Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD4002

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-2001
Datum publicatie
12-11-2001
Zaaknummer
R00/112HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD4002
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 647
NJ 2001, 690
JWB 2001/298
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R00/112HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 7 sept. 2001

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft de uitleg van een tussen partijen, gewezen echtgenoten, gegeven alimentatiebeschikking van 5 september 1995, waarin de Rechtbank te 's-Gravenhage op verzoek van de man de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw per 1 januari 1999 op nihil heeft gesteld. Partijen verschillen van mening over de vraag wat de strekking van deze beschikking is. De man stelt zich op het standpunt dat door de beschikking het recht op alimentatie per 1 januari 1999 definitief is geëindigd, terwijl de vrouw meent dat de door de Rechtbank gestelde termijn verlengbaar is.

2.De feiten liggen als volgt.

(i) Bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 30 januari 1979 is tussen partijen, met elkaar gehuwd op 8 juli 1967, de echtscheiding uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 19 maart 1979 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Bij het echtscheidingsvonnis is de man, thans verweerder in cassatie, veroordeeld tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, thans verzoekster in cassatie, ten bedrage van f 2.210,10 per maand.

(iii) Partijen hadden een echtscheidingsconvenant opgemaakt. Hierin zijn zij onder meer overeengekomen dat de vrouw naar eigen inkomsten zal streven, waarbij zij zal trachten binnen tien jaar na inschrijving van het echtscheidingsvonnis door arbeid op een haar qua opleiding passend niveau voldoende inkomsten te verwerven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Voorts bepaalt de convenant dat de man vanaf het verstrijken van voornoemde termijn niet meer gehouden zal zijn tot betaling van alimentatie aan de vrouw, behoudens wanneer de vrouw op medische gronden of om andere haar niet verwijtbare redenen na afloop van deze termijn niet in staat zal zijn voldoende inkomsten te verwerven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

(iv) Bij beschikking van het Hof te 's-Gravenhage d.d. 9 februari 1990 is de bijdrage ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 maart 1990 bepaald op fl. 1.250 per maand.

(v) Bij verzoekschrift d.d. 16 december 1994 heeft de man de Rechtbank te 's-Gravenhage verzocht de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw per 1 januari 1995 op nihil te stellen, zulks omdat hij reeds gedurende vijftien jaar alimentatie heeft betaald.

(vi) De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het verzoek en heeft de Rechtbank verzocht te bepalen dat de alimentatie niet eindigt vóór 8 december 2008.

(vii) De Rechtbank heeft bij beschikking d.d. 5 september 1995 op de onder (v) en (vi) genoemde verzoeken beslist. Nadat de Rechtbank was ingegaan op de behoeftigheid van de vrouw en op haar (potentiële) verdiencapaciteit heeft zij als volgt overwogen en beslist:

"De rechtbank is van oordeel, dat (...) de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man nog steeds bestaat. Het gaat derhalve om de vraag of het redelijk is dat die behoefte nog steeds op de man wordt afgewenteld. Hoewel gebleken is, dat de vrouw moeite heeft gedaan haar inkomen op te trekken en haar lasten te verlagen, heeft zij geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit, dat zij sedert de beëindiging van haar huwelijk nooit enige cursus of opleiding heeft gevolgd noch serieuze sollicitaties heeft verricht, zulks terwijl dit toch de intentie van partijen is geweest gezien de inhoud van de convenant.

Daarbij komt, dat de vrouw, van wie reeds in 1990 was gebleken, dat zij de man niet van haar inkomsten op de hoogte had gehouden, in strijd met de goede trouw heeft gehandeld door ook thans de verhoging van haar inkomsten en de verlaging van haar lasten niet aan de man te hebben gemeld.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat het verzoek van de vrouw te bepalen dat de bijdrage niet eindigt voor 8 december 2008, redelijkerwijze moet worden afgewezen.

Anderzijds moet het gezien de inspanningen die de vrouw zich na de beschikking van het Hof heeft getroost een hoger inkomen te krijgen en haar lasten te verlagen, ook onredelijk worden geacht de bijdrage per 1 januari 1995 te beëindigen, te meer nu de draagkracht van de man niet in het geding is. De rechtbank zal derhalve de thans geldende bijdrage in duur beperken tot 1 januari 1999.

BESLISSING, met wijziging in zoverre van voormelde beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 februari 1990:

Bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw per 1 januari 1999 op nihil."

(vii) Van deze beschikking is de vrouw in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, doch niet binnen de daartoe gestelde termijn. Het Hof heeft haar niet-ontvankelijk verklaard.

3. Bij het de onderhavige procedure inleidende verzoekschrift d.d. 2 oktober 1998 heeft de vrouw met een beroep op de overgangsbepalingen van de Wet van 28 april 1994, Stb. 325 (hierna: Wet limitering na scheiding) de Rechtbank te 's-Gravenhage verzocht te bepalen dat de door de man te betalen alimentatie niet eindigt vóór 8 december 2008 en dat dit een verlengbare termijn is.

4. De man heeft in zijn verweerschrift verzocht de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vrouw haar verzoek te ontzeggen, en heeft voorts verzocht te bepalen dat verlenging niet meer mogelijk is. "In reconventie" heeft de man verzocht te bepalen dat de bijdrage eindigt op de datum waarop de vrouw aanzienlijk meer is gaan verdienen; dit verzoek speelt in cassatie geen rol.

5. Bij haar beschikking d.d. 11 januari 2000 heeft de Rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen. Zij overwoog daartoe dat het dictum van de beschikking van 1995 kennelijk onjuist is geformuleerd en dat niet bedoeld is om de alimentatie per 1 januari 1999 op nihil te stellen, maar om de alimentatie per 1 januari 1999 te beëindigen. Aldus is, naar het oordeel van de Rechtbank, destijds een termijn gesteld voor het beëindigen van de alimentatieverplichting. De Rechtbank verwierp de stelling van de vrouw dat deze termijn alsnog kan worden verlengd tot 8 december 2008; nu de Rechtbank in haar beschikking van 1995 uitdrukkelijk in haar oordeelsvorming de vraag heeft betrokken of de alimentatieverplichting zou moeten voortduren na 1 januari 1999 en deze vraag negatief heeft beantwoord, is in die beschikking de mogelijkheid tot verlenging verworpen. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat het dictum van de beschikking uit 1995 onjuist is geformuleerd, maar uit de dragende overwegingen van die beschikking volgt dat verlenging na 1 januari 1999 niet mogelijk was, aldus de Rechtbank.

6. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij voerde aan - kort gezegd - dat de Rechtbank de alimentatietermijn had moeten verlengen en dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de beschikking van 1995 volgt dat verlenging na 1 januari 1995 niet meer mogelijk was. Zij heeft betoogd dat de Rechtbank in 1995 tot de conclusie kwam dat directe beëindiging te ingrijpend was en dat uit die uitspraak niet is af te leiden dat toen al vaststond dat na 1 januari 1999 de alimentatie definitief zou behoren te eindigen. De vrouw heeft zich voorts beroepen op omstandigheden waaruit volgens haar volgt dat beëindiging van het recht op alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook na 1999 te ingrijpend voor haar is.

7. De man heeft het standpunt van de vrouw bestreden en gesteld dat uit de beschikking van 1995 volgt dat het recht op alimentatie per 1 januari 1999 definitief is beëindigd en dat er overigens ook geen aanleiding is om deze termijn verder te verlengen.

8. Het Hof heeft bij beschikking van 21 juni 2000 de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe overwogen dat uit de rechtsoverwegingen van de beschikking van 1995 blijkt dat de Rechtbank het niet redelijk achtte de alimentatie per 1 januari 1995 te beëindigen, maar het voortduren van deze verplichting tot 8 december 2008 evenmin. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank de duur van de alimentatie dan ook willen beperken tot 1 januari 1999, hoewel zij in haar dictum de alimentatie per die datum op nihil heeft gesteld. Ondanks de onjuiste formulering van het dictum gaat het Hof ervan uit dat de Rechtbank - in het licht van de normen van toen - haar beschikking op goede gronden heeft gegeven en heeft gemotiveerd als toentertijd gebruikelijk was. Naar 's Hofs oordeel is het dan ook de uitdrukkelijke bedoeling van de Rechtbank is geweest de alimentatie per 1 januari 1995 definitief te beëindigen, waarbij het Hof ervan uitgaat dat de Rechtbank impliciet heeft bepaald dat verlenging van de termijn niet mogelijk was (r.o. 3). Het Hof heeft voorts overwogen dat, nu de vrouw niet binnen de appeltermijn in hoger beroep is gegaan, de beschikking van 5 september 1995 onherroepelijk is geworden en wijziging ervan afstuit op het bepaalde in artikel II lid 3 Wet limitering na scheiding (r.o. 4). Tot slot heeft het Hof nog overwogen dat de onderhavige procedure er niet een is om een in het verleden gemaakte fout - te laat instellen van hoger beroep - te herstellen (r.o. 5).

9. De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het middel bestreden.

10. Het middel neemt tot uitgangspunt dat de man in de procedure die resulteerde in de beschikking van 1995, een verzoek heeft ingediend op de voet van art. II lid 2 Wet limitering na scheiding. Op grond van deze bepaling - die geldt voor "oude" alimentatieverplichtingen, dat wil zeggen verplichtingen die vóór de inwerkingtreding van de wet (op 1 juli 1994) zijn toegekend of overeengekomen - kan de alimentatieplichtige de rechter verzoeken de alimentatieverplichting te beëindigen wanneer deze vijftien of meer jaren heeft geduurd. De rechter wijst het beëindigingsverzoek niet toe indien de beëindiging van de uitkering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te ingrijpend van aard is voor de alimentatiegerechtigde. Voor de "nieuwe" alimentatieverplichtingen, dat wil zeggen verplichtingen die zijn ontstaan ná inwerkingtreding van de wet, geldt - voorzover hier van belang - het regime van art. 1:157 lid 4 en 5 BW. Het vierde lid bepaalt dat een nieuwe alimentatieverplichting (reeds) na twaalf jaar van rechtswege eindigt. Beëindiging vindt echter niet plaats, zo bepaalt het vijfde lid, indien deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te ingrijpend van aard is voor de alimentatiegerechtigde.

11. Voorts gaat het middel er - terecht - van uit dat wanneer beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde een termijn vaststelt. Blijkens HR 19 april 1996, NJ 1997, 57 m.nt. JdB en HR 28 maart 1997, NJ 1997, 382 is de rechter in het kader van art. II lid 2 Wet limitering na scheiding hiertoe verplicht. Daarentegen geldt voor art. 1:157 lid 5 BW - blijkens de tekst - dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft tot het vaststellen van een termijn.

12. Zowel art. 157 lid 5 BW (laatste volzin), als art. II lid 2 (voorlaatste volzin) Wet limitering na scheiding bepalen ter zake van de verlengingstermijn:

"De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is."

De vraag rijst of de rechter verplicht is te bepalen of verdere verlenging van de verlengingstermijn al dan niet mogelijk is. De minister is op de verlengingskwestie slechts ingegaan in het kader van art. 1:157 lid 5 BW, maar het aldaar opgemerkte geldt m.i. ook voor art. II lid 2 Wet limitering na scheiding. In de MvT op art. 1:157 lid 5 BW wordt opgemerkt (Kamerstukken II 1985/86, 19 295, nr. 3, blz. 19):

"Indien de rechter een termijn bepaalt, moeten betrokkenen binnen redelijke grenzen kunnen vertrouwen op ongewijzigde handhaving van die termijn. Zulks geldt te meer indien de fase van de verlengingen is aangebroken. Er zal niet telkens strijd over nieuwe verlengingen moeten ontstaan. Anderzijds zou de mogelijkheid dat telkens weer verlenging kan worden gevraagd, de rechter terughoudend kunnen maken een verlenging uit te spreken. Daarom wordt de mogelijkheid gegeven dat de rechter bij inwilliging van een verzoek tot verlenging tevens (eventueel ambtshalve) kan bepalen dat deze verlenging de laatste is."

13. Hieruit valt op te maken dat de wetgever ervan uitgaat dat de alimentatiegerechtigde na afloop van de twaalfjaars termijn telkens opnieuw verlenging kan vragen, tenzij de rechter bepaalt dat de toegewezen verlenging de laatste is en het recht op alimentatie daarna definitief is beëindigd. Dat lijkt ook voor de hand te liggen. De rechter stelt een verlengingstermijn vast, omdat uit de omstandigheden blijkt dat de beëindiging van het recht op alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de alimentatiegerechtigde; deze omstandigheden kunnen voortduren nadat de eerste termijn is verstreken, zodat verdere verlenging ook dan nog mogelijk is. Dit brengt mee dat van de rechter mag worden gevergd dat hij deugdelijk gemotiveerd aangeeft waarom naar zijn oordeel verdere verlenging (reeds bij voorbaat) is uitgesloten. In deze zin ook J. de Boer in zijn NJ-noot onder NJ 1997, 57 (nr. 7). Dit strookt ook met de rechtspraak van de Hoge Raad op art. II lid 2 Wet limitering na scheiding waarin is bepaald dat de beslissing waarbij het recht op alimentatie wordt beëindigd, een zo ingrijpend karakter heeft dat daaraan hoge motiveringseisen moeten worden gesteld (HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653-655 nt. S.F.M. Wortmann onder nr. 655), terwijl deze zware motiveringsplicht niet geldt voor een beslissing waarin het limiteringsverzoek van de alimentatieplichtige wordt afgewezen (HR 22 september 2000, NJ 2001, 228 nt. S.F.M. Wortmann). Voorts is voor limitering in het kader van art. 1:157 BW vaste rechtspraak dat hoge motiveringseisen gelden indien de alimentatie definitief wordt beëindigd (zie o.m. HR 30 januari 1998, NJ 1998, 458; HR 17 januari 1997, NJ 1997, 472 nt. JdB; HR 18 april 1997, NJ 1997, 571 nt. JdB; HR 4 februari 1994, NJ 1994, 367), ook wanneer de limitering wordt uitgesproken op grond van omstandigheden waarvan de aard meebrengt dat zij zich niet meer kunnen wijzigen (HR 22 januari 1993, NJ 1993, 233).

14. Onderdeel a van het middel berust op de veronderstelling dat het Hof heeft aangenomen dat de Rechtbank in de beschikking van 1995 geen verlengingstermijn heeft vastgesteld.

15. De veronderstelling mist feitelijke grondslag. In haar beschikking van 11 januari 2000 heeft de Rechtbank overwogen dat "door de alimentatieverplichting per 1 januari 1999 te beëindigen (...) de Rechtbank aan de ten tijde van de beschikking van 5 september 1995 lopende alimentatieverplichting van de man een termijn [heeft] verbonden". Tegen deze rechtsoverweging zijn geen grieven gericht en de vrouw gaat er in haar appèlrekest (nr. 14) van uit dat de Rechtbank in 1995 een termijn in de zin van art. II lid 2 Wet limitering na scheiding heeft vastgesteld. Er moet dus van worden uitgegaan dat (ook) het Hof heeft aangenomen dat in de beschikking van 1995 een verleningstermijn is vastgesteld. Onderdeel a faalt derhalve.

16. Onderdeel b van het middel neemt tot uitgangspunt dat het Hof in de beschikking uit 1995 leest dat er een termijn is gesteld en dat de Rechtbank heeft bepaald, zij het impliciet, dat verdere verlenging niet mogelijk is. Het onderdeel acht 's Hofs oordeel dat de Rechtbank destijds impliciet heeft bepaald dat verlenging niet mogelijk is, rechtens onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het onderdeel voert aan dat de rechter expliciet dient te beslissen of de termijn verlengbaar is. Nu dit niet is gebeurd, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de beschikking van 1995 te lezen dat impliciet is geoordeeld dat verlenging van de termijn was uitgesloten, aldus het middelonderdeel. Voorts bevat het onderdeel een motiveringsklacht die inhoudt dat gelet op de motivering van de beschikking van 5 september 1995 en de onverenigbaarheid van dictum en overwegingen, 's Hofs summiere motivering niet het oordeel kan dragen dat de Rechtbank in 1995 (impliciet) de bedoeling heeft gehad het recht op alimentatie per 1 januari 1999 definitief te beëindigen.

17. Het onderdeel treft doel. Hierboven is betoogd dat de alimentatiegerechtigde in beginsel telkens opnieuw een verzoek tot verlenging kan indienen, behalve indien blijkt dat de rechter - deugdelijk gemotiveerd - verdere verlenging uitsluit. Hieruit vloeit voort dat indien deze motivering ontbreekt of indien niet met zekerheid is vast te stellen of destijds definitieve beëindiging werd beoogd, in beginsel dient te worden aangenomen dat een nieuw verlengingsverzoek mogelijk is. In geval van twijfel mag de alimentatiegerechtigde er dus van uitgaan dat verlenging mogelijk blijft; het ligt in zo'n geval op de weg van de alimentatieplichtige om hoger beroep in te stellen tegen de verlengingsbeslissing. Ik merk op dat de man in het onderhavige geval heeft nagelaten in appèl te gaan, en dat de vrouw (te laat) in hoger beroep is gekomen zonder ter discussie te stellen of het de bedoeling van de Rechtbank was om de alimentatie per 1 januari 1999 definitief te beëindigen.

18. Uit het vorenstaande volgt dat, nu het Hof werd geconfronteerd met een alimentatiebeschikking waarin - naar het Hof heeft vastgesteld - de Rechtbank niet expliciet heeft bepaald dat verdere verlenging niet meer mogelijk was en dit oordeel (hooguit) indirect kan worden afgeleid uit de rechtsoverwegingen, terwijl het dictum - naar het Hof heeft vastgesteld - in de tegenovergestelde richting wijst, het Hof niet zonder meer had mogen aannemen dat verlenging onmogelijk was. Voor zover het Hof heeft gemeend dat in een geval als het onderhavige verlenging niet meer is toegestaan, geeft 's Hofs oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het Hof van oordeel is dat uit de beschikking van 1995 voldoende duidelijk blijkt dat verlenging niet meer was toegestaan, is dat oordeel zondere nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het Hof komt tot zijn oordeel op grond van de motivering dat de Rechtbank in het licht van de normen van 1995 de beschikking op goede gronden heeft gegeven en heeft gemotiveerd als toentertijd gebruikelijk was. Deze motivering is niet sluitend. Weliswaar wordt in de beschikking van 1995 vrij uitvoerig gemotiveerd waarom het recht op alimentatie wordt beperkt tot 1 januari 1999, maar een motivering toegespitst op de vraag of verlenging van de gestelde termijn mogelijk is, ontbreekt. Nu zowel in de overwegingen als in het dictum van de beschikking van 1995 een expliciete beslissing met betrekking tot de vraag of de gestelde termijn verlengbaar is ontbreekt, is niet begrijpelijk dat het Hof enkel op grond van de algemene constatering dat de beschikking van de Rechtbank op goede gronden is gegeven en voldoet aan de toen gebruikelijke motiveringseisen heeft geoordeeld dat de Rechtbank verlenging van de termijn heeft uitgesloten.

19. Onderdeel c van het middel bouwt voort op onderdeel b. Het strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld, in r.o. 4, dat het verzoek van de vrouw afstuit op het derde lid van art. II Wet limitering na scheiding.

20. Dit derde lid bepaalt dat een rechterlijke uitspraak betreffende de beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud als bedoeld in het tweede lid niet bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken. Deze bepaling moet zo worden gelezen dat zij alleen van toepassing is op rechterlijke uitspraken waarbij de alimentatieverplichting definitief is beëindigd (vgl. de noot van S.F.M. Wortmann onder NJ 2001, 228). Nu het oordeel van het Hof dat het recht op alimentatie door de beschikking van 1995 definitief is geëindigd geen stand kan houden, is het derde lid niet van toepassing. Het onderdeel slaagt.

21. Onderdeel d van het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de onderhavige procedure er niet een is om een in het verleden gemaakte fout - het te laat instellen van hoger beroep - te herstellen (r.o. 5).

22. Ook dit middelonderdeel slaagt. Aangezien het oordeel van het Hof dat het recht op alimentatie door de beschikking van 1995 definitief is geëindigd door onderdeel b van het middel terecht wordt bestreden, moet worden aangenomen dat verdere verlenging niet is uitgesloten. Er is dan ook geen sprake van dat het onderhavige verzoek strekt tot herstel van een in het verleden gemaakte fout van de vrouw, maar tot termijnverlenging.

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,