Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4003

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2001
Datum publicatie
05-10-2001
Zaaknummer
R00/129HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 474g, geldigheid: 2001-10-05
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 474aa, geldigheid: 2001-10-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 511
NJ 2003, 266
JWB 2001/230

Conclusie

Rek.nr. R00/129HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 8 juni 2001

conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

de Coöperatieve Vereniging Villagio di Sunclass Tignale U.A.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van verzoek om te bepalen dat en binnen welke termijn tot verkoop van een in executoriaal beslag genomen lidmaatschapsrecht in een coöperatie kan worden overgegaan (verzoek ex art. 474g lid 1 jo. art. 474aa lid 2 Rv).

2. Voor zover thans in cassatie van belang, liggen de feiten als volgt (zie r.o. 4.1 van de beschikking van het Hof in verbinding met r.o. 1 van de beschikking van de Rechtbank).

(i) [Verzoeker], thans verzoeker van cassatie, woont te [woonplaats], Italië. Hij is rechthebbende op een lidmaatschapsrecht in de Coöperatieve Vereniging Villagio di Sunclass Tignale U.A., thans verweerster in cassatie. Aan dit lidmaatschapsrecht is verbonden het uitsluitend gebruik van een kavel nr. B 11 met een daarop gebouwde bungalow in de gemeente [...], Italië. De coöperatie is gevestigd te Zandvoort en houdt kantoor te Bussum.

(ii) Bij vonnis d.d. 5 december 1995 van de Rechtbank te Haarlem is [verzoeker] - kort gezegd - omdat hij zijn verplichtingen jegens de coöperatie uit hoofde van voornoemd lidmaatschapsrecht niet was nagekomen, veroordeeld om aan de coöperatie te betalen een bedrag van f 79.901,75, vermeerderd met rente, en een bedrag van f 11.660,90 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. (iii) Ter executie van het vonnis heeft de coöperatie op 31 maart 1999 executoriaal beslag gelegd op het lidmaatschapsrecht van [verzoeker] in de coöperatie.

3. De coöperatie heeft vervolgens op de voet van art. 474g lid 1 jo. art. 474aa lid 2 Rv op 29 april 1999 bij de Rechtbank te Amsterdam een verzoekschrift ingediend strekkende tot bepaling dat en binnen welke termijn en op welke wijze tot verkoop en overdracht van het inbeslaggenomen lidmaatschapsrecht zal worden overgegaan.

4. [Verzoeker] heeft tegen het verzoek op verschillende gronden verweer gevoerd. Hij voerde onder meer aan dat de coöperatie zich tot de Italiaanse rechter had dienen te wenden.

5. Bij beschikking van 7 december 1999 heeft de Rechtbank dit verweer en de andere verweren van [verzoeker] verworpen en het verzoek van de coöperatie toegewezen.

6. [Verzoeker] is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij beschikking van 20 juli 2000 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof overwoog onder meer:

"4.7. De coöperatie heeft in het beslagexploot woonplaats gekozen (onder meer) te Amsterdam. Op grond van artikel 474aa, tweede lid, j( 474g, eerste lid, Rv. was de rechtbank Amsterdam daarom bevoegd om van het onderhavige verzoek van de coöperatie kennis te nemen. Het beroep op onbevoegdheid is door de rechtbank terecht verworpen.

4.8. Het lidmaatschapsrecht van [verzoeker] is een vermogensbestanddeel dat vatbaar is voor beslaglegging en uitwinning. De vereniging is in Nederland gevestigd en houdt in Nederland kantoor. Het beslag is daarom terecht in Nederland gelegd. Andersluidende stellingen van [verzoeker] zijn door de rechtbank op goede gronden gepasseerd."

7. Tegen de beschikking van het Hof is [verzoeker] (tijdig) in cassatie gekomen onder aanvoering van een tweetal klachten. Bij aanvullend verzoekschrift tot cassatie heeft [verzoeker] nog een derde klacht aangevoerd. De coöperatie heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij geconcludeerd tot (a) niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn beroep in cassatie voor zover dit is vervat in het aanvullend verzoekschrift tot cassatie, en (b) verwerping van het beroep in cassatie.

8. Het aanvullend verzoekschrift tot cassatie is op 26 oktober 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, derhalve - nu de bestreden beschikking dateert van 20 juli 2000 - na het verstrijken van de cassatietermijn.

9. In beginsel kunnen na het verstrijken van de cassatietermijn geen nieuwe bezwaren tegen de bestreden uitspraak worden aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak kan echter onder bijzondere omstandigheden ook na het verstrijken van de termijn een aanvulling of wijziging van de voorgestelde middelen worden toegestaan. Die mogelijkheid bestaat evenwel slechts voor degene die tijdens de cassatietermijn niet over een essentieel processtuk, zoals de bestreden uitspraak of het proces-verbaal van een zitting, heeft kunnen beschikken en dit alleen voor zover het ontbrekende processtuk daartoe aanleiding geeft. Had men de nagekomen klachten evengoed, zonder kennis te hebben genomen van het ontbrekende processtuk, binnen de cassatietermijn naar voren kunnen brengen, dan kan door de Hoge Raad op het aanvullend verzoekschrift geen acht worden geslagen. Zie o.m. HR 21 september 1984, NJ 1985, 214; HR 10 oktober 1986, NJ 1987, 121 en HR 27 september 1991, NJ 1991, 786. Zie voorts D.J. Veegens, Cassatie in burgerlijke zaken, 3e dr. bew. door E. Korthals Altes en H.A. Groen, 1989, nr. 135, blz. 255.

10. [Verzoeker] stelt dat hij ten tijde van de indiening van het oorspronkelijke cassatierekest niet de beschikking had over het proces-verbaal van de zitting van het Hof. Gezien de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van het Hof d.d. 27 juni 2000, waaruit niet blijkt dat [verzoeker] zijn eerder betrokken stellingen heeft aangevuld of gewijzigd, valt niet in te zien waarom [verzoeker] de in het aanvullende verzoekschrift voorgedragen cassatieklacht, waarin het Hof wordt verweten niet te zijn ingegaan op bepaalde stellingen van [verzoeker], niet binnen de cassatietermijn naar voren had kunnen brengen zonder te hebben kennisgenomen van dat proces-verbaal. Er is daarom naar mijn oordeel geen reden om in het onderhavige geval een uitzondering te aanvaarden op het beginsel dat na het verstrijken van de cassatietermijn geen nieuwe bezwaren tegen de bestreden uitspraak kunnen worden aangevoerd. [Verzoeker] behoort derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn bij het aanvullende verzoekschrift tot cassatie aangevoerde klacht.

11. Wat de in het oorspronkelijke cassatierekest aangevoerde klachten betreft, diene het volgende.

12. De eerste klacht (oorspronkelijk cassatierekest onder 2.2) keert zich - als ik het goed begrijp - tegen het oordeel van het Hof dat de Rechtbank (internationaal) bevoegd was van het inleidende verzoekschrift van de coöperatie kennis te nemen. Ten grondslag aan de klacht ligt het betoog dat het Hof heeft miskend dat het beslagen lidmaatschapsrecht betrekking heeft op het uitsluitend gebruik van een in Italië gelegen zaak, zodat op het verzoekschrift het Italiaanse recht van toepassing is en aldus ook de Italiaanse rechter bevoegd is. Daarom zou ook onjuist, althans onbegrijpelijk zijn het oordeel van het Hof dat het beslag terecht in Nederland is gelegd, aangezien naar heersend EU-recht executiemaatregelen met betrekking tot roerende of onroerende zaken worden beheerst door het recht van het land waar de zaak zich bevindt.

13. Op de vraag of de Nederlandse rechter (internationaal) bevoegd is van het inleidende verzoekschrift van de coöperatie kennis te nemen zijn zowel materieel als formeel de bevoegdheidsbepalingen van het EEX van toepassing. Materieel, omdat het verzoek een burgerlijke of handelszaak in de zin van art. 1 EEX betreft en niet betrekking heeft op een onderwerp dat in dat artikel van het materiële toepassingsgebied van het EEX is uitgesloten, en formeel, omdat [verzoeker], oorspronkelijk verweerder, zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat (Italië) (art. 2 jo. art. 4 EEX) en, zo de onderhavige zaak moet worden aangemerkt als een geschil ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een beslissing in de zin van art. 16 onder 5 EEX, omdat, ongeacht de woonplaats van partijen, de plaats van tenuitvoerlegging is gelegen in een verdragsluitende staat (Nederland volgens het Hof, Italië volgens [verzoeker]) (art. 16 aanhef jo. art. 4 EEX).

14. Met betrekking tot de vraag wat verstaan dient te worden onder een geschil ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een beslissing in de zin van art. 16 lid 5 EEX meldt het toelichtende rapport op het EEX van de hand van P. Jenard (PbEG 1979 C 59; integraal weergegeven in Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen, Toel. Rapporten EEX) dat het hier gaat om "geschillen die kunnen ontstaan door het gebruikmaken van de sterke arm, van dwangmaatregelen of van bezitsontneming van roerende en onroerende goederen (beslag) ten einde de materiële tenuitvoerlegging van beslissingen en akten te verzekeren. Moeilijkheden welke naar aanleiding van deze procedures ontstaan behoren tot de exclusieve bevoegdheid van het gerecht van de plaats van tenuitvoerlegging". In deze zin ook HvJ EG 26 maart 1992, zk C-261/90 (Reichert II), Jur. 1992, p. I-2149, NJ 1996, 315. Zie voorts J. Kropholler, Europäisches Zivilproze(recht, 6. Aufl. 1998, blz. 223 RdNr. 59 ("Gemeint sind kontradiktorische Verfahren, die einen unmittelbaren Bezug zur Zwangvollstreckung aufweisen") en Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen, EEX, art. 16 aant. 8 (P. Vlas).

15. De onderhavige, in art. 474g lid 1 jo. art. 474aa lid 2 Rv voorziene procedure betreft een geschil over een executoriaal beslag en is derhalve te beschouwen als een procedure die strekt tot, althans een nauwe band heeft met (vgl. HvJ EG 4 juli 1985, zk 220/85, AS-Autoteile/Malhé, Jur. 1985, p. 2267, NJ 1986, 509 nt. JCS, r.o. 12) de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing, namelijk de tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 5 december 1995 van de Rechtbank te Haarlem. De onderhavige procedure is derhalve aan te merken als een geschil ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een beslissing in de zin van art. 16 onder 5 EEX.

16. Hieruit vloeit voort dat de Nederlandse rechter bij uitsluiting bevoegd is, indien Nederland moet worden aangemerkt als de plaats van tenuitvoerlegging. In zijn eerste cassatieklacht bestrijdt [verzoeker] dit laatste met het betoog dat, anders dan het Hof heeft beslist, het beslag op het lidmaatschapsrecht ten onrechte in Nederland is gelegd, aangezien het lidmaatschapsrecht betrekking heeft op een in Italië gelegen zaak, die naar "heersend EU-recht" wordt beheerst door Italiaans recht.

17. Dit betoog faalt. Nog daargelaten dat de vraag naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet afhangt van het toepasselijke recht op de rechten in geschil, bestaat er geen "EU-recht" (het cassatierekest noemt ook geen vindplaatsen) dat bepaalt dat beslag op een lidmaatschapsrecht in een coöperatie gelijkgesteld wordt met een beslag op de rechten die uit dat lidmaatschapsrecht voortvloeien of dat bepaalt dat beslag op een vermogensrecht slechts mogelijk is in de staat wiens recht op dat vermogensrecht van toepassing is. Met name (art. 16 onder 5 van) het EEX bepaalt hieromtrent niets. Vgl. P.F. Schlosser, EuGVÜ, 1996, blz. 95/96, RdNr. 24; H. Oudelaar (red.), Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Hfdst. 74, De Europese verdragen: EEX en EVEX (M.V. Polak), blz. 833. Er zijn ook geen andere, Nederland bindende verdragen op de onderhavige kwestie van toepassing.

18. Het commune Nederlandse internationaal privaatrecht is derhalve beslissend. Naar dit recht wordt de vraag op welke goederen beslag gelegd kan worden en op welke wijze het beslag gelegd moet worden, beheerst door de lex loci arresti, zodat, indien een in beslag te nemen goed zich in Nederland bevindt, aan de hand van Nederlands recht beoordeeld dient te worden of en, zo ja, op welke wijze daarop beslag gelegd kan worden. Zie J.P. Verheul, Aspekten van Nederlands internationaal beslagrecht, 1968, blz. 13 e.v. Betreft het in beslag te nemen goed een aandeel in een vennootschap (of een in dit opzicht daarmee gelijk te stellen lidmaatschapsrecht in een vereniging; zie art. 474aa lid 2 Rv), dan wordt de vraag waar dat aandeel (lidmaatschapsrecht) zich bevindt, beantwoord door het recht van het land volgens hetwelk de vennootschap (vereniging) is opgericht. Zie HR 19 maart 1999, NJ 2000, 99 nt. PV. Zie voorts P. Vlas, Rechtspersonen, Praktijkreeks IPR, deel 9, 2e dr. 1999, nr. 239-242. De coöperatie is opgericht naar Nederlands recht. Uit de regeling van art. 474c e.v. jo. art. 474aa lid 2 Rv volgt dat naar Nederlands recht lidmaatschapsrechten in een coöperatie geacht worden zich te bevinden, althans voor beslagdoeleinden, ter plaatse van de statutaire vestiging van de coöperatie, derhalve in het onderhavige geval in Nederland. 's Hofs oordeel dat het beslag op het lidmaatschapsrecht van [verzoeker] terecht in Nederland is gelegd is dus juist. Gelet op het bepaalde in art. 16 onder 5 EEX volgt hieruit dat evenzeer juist is het oordeel van het Hof dat de Rechtbank bevoegd was van het inleidende verzoekschrift van de coöperatie kennis te nemen. De eerste klacht faalt derhalve.

19. De tweede klacht (oorspronkelijk cassatierekest onder 2.3) betreft de door appelgrief I aan de orde gestelde vraag of de coöperatie in de onderhavige procedure bevoegd vertegenwoordigd is.

20. Voor zover de klacht inhoudt dat het Hof de bedoelde grief in r.o. 4.2 van zijn beschikking onjuist heeft weergegeven en (daardoor) niet heeft gereageerd op hetgeen [verzoeker] in de bedoelde grief heeft aangevoerd, te weten dat de Rechtbank het gedane beroep op niet-ontvankelijkheid ten onrechte heeft verworpen, strandt zij op gebrek aan feitelijke grondslag. Uit r.o. 4.2 t/m 4.5 van zijn beschikking blijkt dat het Hof de grief in de door [verzoeker] bedoelde zin heeft begrepen, nu het de stellingen waarop de grief berust (de coöperatie is in de procedure niet bevoegd vertegenwoordigd) heeft besproken en heeft aangegeven waarom die stellingen niet opgaan. Ook zonder dat dit met zoveel woorden door het Hof tot uitdrukking is gebracht, is duidelijk dat het Hof daaruit de conclusie heeft getrokken dat de Rechtbank het gedane beroep op niet-ontvankelijkheid terecht heeft verworpen en dat de grief daarom faalt.

21. Voor zover de klacht voorts inhoudt dat het Hof meer bepaald niet zou hebben gereageerd op de stelling van [verzoeker], dat bij gebreke van een mandaat vanuit de algemene ledenvergadering c.q. een nadrukkelijk daartoe strekkend besluit, geen gerechtelijke procedure kon worden opgestart, en aldus sprake was van onbevoegde vertegenwoordiging c.q. ontbrekende procesbevoegdheid van de in de stukken genoemde [betrokkene A] om aldus namens de coöperatie deze procedure te voeren, kan de klacht evenmin tot cassatie leiden. Uit de gedingstukken blijkt niet (het cassatierekest vermeldt ook geen vindplaatsen) dat [verzoeker] deze stelling in eerste aanleg of in hoger beroep heeft aangevoerd.

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep, voor zover dit berust op de in het aanvullend verzoekschrift tot cassatie aangevoerde klacht, en tot verwerping van het cassatieberoep, voor zover dit berust op de in het oorspronkelijke verzoekschrift tot cassatie aangevoerde klachten.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,