantwoording aangezien bij de USA een volledige afrekening tegen finale kwijting is overeengekomen. Zij hebben in dat verband betoogd dat de USA niet vernietigbaar is aangezien Marielle de USA in vrijheid is aangegaan, de informatievoorziening nooit afhankelijk is gesteld van Marielles accoord met de USA en er geen verkeerde voorstelling van de vermogenspositie van Marielle is gegeven. Zij hebben overigens nog aangevoerd dat de vernietigbaarheid beoordeeld moet worden naar het recht van de Staat New York.

5. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft de vorderingen van Marielle tegen ING Bank afgewezen. Het Gerecht overwoog daartoe dat Marielles vorderingen afstuiten op de USA aangezien partijen bij de ondertekening daarvan een volledige afrekening tegen finale kwijting zijn overeengekomen. Het Gerecht verwierp Marielles beroep op vernietigbaarheid van de USA. Het overwoog in dat verband - onder meer - dat de aard van een overeenkomst als de USA zich ertegen verzet dat een van beide partijen zich later op het ontbreken van de juiste informatie beroept, dat Marielles betoog dat haar bewust informatie werd onthouden niet geloofwaardig is nu het geen enkele twijfel lijdt dat Marielle op die informatie recht had zodat zij die - desnoods via een beroep op de rechter - zou hebben kunnen krijgen, en voorts dat evenmin aannemelijk is dat de ING Bank Marielle verkeerd heeft voorgelicht. Het Gerecht heeft de vorderingen van Marielle tegen ING Trust afgewezen met de overweging dat de aanspraak tegen ING Trust is afgeleid van de aanspraak tegen ING Bank, zodat de grond aan de aanspraak jegens ING Trust ontvalt nu de aanspraak jegens ING Bank wordt afgewezen.

6. Marielle heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend. Zij heeft bij haar memorie van grieven in het kader van haar in appèl gehandhaafde beroep op dwang, bedrog en/of dwaling, getuigenbewijs aangeboden van de aan dat beroep ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, met name door het horen van [betrokkene A] en de bij de diverse transacties betrokken medewerkers van ING Bank onder wie Wiegerinck, de accountmanager van [betrokkene A] bij ING Bank.

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft het bestreden vonnis bevestigd. Het Hof stelde voorop dat partijen elkaar met de USA over en weer finale kwijting hebben verleend voor alle transacties. Zonder in te gaan op Marielles aanbod tot het leveren van getuigenbewijs, oordeelde het Gemeenschappelijk Hof dat Marielles beroep op vernietigbaarheid van de USA terecht in eerste aanleg was verworpen. Het Hof overwoog in dat verband het volgende:

"4.6 (...) Op zichzelf is juist dat de vraag of de USA voor vernietiging in aanmerking komt dient te worden beoordeeld naar het recht van de Staat New York. Dat recht kent - min of meer met het Nederlands Antilliaanse recht vergelijkbare - vernietigingsgronden als dwang, dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden.

Het Hof kan uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en aan producties in het geding hebben gebracht niet opmaken dat ING Bank onjuiste informatie heeft gegeven en/of informatie over de vermogenstoestand van Marielle heeft achtergehouden. Het hof vermag ook niet in te zien hoe ING Bank Marielle min of meer gedwongen zou hebben om de USA te tekenen. Dat [betrokkene A], zoals Marielle stelt, de USA voor ondertekening nooit zou hebben gezien of bestudeerd acht het Hof zonder meer onwaarschijnlijk en zo zulks al wel het geval zou zijn geweest dan komt de omstandigheid dat Marielle haar handtekening onder de USA heeft geplaatst voor haar rekening en risico.

Noch dwang, noch bedrog, noch misbruik van omstandigheden is door Marielle aannemelijk gemaakt.

Dat geldt overigens ook het beroep op dwaling. Voorzover Marielle heeft gedwaald omtrent het bedrag dat Marielle van ING te vorderen had, kan zulks niet een beroep op dwaling dragen nu partijen, zo merken ING Bank en ING Trust terecht op, juist onzekerheden met betrekking tot het precieze bedrag hebben verdisconteerd in de oplossing van het geschil door middel van de USA."

Het Hof onderschreef voorts met de volgende overweging het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg dat ook Marielles vorderingen tegen ING Trust moeten worden afgewezen:

"4.11. (...) richt zich tegen het oordeel van het GEA dat daar waar de vorderingen tegen ING Bank dienen te worden afgewezen zulks tot gevolg heeft dat ook de vorderingen tegen ING Trust dienen te worden afgewezen. Dit oordeel van het GEA is juist. Niet relevant is of de ING Bank een hulppersoon van ING Trust was of niet. Kern van de verwijten aan ING Trust is, zo stellen ING Bank en ING Trust terecht, dat ING Trust heeft toegelaten dat ING Bank schade kon berokkenen aan Marielle. Nu het Hof evenals het GEA deze verwijten ten onrechte acht ontvalt reeds daarom aan de vordering jegens ING Trust de grondslag."

7. Marielle heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. ING Bank en ING Trust hebben verzocht het beroep te verwerpen. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna nog van re- en dupliek is gediend.

De cassatiemiddelen

8. Middel I klaagt, zoals hiervoor reeds opgemerkt, dat het Gemeenschappelijk Hof ten onrechte, althans zonder enige motivering, is voorbijgegaan aan het door Marielle in het kader van haar beroep op dwang, dwaling en/of bedrog naar het recht van de Staat New York uitdrukkelijk gedane aanbod door getuigen bewijs te leveren van de aan dat beroep ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, inhoudende - kort samengevat - dat [betrokkene A], die namens Marielle de USA ondertekende, de USA heeft ondertekend op basis van door ING Bank - vanuit haar superieure positie - verstrekte onjuiste en/of onvolledige informatie over de vermogenstoestand van Marielle. Het middel geeft nauwkeurig aan in welke passages van de memorie van grieven de desbetreffende aanbiedingen tot getuigenbewijs zijn gedaan en welke personen Marielle als te horen getuigen heeft genoemd. Het middel gaat daarbij ervan uit dat, zoals naar Nederlands procesrecht ingevolge art. 353 Rv., ook naar Antilliaans procesrecht geldt dat de appèlrechter evenzeer als de rechter in eerste aanleg is gehouden een aanbod tot getuigenbewijs te honoreren, mits dat aanbod ter zake dienende is en voldoende gespecificeerd. Met name bij repliek is betoogd dat art. 280 lid 1 RvNA - mede gelet op het concordantiebeginsel en op art. 6 EVRM - ook in die zin moet worden uitgelegd, al lijkt deze bepaling naar haar letterlijke tekst aan het Gemeenschappelijk Hof als appèlrechter op het punt van het toelaten van getuigenbewijs een discretionaire bevoegdheid toe te kennen.

ING Bank en ING Trust hebben in haar schriftelijke toelichting betoogd dat uit art. 280 lid 1 RvNA duidelijk blijkt dat een "recht op getuigenbewijs" in de Nederlandse Antillen alleen in eerste aanleg bestaat en dat voor de procedure in hoger beroep uitdrukkelijk is gekozen voor een van de Nederlandse rechtsgang afwijkende procedure. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van fundamentele procesregels nu het "recht op getuigenbewijs" in eerste aanleg volledig is gewaarborgd en dat het concordantiebeginsel geenszins ertoe dwingt art. 280 lid 1 RvNA overeenkomstig de in Nederland geldende regeling uit te leggen.

Beide partijen hebben verwezen naar HR 23 december 1988, NJ 1989, 275, met conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda en naar HR 21 mei 1999, NJ 2000, 13, met conclusie van mijn ambtgenoot Bakels. De vraag of het Gemeenschappelijk Hof naar Antilliaans procesrecht is gehouden een deugdelijk aanbod tot getuigenbewijs te honoreren, is in die uitspraken niet expliciet beantwoord hoewel door mijn ambtgenoten in hun conclusies wel een duidelijk standpunt ter zake was ingenomen. Strikwerda oordeelde - naar de toenmalige stand van zaken (zijn conclusie dateert uit 1988) - dat aan het Gemeenschappelijk Hof een discretionaire bevoegdheid toekomt. Bakels nam - in zijn in 1999 genomen conclusie - het standpunt in dat ook naar Antilliaans procesrecht het Gemeenschappelijk Hof gehouden is een deugdelijk aanbod tot getuigenbewijs te honoreren. Hij tekende daarbij aan nadere beschouwingen aan deze kwestie te zullen wijden ingeval de Hoge Raad dat mocht wensen; een zodanige wens is niet geuit.

9. Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 280 lid 1 RvNA kan worden afgeleid dat de Antilliaanse wetgever aan het Gemeenschappelijk Hof als appèlrechter een discretionaire bevoegdheid heeft willen toekennen ter zake van het toelaten van getuigenbewijs, zodat beslissingen van het Gemeenschappelijk Hof op dat punt in cassatie nog slechts kunnen worden aangetast ingeval het Hof is uitgegaan van een onjuiste voorstelling omtrent zijn discretionaire bevoegdheid. Art. 280 lid 1 RvNA luidt immers als volgt:

"Behoudens het in artikel 282 bepaalde doet het Hof de zaak in hoger beroep zonder vorm van proces op de stukken af, doch het staat het Hof vrij om, vóór het eindvonnis, een plaatselijk of ander onderzoek, of een verhoor van partijen of getuigen, dan wel de overlegging van enig bewijsstuk te gelasten, zomede een der partijen ambtshalve een aanvullende eed op te leggen."

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat art. 280 lid 1 RvNA is gebaseerd op de door de Nederlands-Indische wetgever uitgevaardigde regeling voor de behandeling in hoger beroep door de hogere rechter op Java en Madoera. Deze regeling hield in dat de hogere rechter "zonder vormen of dingtalen en alleen op de stukken" recht sprak; daarbij werd overigens wel aangenomen dat het de rechter in hoger beroep vrijstond een onderzoek te bevelen of een verhoor van partijen of getuigen dan wel de overlegging van enig bewijsstuk te gelasten, een opvatting die door de Antilliaanse wetgever later ook uitdrukkelijk in art. 280 RvNA is overgenomen. Zie hierover E. Monte, Antilliaans procesrecht, diss. Leiden, 1955, p. 132 e.v. Tot op heden is niet overgenomen het Nederlandse art. 353 Rv., inhoudende dat de in eerste aanleg geldende bepalingen waaronder die inzake het "recht op getuigenbewijs", van overeenkomstige toepassing zijn in hoger beroep.

10. Het concordantiebeginsel zoals neergelegd in art. 39 eerste lid van het Statuut voor het Koninkrijk houdt in dat onder meer de burgerlijke rechtsvordering in de drie landen "zoveel mogelijk" op overeenkomstige wijze wordt geregeld; ingeval een in Nederland geldende regeling welbewust niet in de Nederlandse Antillen en Aruba is overgenomen en naar de daar thans geldende opvattingen ook niet moet worden overgenomen staat zulks aan een beroep op het concordantiebeginsel in de weg. Zie HR 10 augustus 2001, RvdW 2001, 139; vergelijk voorts HR 14 februari 1997, NJ 1999, 409, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, HR 29 oktober 1999, NJ 2000, 51, m.nt. ARB en HR 21 januari 2000, NJ 2000, 553, m.nt. JBMV.

Zoals gezegd, is de in Nederland geldende regeling van art. 353 Rv. dat ook in appèl het "recht op getuigenbewijs" waarborgt, niet overgenomen in de Nederlandse Antillen en Aruba. In de oorspronkelijke versie van het Ontwerp Landsverordening houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen en Aruba was art. 280 lid 1 RvNA nog ongewijzigd overgenomen. Zie de versie opgenomen in Van Mierlo-Meijer-Beijer, Wetgeving Nederlands-Antilliaans en Arubaans Burgerlijk Procesrecht, Boom Juridische Uitgevers, 2000. In de nieuwe versie van bedoeld Ontwerp (Staten van de Nederlandse Antillen, zitting 2001-2002) is art. 280 eerste lid evenwel herzien. In de voorgestelde tekst wordt aangesloten bij art. 353 Rv.: de tekst luidt als volgt:

"Voor zover uit deze titel dan wel uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit, is titel 2 in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat geen eis in reconventie kan worden ingesteld."

Deze wijziging wordt als volgt toegelicht:

"Artikel 280, eerste lid, is herzien. Al lang is het Hof niet "vrij" om een aangeboden getuigenverhoor te gelasten. Op de keper beschouwd moeten vrijwel alle bepalingen van titel 2 in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn. (...)"

Uit deze toelichting kan worden opgemaakt dat in de Nederlandse Antillen en Aruba al langer wordt aanvaard dat ook in appèl een "recht op getuigenbewijs" bestaat. Dat zo zijnde staat niets meer aan een beroep op het concordantiebeginsel in de weg en kan art. 280 lid 1 RvNA reeds thans overeenkomstig art. 353 Rv. worden uitgelegd.

11. Daarbij komt nog het volgende. Mijn oud-ambtgenoot Asser heeft (in zijn conclusie voor HR 13 september 1991, NJ 1991, 783) betoogd dat een regeling waarbij het de rechter vrijstaat al dan niet in te gaan op een deugdelijk aanbod tot het leveren van bewijs door getuigen (een vorm van bewijslevering waarvoor partijen zijn aangewezen op de medewerking van de rechter), "op zijn minst" op gespannen voet staan met het beginsel van "fair hearing" zoals neergelegd in art. 6 EVRM. Met Asser meen ik dat de partij op wie de last wordt gelegd iets te bewijzen, mag verwachten dat de rechter een deugdelijk aanbod om dat bewijs te leveren honoreert; dat moet gelden zowel in eerste aanleg als in appèl. Ook de Hoge Raad heeft het in art. 192 lid 1 Rv. neergelegde "recht op getuigenbewijs", een recht dat meebrengt dat de rechter aan aanbod tot het leveren van zulk een bewijs alleen op relevante en voldoende gronden van de hand mag wijzen, in verband gebracht met de beginselen van behoorlijke rechtspleging zoals deze blijkens de rechtspraak van het EHRM besloten liggen in art. 6 EVRM. Zie met name HR 28 mei 1999, NJ 1999, 694, m.nt. HJS. Zie over "het recht op getuigenbewijs" en de eisen van art. 6 EVRM, zoals die van hoor en wederhoor en "equality of arms", ook Snijders in zijn noot onder de zojuist genoemde beschikking en in zijn noot onder HR 9 januari 1998, NJ 1999, 413. De hiervoor geciteerde passage uit de toelichting bij de Ontwerp Landsverordening ("Al lang is het Hof niet "vrij" om een aangeboden getuigenverhoor te gelasten") beoogt wellicht mede aan art. 6 EVRM te refereren.

12. Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat reeds thans naar Antilliaans procesrecht geldt dat ook in appèl een "recht op getuigenbewijs" bestaat in dier voege dat de rechter een tijdig gedaan, voldoende gespecificeerd en ter zake dienend aanbod tot het leveren van bewijs door getuigen moet honoreren.

Het Gemeenschappelijk Hof heeft dit in zijn bestreden vonnis miskend. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen blijkt dat het Gemeenschappelijk Hof zonder enige motivering is voorbijgegaan aan het door Marielle gedane bewijsaanbod; het Hof heeft Marielles beroep op dwang, bedrog, dwaling en/of misbruik van omstandigheden verworpen met de overweging dat door Marielle niet aannemelijk is gemaakt dat daarvan sprake is geweest. Kennelijk heeft het Hof gemeend dat het ingevolge art. 280 lid 1 RvNA een discretionaire bevoegdheid bezat ter zake van het toelaten van getuigenbewijs. Voorzover het Hof ervan mocht zijn uitgegaan dat Marielles aanbod als onvoldoende gespecificeerd of niet ter zake dienende moest worden verworpen, is dat oordeel in het licht van de gedingstukken zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het bestreden vonnis kan dan ook niet in stand blijven en terugwijzing zal moeten volgen.

In verband met de eisen die aan de specificatie van een bewijsaanbod worden gesteld, merk ik nog het volgende op. Het Hof heeft overwogen dat de vraag of de USA voor vernietiging in aanmerking komt, beoordeeld moet worden naar het recht van de Staat New York en voorts dat dat recht - min of meer met het Nederlands Antilliaanse recht vergelijkbare - vernietigingsgronden als dwang, dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden kent. In deze, in cassatie niet bestreden, overweging ligt het oordeel besloten dat het recht van de Staat New York op die punten waarover partijen van mening verschillen, overeenstemt met het Antilliaanse recht inzake bedoelde vernietigingsgronden.

Anders dan ING Bank en ING Trust betogen, kan uit 's Hofs overweging dat ING Bank en Marielle "onzekerheden met betrekking tot het precieze bedrag hebben verdisconteerd in de oplossing van het geschil door middel van de USA", een oordeel dat het Hof heeft geformuleerd in het kader van zijn verwerping van het beroep op dwaling, niet worden afgeleid dat eventuele bewijslevering voor de uiteindelijke beslissing geen relevantie zou hebben. Voorzover in deze overweging het oordeel ligt besloten dat de aard van een overeenkomst als de USA zich zonder meer tegen een beroep op dwaling verzet ook ingeval het gaat om een door onjuiste inlichtingen van de wederpartij veroorzaakte dwaling, is dat oordeel onjuist. Ik volsta hier met een verwijzing naar HR 29 september 1995, NJ 1998, 81, m.nt. CJHB en naar Asser-Hartkamp 4-II, 2001, nr. 195. De aard van een overeenkomst als de USA sluit ook geen beroep op dwang, bedrog of misbruik van omstandigheden uit.

13. Middel II richt zich tegen rechtsoverweging 4.11 waarin het Gemeenschappelijk Hof het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg onderschreef dat daar waar de vorderingen tegen ING Bank dienen te worden afgewezen, zulks tot gevolg heeft dat ook de vorderingen tegen ING Trust dienen te worden afgewezen. Het in een aantal subonderdelen verdeelde middel strekt in de eerste plaats ten betoge dat het Gemeenschappelijk Hof heeft miskend dat de tussen Marielle en ING Bank gesloten overeenkomst waarbij partijen elkaar finale kwijting verleenden, niet geldt in de verhouding tussen Marielle en ING Trust.

14. Dit betoog slaagt. In de gewraakte overweging, die reeds niet in stand kan blijven omdat zij voortbouwt op 's Hofs door het eerste middel terecht bestreden overwegingen, heeft het Hof miskend dat het ING Trust niet kan baten dat Marielle aan ING Bank bij de USA finale kwijting heeft verleend nu ING Trust geen partij was bij de USA. Reeds daarom kan 's Hofs gewraakte oordeel niet in stand blijven. De in de diverse middelonderdelen voorts nog aangevoerde klachten behoeven geen behandeling meer.

Terzijde merk ik nog op dat - anders dan ING Trust lijkt te suggereren - de omstandigheid dat Marielle aan ING Bank kwijting heeft verleend - vanzelfsprekend - niet impliceert dat daarmee vaststaat dat Marielle haar volledige schade vergoed heeft gekregen en dat reeds daarom de vorderingen van Marielle tegen ING Trust voor afwijzing gereed zouden liggen.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en tot verwijzing van het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden