Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD3991

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
23-10-2001
Zaaknummer
C99/368HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD3991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 267, geldigheid: 2001-10-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2002, 112
AV&S 2002, p. 46
JWB 2001/254

Conclusie

Rolnummer C 99/368 HR

Mr. Bakels

Zitting 8 juni 2001

Conclusie inzake

Vorkheftruckverhuurbedrijf VITESSE

tegen

VERZEKERAARS

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak (a) om de uitleg van een polisbeding waarin de dekking is beperkt tot een van buiten komende oorzaak, met als bijzonderheid dat een onder de polis meeverzekerde huurder de schade heeft veroorzaakt waarvan thans vergoeding wordt gevraagd en (b) om de vraag of het hof een bewijsaanbod op goede gronden heeft gepasseerd.

1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(a) Vitesse verhuurt onder meer vorkheftrucks. Zij heeft op 9 december 1988 een verzekeringsovereenkomst gesloten met verzekeraars voor de duur van twaalf maanden, met stilzwijgende verlenging. Blijkens de aanhef van de polis(1) heeft als verzekerde te gelden

"Vitesse Verhuurbedrijf voor vorkheftrucks en Kranen B.V. te Rotterdam e/o huurders e/o wie het in geval van schade moge aangaan".

Op deze verzekeringsovereenkomst is van toepassing de 'Nederlandse Beurspolis voor Landmateriaal 1985' (hierna: de beursvoorwaarden).(2)

(b) Art. 3 lid 1.2 van de beursvoorwaarden bepaalt:

"De verzekeraars vergoeden de schade door verlies of beschadiging van het verzekerde object of een deel daarvan als gevolg van:

a. een van buiten aankomend onheil

b. (...)"

(c) Vitesse heeft diverse aan haar toebehorende vorkheftrucks bij [A] geplaatst voor verhuur aan derden. Laatstgenoemde sloot de verhuurovereenkomsten met derden op eigen naam, maar trad in haar verhouding tot Vitesse daarbij op als tussenpersoon. De van derden/huurders ontvangen huur werd door [A] afgedragen aan Vitesse onder aftrek van een commissie.

(d) Op 30 januari 1990 heeft [A] een nieuwe vorkheftruck van het merk Hyster verhuurd en afgeleverd aan [betrokkene C], handelende onder de naam Handelsonderneming Huro. Deze heeft de vorkheftruck verduisterd door haar te verkopen en in eigendom over te dragen aan een zekere [betrokkene B]. Vitesse heeft revindicatoir beslag op de vorkheftruck gelegd en een vordering tot vanwaardeverklaring van het beslag ingesteld bij de rechtbank te 's Hertogenbosch. Deze vordering is na bewijslevering afgewezen, kort gezegd omdat Vitesse niet heeft gesteld dat zij het bezit van de vorkheftruck onvrijwillig heeft verloren en zij niet erin is geslaagd aan te tonen dat [betrokkene B] bij zijn verkrijging van de vorkheftruck te kwader trouw was.(3)

1.3 Tegen deze achtergrond heeft Vitesse bij dagvaarding van 8 augustus 1996 de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. Zij vorderde dat de rechtbank de verzekeraars zou veroordelen aan haar een bedrag van f 33 000,- te voldoen met rente en kosten en stelde daartoe dat door de verduistering van de vorkheftruck voor haar schade is ontstaan die is gedekt onder de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst.

1.4 De verzekeraars hebben ten verwere vier zelfstandige gronden aangevoerd waarop de vordering naar hun mening moest worden afgewezen.

Ten eerste hebben zij gesteld dat de schade pas is ontstaan doordat de rechtbank 's-Hertogenbosch de revindicatie door Vitesse van de vorkheftruck afwees. Op dat moment was de verzekering van de vorkheftruck al beëindigd.

Ten tweede hebben zij aangevoerd dat de vorkheftruck niet verloren is gegaan in de zin van de polis, omdat deze op zichzelf nog steeds bestaat.

Ten derde hebben zij zich beroepen op het onder 1.2(b) geciteerde polisbeding en in verband daarmee betoogd dat in het onderhavige geval niet kan worden gesproken van een van buiten aankomend onheil, omdat de schade is veroorzaakt door het optreden van [betrokkene C], die onder de polis was meeverzekerd.

Ten vierde hebben zij zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de omstandigheden van het gegeven geval, Vitesse zelf schuld heeft aan haar schade omdat [A], die het huurcontract met [betrokkene C] heeft gesloten en de vorkheftruck aan laatstgenoemde heeft afgeleverd, daarbij in hoge mate zorgeloos is opgetreden.

1.5 Bij vonnis van 8 juli 1998 heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Zij heeft de eerste twee verweren van de verzekeraars ondeugdelijk geacht, maar het derde gegrond bevonden, zodat zij aan een beoordeling van het vierde verweer niet toekwam. De cruciale overweging in dit verband luidde als volgt:

"dat [betrokkene C], als huurder van de vorkheftruck, tot de kring van verzekerden behoorde, welke hoedanigheid hij niet heeft verloren door de vorkheftruck te verkopen zonder daartoe gerechtigd te zijn. Onder deze omstandigheden is het handelen van [betrokkene C] geen van buiten aankomend onheil." (rov. 10)

1.6 Vitesse is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 9 september 1999 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het overwoog daartoe als volgt.

"4.1 Met de grieven wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat in casu geen sprake is van 'een van buiten aankomend onheil' in de zin van artikel 3 lid 1.2 van de beursvoorwaarden. Hieromtrent geldt het volgende.

4.2 Vitesse plaatste vorkheftrucks waaronder de onderhavige bij [A] voor verhuur aan derden. (...) De huur (werd) afgedragen aan Vitesse en (...) [A] (behield) een commissieloon.

Vitesse gaf de verhuur aldus uit handen aan [A] die naar buiten toe als verhuurder optrad, maar materieel als tussenschakel voor Vitesse fungeerde.

4.3 De onderhavige schade is veroorzaakt doordat de huurder van de aldus uitgezette vorkheftruck, [betrokkene C] (Huro), het apparaat verduisterde door dit - zonder daartoe gerechtigd te zijn - te verkopen aan [betrokkene B].

4.4 Blijkens de tekst op de voorzijde van de polis hebben - naast Vitesse - ook huurders van appellante als [betrokkene C] als medeverzekerden te gelden.

4.5 Gelet op voormelde omstandigheden en achtergrond, kan in redelijkheid niet worden gezegd dat de onderhavige verduistering door [betrokkene C] als een van buiten aankomend onheil in de zin van voormelde beursvoorwaarden is aan te merken. Veeleer valt de schade te zien als behorend tot het bedrijfsrisico dat Vitesse loopt bij de verhuur van haar apparaten op vorenomschreven wijze.

Voor wat betreft de omstandigheid dat [betrokkene C] als huurder is medeverzekerd, wordt nog overwogen dat de belangen van Vitesse als eigenares en [betrokkene C] als huurder in het onderhavige geval weliswaar uiteenlopen, doch dat het feit dat [betrokkene C] in de kring van verzekerden is getrokken, mede - naast de overige omstandigheden - grond oplevert voor het oordeel dat in dit geval van een van buiten aankomend onheil niet kan worden gesproken.

4.6 Vitesse heeft nog een bewijsaanbod gedaan, doch dit wordt als te vaag en ongespecificeerd verworpen."

1.7 Vitesse is tegen dit arrest tijdig in cassatie gekomen.(4) Zij voerde daartoe twee middelen aan, die uit diverse onderdelen en subonderdelen bestaan. De verzekeraars hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun onderscheiden stellingen vervolgens schriftelijk doen toelichten. Er is niet gerepliceerd of gedupliceerd.

2. Bespreking van de middelen

2.1 Middel I is in zijn beide onderdelen gericht tegen de redenen op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat de verduistering van de vorkheftruck door [betrokkene C] niet een van buiten aankomend onheil is in de zin van de polisvoorwaarden. Middel II keert zich tegen de gronden waarop het hof het bewijsaanbod van Vitesse heeft gepasseerd.

2.2 Onderdeel 1 van middel 1 bestrijdt rov. 4.5, eerste alinea van 's hofs arrest.

Het onderdeel strekt ertoe om 's hofs oordeel, dat de aard van het door Vitesse uitgeoefende bedrijf een rol speelt bij de uitleg van het begrip 'van buiten aankomend onheil' in de zin van de beursvoorwaarden, onderuit te halen. Volgens het onderdeel gaat het in dit verband uitsluitend om de vraag of aan Vitesse eigen schuld is aan te wrijven aan de verduistering danwel de vorkheftruck een gebrek had dat daartoe leidde; geen van beide is het geval.

2.3 De door het onderdeel aan de orde gestelde kwestie is verwant met de problematiek van het tamelijk recente Fortuna-arrest.(5) Het ging toen om een motorsailer die, voor de Spaanse kust, werd overvallen door boos weer, waartegen de bemanning kennelijk onvoldoende was opgewassen. Het schip bleef behouden doordat de hulp van een Spaanse sleepboot werd ingeroepen en verkregen. Zou het schip zijn vergaan, dan had de door de eigenaar gesloten verzekering dekking geboden. Toch hebben rechtbank en hof geoordeeld - en de Hoge Raad liet dit oordeel in stand - dat dit niet gold voor het sleeploon. De verzekeringspolis bood dekking tegen o.m. "een van buiten komend onheil"; het hof besliste evenwel dat in de gegeven omstandigheden geen sprake was van een "van buiten komend onheil in de zin van de voorwaarden".

2.4 In cassatie verdedigde de eigenaar van de Fortuna met onderdeel 1 dat het in de polis voorkomende begrip 'van buiten komend onheil' overeenkomstig de bedoeling van beide partijen moest worden uitgelegd conform de gelijkluidende wettelijke bepalingen. De A-G Bloembergen stelde het probleem op scherp:

"Onderdeel 1 tracht een basis te leggen voor de andere onderdelen. Die basis is dat het hof de polisbepalingen - met name die omtrent eigen gebrek en van buiten komend onheil - heeft geïnterpreteerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen. Die basis is aantrekkelijk voor de steller van het middel, omdat het dan niet gaat om een - in beginsel feitelijke - uitlegging van de polisbepalingen, maar om een in cassatie verdergaand te toetsen uitlegging van de wet."

2.5 Daarbij moet worden bedacht dat bij de uitleg van een beding in een verzekeringsovereenkomst als maatstaf geldt wat de verzekerde uit de in de verzekerings-formulieren (polis en daarbij behorende voorwaarden) gehanteerde bewoordingen redelijkerwijs had behoren te begrijpen en de verzekeraar redelijkerwijs mocht verwachten dat hem duidelijk zou zijn.(6) Anders gezegd: het gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.(7) Het komt dus ook in dit verband aan op de Haviltex-formule, ook wanneer dat beding onderdeel uitmaakt van de toepasselijk verklaarde beursvoorwaarden.(8) In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de desbetreffende verzekering.(9)

2.6 Als een bepaalde door partijen in hun overeenkomst gebruikte term echter strookt met een wettelijk equivalent en moet worden aangenomen dat zij dit begrip in de wettelijke zin hebben gebezigd, is de uitleg van het beding een kwestie van wetsuitleg geworden. In cassatie is dan een ruimere toetsing mogelijk dan het geval is bij de in beginsel feitelijke uitleg van contractuele bedingen.(10)

2.7 Terug naar het Fortuna-arrest. Anders dan de A-G verwierp de Hoge Raad de door onderdeel 1 verdedigde stelling, kort gezegd omdat in de stukken van de feitelijke instanties niets was te vinden over een gemeenschappelijke bedoeling zoals door het onderdeel gesteld. Vervolgens resteerde voor de Hoge Raad, evenals in ons geval, een toetsing van de door het hof aan de overeenkomst van partijen gegeven uitleg. Met toepassing van de vaste rechtspraak dat dit in beginsel een feitelijke kwestie is, overwoog hij:

"Het onderdeel faalt. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat waar partijen in hun debat de vraag aan de orde hebben gesteld of sprake is van een eigen gebrek, onderscheidenlijk van een van buiten komend onheil, zij ervan zijn uitgegaan dat voor de vaststelling van de betekenis van die begrippen, de inhoud van de tussen hen gesloten overeenkomst beslissend is. (...) Het zoëven vermelde oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht omdat de vaststelling van hetgeen door partijen in de feitelijke instanties is aangevoerd is voorbehouden aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt. Dit oordeel is in het licht van de inhoud van de gedingstukken ook niet onbegrijpelijk; nadere motivering behoefde het niet."

2.8 In de kern is het evenzo gesteld in de onderhavige zaak.

Vitesse verdedigde dat de in de beursvoorwaarden gebruikte term 'van buiten aankomend onheil' moet worden opgevat als een optelsom van de in het verzekeringsrecht gebruikelijke termen eigen schuld en eigen gebrek.(11) Wordt deze stelling aanvaard, dan gaat de uitleg van de polis op in de uitleg van deze wettelijke begrippen.

De verzekeraars daarentegen hebben betoogd dat het hier gaat om een uitleg van de beursvoorwaarden en meer in het bijzonder van de door de onderhavige verzekering geboden dekkingsomvang.(12) Als het hof deze uitleg heeft gevolgd, hebben wij in cassatie te maken met een in beginsel feitelijke kwestie.

2.9 Tegen deze achtergrond laat 's hofs arrest mijns inziens in redelijkheid geen andere uitleg toe (i) dan dat het de beursvoorwaarden heeft uitgelegd, (ii) met de door de verzekeraars bepleite uitkomst.

Het eerste blijkt uit het feit dat het hof zijn uitleg van het begrip 'van buiten aankomend onheil' heeft gepreciseerd door in rov. 4.1 (evenals in rov. 4.5) aan te halen dat het geschil erom draait of de verduistering van de vorkheftruck door [betrokkene C] een van buiten aankomend onheil is in de zin van (art. 3 lid 1.2 van) de beursvoorwaarden.

Het tweede valt af te leiden uit de omstandigheid dat het hof in het voetspoor van verzekeraars bij zijn uitleg klaarblijkelijk beslissende betekenis heeft toegekend aan de combinatie van de omstandigheden (a) dat [betrokkene C] tot de kring van de verzekerden behoorde en (b) dat de schade door de handelwijze van [betrokkene C] is veroorzaakt. Iets anders kan het hof immers niet hebben bedoeld met zijn verwijzing naar "voormelde omstandigheden en achtergrond" in de eerste zin van rov. 4.5.

2.10 Zou subonderdeel a de zojuist aangehaalde motivering hebben aangevallen, dan was die aanval vruchteloos gebleven. Het gaat hier immers om een feitelijke en niet onbegrijpelijke beslissing. Maar dat doet het subonderdeel niet. Het keert zich m.i. slechts tegen een verduidelijking van deze motivering. 's Hofs uitleg van de beursvoorwaarden houdt immers in dat Vitesse de onderhavige truck gebruikte voor de verhuur en daartoe mede de huurder had verzekerd tegen van buiten aankomend onheil, als hoedanig niet heeft te gelden de verduistering van de truck door de huurder (rov. 4.5, eerste zin). Het hof heeft dit oordeel nader toegelicht door daaraan toe te voegen - samengevat weergegeven - dat verduistering nu juist behoort tot het bedrijfsrisico dat Vitesse loopt en dus niet als een externe schadeoorzaak (rov. 4.5, tweede zin). Omdat het oordeel uit de eerste zin door het onderdeel niet wordt aangevallen, faalt subonderdeel a, dat is gericht tegen een overweging die geen zelfstandige betekenis heeft.

2.11 Subonderdeel b betoogt dat 's hofs uitleg zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is omdat het hof geen feiten heeft vastgesteld en deze evenmin ten processe zijn gebleken, waaruit volgt dat aan de beursvoorwaarden een betekenis moet worden toegekend die afwijkt van de in het verzekeringsrecht gangbare betekenis van voormeld begrip.

2.12 Het subonderdeel gaat niet op omdat 's hofs feitelijke oordeel geen nadere toelichting behoefde om begrijpelijk te zijn. Het is immers voldoende duidelijk dat dit oordeel onder de Haviltex-paraplu met name berust op het feit dat [betrokkene C] als medeverzekerde onder de polis heeft te gelden. Het hof hoefde niet te motiveren waarom het bij de uitleg van de door de verzekering geboden dekking geen betekenis toekende aan criteria die zijn ontleend aan de vraag wanneer een verzekerde schuld heeft aan zijn - in beginsel gedekte - schade.

2.13 Subonderdeel c ten slotte haakt in op het feit dat het hof heeft gesproken van "het bedrijfsrisico dat Vitesse loopt bij de verhuur van haar apparaten op vorenomschreven wijze" en gaat van de veronderstelling uit dat het hof met de door mij gecursiveerde woorden heeft gedoeld op de specifieke wijze waarop de onderhavige vorkheftruck is verhuurd, namelijk door een tussenpersoon. Daarvan uitgaande stelt het subonderdeel dat dit oordeel mank gaat aan een motiveringsgebrek.

2.14 De verzekeraars hebben aangevoerd dat deze overweging 's hofs oordeel niet mede draagt(13), daartoe stellende dat alleen de eerste zin van rov. 4.5 de dragende overweging van 's hofs beslissing bevat en dat de overige overwegingen ten overvloede zijn gegeven. Ik deel deze mening niet. In mijn ogen is rov. 4.5, eerste zin, de scharnier van het arrest. Zij bevat zowel de slotsom van de door het hof aan de beursvoorwaarden gegeven uitleg als - door een verwijzing naar "voormelde omstandigheden en achtergrond" en daarmee naar de rov. 4.2-4.4 - een gedeelte van de motivering daarvan. De derde zin van rov. 4.5 werkt dit oordeel verder uit door de daarop door Vitesse geuite kritiek te weerleggen. Daarom moet ook deze overweging als mede redengevend worden beschouwd voor het eindoordeel in de eerste zin van rov. 4.5.

2.15 Het lot van het subonderdeel is m.i. afhankelijk van de vraag hoe men de woorden "op vorenomschreven wijze" wil opvatten. Twee varianten zijn denkbaar. Het meest aannemelijk acht ik de uitleg die het subonderdeel daaraan geeft omdat het hof in rov. 4.2 heeft uiteengezet dat Vitesse de verhuur van de trucks uit handen gaf aan [A], die naar buiten toe als verhuurder optrad maar materieel als tussenschakel voor Vitesse fungeerde. In deze ook door mij aanvaarde uitleg is de klacht gegrond omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, inderdaad niet valt in te zien waarom deze omstandigheid van belang is voor het bepalen van de omvang van het bedrijfsrisico van Vitesse. Met name heeft het hof niet vastgesteld - en dit spreekt ook niet vanzelf - dat deze wijze van verhuur riskanter is met het oog op het risico voor verduistering, dan een verhuur rechtstreeks door Vitesse zelf.

2.16 Niet geheel onverdedigbaar is evenwel dat het hof met deze - vaag geformuleerde - overweging heeft gedoeld op het feit dat bij de uitgifte in verhuur nauwelijks screening plaatsvond van de huurder. Tegen deze uitleg pleit evenwel, ten eerste, dat een gebrek aan zorg in 's hofs overwegingen geen kenbare rol speelt, zodat moeilijk kan worden volgehouden dat dit een 'vorenomschreven' omstandigheid is. Ten tweede hebben de verzekeraars zich hierop niet beroepen in het kader van hun onderhavige, derde verweer, maar in de context van hun vierde verweer (eigen schuld). Het hof is aan de beoordeling daarvan niet toegekomen. Hoe dat zij, aanvaardt men deze uitleg, dan mist het subonderdeel feitelijke grondslag.

2.17 Onderdeel 2 is gericht tegen de tweede alinea van rov. 4.5, waarin het hof overweegt dat de belangen van Vitesse als eigenares en [betrokkene C] als huurder van de vorkheftruck in het onderhavige geval weliswaar uiteenlopen, maar dat het feit dat [betrokkene C] in de kring van verzekerden is getrokken mede - naast de overige omstandigheden - grond oplevert voor het oordeel dat in dit geval niet van een van buiten aankomend onheil kan worden gesproken.

Subonderdeel a meent dat het hof aldus heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Juist omdat de belangen van Vitesse en [betrokkene C] in het onderhavige geval uiteenlopen, staat het feit dat [betrokkene C] tot de kring van verzekerden behoorde, niet eraan in de weg dat van een van buiten komend onheil kan worden gesproken.

Subonderdeel b neemt de zinsnede "naast de overige omstandigheden" op de korrel. Voorzover het hof daarmee andere omstandigheden op het oog heeft dan in de eerste alinea van rov. 4.5 zijn vermeld, lijdt zijn oordeel aan een motiveringsgebrek omdat onvoldoende duidelijk is over welke omstandigheden het dan gaat.

2.18 De beoordeling van het onderdeel spitst zich in mijn ogen toe op een uitleg van het Fatum II-arrest van de Hoge Raad.(14) Deze Antilliaanse zaak betrof een geval waarin iemand die in algehele gemeenschap was getrouwd, overleed. Tot zijn nalatenschap en de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorde een huis, dat tegen brand was verzekerd. Toen daarin brand uitbrak, claimden de Erven als verzekerden de verzekerde som. De verzekeraar wierp met succes tegen dat één van de drie Erven merkelijke schuld had aan de brand. De vraag rees toen wat daarvan het gevolg was voor het recht op uitkering van de andere twee verzekerden. Anders dan het gerecht in eerste aanleg oordeelde het gemeenschappelijk hof, dat het recht op uitkering van de overige deelgenoten eveneens was komen te vervallen. De Hoge Raad verwierp het daartegen ingestelde beroep:

"Aan art. 63 KNA (art. 294 K) ligt de gedachte ten grondslag dat de verzekeraar bij de beoordeling van het risico dat hij krachtens de te sluiten overeenkomst zal gaan lopen, ervan mag uitgaan dat de verzekerde niet zózeer te kort schiet in zorg ter voorkoming van schade dat er sprake is van merkelijke schuld. Zijn er - zoals hier - meer verzekerden, dan brengt deze gedachte mede dat de verzekeraar ervan mag uitgaan dat zij geen van allen aldus tekort schieten.

Uit een en ander vloeit voort dat verzekeraar niet tot vergoeding van schade gehouden is als de brand door merkelijke schuld van een der verzekerden veroorzaakt is."

2.19 Door aldus te oordelen sprak de Hoge Raad zich meer categorisch uit dan de A-G Asser in zijn conclusie had gedaan:

"3.17 (...) Waar het gaat om een pluraliteit van verzekerden die elk voor hun onverdeeld aandeel gerechtigd zijn in de verzekering, is de zorg voor het verzekerde goed een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid - zo men wil: een kwestie die binnen hun risicosfeer ligt. Ik heb in zo'n geval niet zoveel moeite om hen elkaars falen op dat punt toe te rekenen.

3.18 Voorts zou, waar sprake is van een in de onverdeelde nalatenschap aanwezige verzekeringsovereenkomst, een partiële uitkering weer in de onverdeelde boedel vallen (tenzij men de andere verzekerden een eigen recht zou geven, zoals Van Huizen met betrekking tot de andere echtgenoot voorstelt, waartoe ik echter geen rechtsgrond aanwezig zie), en zo weer ten goede komen aan de verzekerde aan wie merkelijke schuld verweten kan worden."

Onduidelijk is of de Hoge Raad, door zich meer algemeen uit te spreken dan Asser deed, een harde regel heeft willen aanvaarden of dat de door hem gekozen formulering niet los mag worden gezien van het berechte geval, in welk geval hij niet iets anders zou hebben bedoeld dan de A-G.

2.20 De reacties op het arrest hebben met elkaar gemeen dat, zo de schrijvers niet deze laatste uitleg aanvaarden, zij kritiek leveren op het arrest.

Sterk(15) schrijft:

"De motivering van de Hoge Raad is nogal sober. Zij roept de vraag op of zij wel redengevend is. De redenering van het college is in zoverre te volgen dat het ervan uitgaat dat de verzekeraar mag verwachten dat alle verzekerden niet tekort zullen schieten in de zorg ter voorkoming van schade. Vervolgens leidt de Hoge Raad daaruit af dat merkelijke schuld van één van de verzekerden ook tegen de anderen kan worden tegengeworpen. Maar waarom is dat zo? Die vraag dringt zich vooral op als tussen de verzekerden slechts een losse band bestaat en de assuradeur hiervan op de hoogte is."

2.21 Dorhout Mees(16) nuanceert:

"Het arrest is gewezen in verband met een betrekkelijk eenvoudige situatie: een objectverzekering waarbij de medeverzekerden ieder een gelijksoortig belang in dat object hadden. In die situatie heb ik er weinig moeite mee dat (merkelijke) schuld van de ene verzekerde wordt toegerekend aan de ander.

Moeilijker ligt het bij meer complexe vormen van verzekering, zoals de CAR-verzekering. Zoals bekend worden daar de betrokkenen bij de bouw allen als verzekerden aangemerkt. Betekent dit arrest nu dat de (merkelijke/grove) schuld van de aannemer aan de opdrachtgever wordt toegerekend, indien deze claimt onder de rubriek 'het werk'? Ik zou daar toch meer moeite mee hebben; de rubriek 'het werk' is immers juist gesloten met het oog op schade veroorzaakt door onder meer schuld van de aannemer."

Enigszins anders is de constructie die hij in zijn proefschrift hanteert; met zijn eerdere benadering heeft deze echter gemeen dat naar verfijning van het arrest wordt gezocht(17):

"Deze uitspraak betrof dus niet het geval van medeverzekerden die op grond van een derdenbeding aanspraak onder de polis maken. Uitgangspunt voor de Hoge Raad was dat de 'medeverzekerden' in dit geval gelden als 'verzekerden'. Veelzeggend lijkt mij ook dat de Hoge Raad de situatie bespreekt waarin de verzekeraar meerdere verzekerden 'tegenover zich heeft staan'. Zolang een medeverzekerde niet heeft aanvaard, kan hij geen recht tegenover de verzekeraar doen gelden en kan hij m.i. dus niet 'tegenover de verzekeraar staan'."

2.22 Mijnssen(18) beperkt de reikwijdte van het arrest niet alleen, maar komt bovendien met een nieuwe invalshoek ter onderscheiding van verschillende in aanmerking komende situaties:

"Ten aanzien van deze uitspraak moet in de eerste plaats worden vooropgesteld dat het arrest een geval betrof waarin een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot de zaak had verzekerd. Na zijn overlijden behoorden tot de nalatenschap en de ontbonden huwelijksgemeenschap het verzekerde object en de verzekering. In het arrest is geen antwoord te vinden op de vraag of ook wanneer niet sprake is van verzekering van een tot een gemeenschap behorende zaak, roekeloosheid van een medeverzekerde de verzekeraar bevrijdt. Ik zou menen dat geen aanleiding ervoor bestaat zulks aan te nemen.

Anders dan de Memorie van Toelichting op art. 7.17.2.9 kennelijk tot uitgangspunt neemt, is niet beslissend of een tot een gemeenschap behorende zaak was verzekerd, maar of de verzekering het gemeenschappelijk belang dekte, met andere woorden of de rechten uit de verzekering in de gemeenschap vallen. Mij dunkt dat, zoals ik reeds opmerkte, moet worden aanvaard dat mogelijk is dat een deelgenoot zijn eigen belang bij een of meer tot een gemeenschap behorende zaken verzekerde, in welk geval de uit de verzekering voortvloeiende aanspraak op vergoeding niet in de gemeenschap valt. In dat geval zal de andere deelgenoot of zullen de andere deelgenoten als derden zijn aan te merken."

2.23 In zijn handboek(19) denkt Mijnssen in dezelfde lijn:

"Is een in een gemeenschap vallende zaak verzekerd, dan kan de vraag rijzen of de verzekeraar zich kan beroepen op een tekortkoming in de zorg van een der deelgenoten. Deze vraag moet volgens HR 19 juni 1992, NJ 1993, 555 in die zin worden beantwoord dat, wanneer er meer verzekerden zijn, geen van allen aldus tekort mogen schieten. Het beslissende punt is aldus niet of de verzekerde zaak in de gemeenschap valt maar of de deelgenoten gezamenlijk verzekerd zijn."

2.24 Ook Wansink(20) aanvaardt het arrest niet zonder meer. Bij de bespreking van 'eigen schuld en gedragingen van anderen' schrijft hij:

"Uitgangspunt is dat aan de (belanghebbende) verzekerde uitsluitend eigen (merkelijke) schuld, respectievelijk opzet kan worden tegengeworpen. Zowel art. 276 WvK als ook - voor het komend recht - art. 7.17.2.9 NBW 1986 spreken uitdrukkelijk over 'eigen schuld' van de verzekerde. Kent de polis een ruime kring van verzekerden, dan blijft mitsdien schuld van een andere verzekerde wiens verzekerd belang niet in het geding is, buiten beschouwing.

(...)

Dekking verlenen in geval van boos opzet van een ander dan de (belanghebbende) verzekerde zelf, is ook niet in strijd met de openbare orde en/of goede zeden. Immers, vergoed wordt de schade die de verzekerde in zijn vermogen lijdt, en niet deze maar een ander (al dan niet medeverzekerde) heeft de schade veroorzaakt.

Specifiek ten aanzien van het Fatum II-arrest verwijst(21) Wansink kennelijk instemmend naar Clausing en Salomons,

"die beiden moeite hebben met de consequentie dat op deze manier ook voor verzekerden die tegenover de verzekeraar niet tekort zijn geschoten, de dekking vervalt."

2.25 In zijn proefschrift doet ook Salomons(22) zijn best het arrest zoveel mogelijk te relativeren. Weliswaar, zo meent hij, lijkt het arrest betrekking te hebben op elke situatie waarin sprake is van verschillende verzekerden, maar dit kan zeer onbevredigend zijn, hetgeen temeer geldt bij gemeenschappen waarin de deelgenoten min of meer los ten opzichte van elkaar staan. Daarom wil hij de reikwijdte van het arrest aanstonds beperken tot zaaksverzekering en dus uitsluiten

"dat de Hoge Raad tevens heeft willen beslissen dat bij een aansprakelijkheidsverzekering opzet van de ene verzekerde in de weg staat aan dekking voor een andere verzekerde (...)."

Salomons meent voorts dat het pas redelijk is om het falen van één van de verzekerden ook aan de anderen tegen te werpen als er sprake is van enige verbondenheid tussen hen. Er is reden tot twijfel wanneer die verbondenheid uit niet meer bestaat dan de mede-eigendom van een verzekerde zaak.(23) Hij stelt verder:

"Voor het bepalen van de reikwijdte van het arrest MCB/Fatum II dient (...) te worden onderscheiden tussen verschillende situaties waarbij er meer dan één verzekerde is. Toerekening van schuld is niet op zijn plaats wanneer verzekerden verzekerd zijn ten aanzien van verschillende belangen, tenzij zij wellicht de verzekering gemeenschappelijk hadden afgesloten."

Concluderend stelt hij:

"(dat er) aanleiding (is) de verzekerden elk afzonderlijk van elkaar te beschouwen wanneer de verzekerde belangen ongelijksoortig zijn of niet dezelfde objecten betreffen."

En voorts(24):

"Voor verval van recht is allereerst vereist dat de schuldige tevens verzekerde is, en daarnaast dat ofwel een verzekerd belang (meer dan toevallig) gemeenschappelijk is, ofwel dat zij gezamenlijk de wederpartij vormen van de verzekeraar."

2.26 Van Eijk-Graveland(25) sluit zich in haar uitgebreide bespreking van het arrest voornamelijk aan bij Salomons. Ook zij is van mening dat het arrest geen betrekking heeft op aansprakelijkheidsverzekeringen en slechts geldt voor het geval de verzekerde zaak in een gemeenschap valt, meer in het bijzonder een gebonden gemeenschap.

2.27 Voor de goede orde merk ik nog op dat Asser, Mijnssen, Wansink en Salomons in hun beschouwingen onder meer naar art. 7.17.2.9 Ontwerp BW verwijzen, de beoogde opvolger van de art. 276 en 294 K, dat in het tweede lid aanvankelijk bepaalde:

"Opzet of schuld van de al dan niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de verzekerde geldt als opzet of uit eigen schuld van de verzekerde."

Ter toelichting werd het volgende opgemerkt:

"Indien echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd kan op goede gronden worden aangenomen dat, indien één hunner zaken van de gemeenschap verzekert, ook de ander verzekerde is, zodat de verzekeraar ook op zijn of haar schuld beroep zou kunnen doen (anders Rechtbank Amsterdam 23 maart 1983, NJ 1985, 304). De mogelijkheid hiervan zou dan afhangen van het regime van het huwelijksgoederenrecht. Het thans voorgestelde lid 2 stelt dit onredelijke verschil terzijde."(26)

2.28 Zoals reeds Asser in zijn conclusie voor het Fatum I-arrest heeft opgemerkt en de na hem komende schrijvers hebben overgenomen, is deze bepaling kennelijk ontleend aan een noot van Meijers onder een oud arrest van de Hoge Raad.(27) Het arrest betrof het geval dat het huis van een verzekerde was afgebrand, welke brand door zijn echtgenote is aangestoken. De vraag rees vervolgens of laatstgenoemde daarmee een onrechtmatige daad jegens de verzekeraar had gepleegd. De Hoge Raad besliste dat dit niet zo was. In zijn noot sprak Meijers zijn verbazing erover uit dat de verzekeraar zich tegenover de verzekerde niet had beroepen op art. 294 K:

"Bij algehele gemeenschap van goederen is de vrouw evengoed de verzekerde als de man; alle schulden en vorderingen zijn tussen de echtgenoten van rechtswege door het huwelijk gemeen; wanneer de vrouw het huis in brand steekt, is de schade door merkelijke schuld van de verzekerde veroorzaakt."

2.29 Bij nota van wijziging(28) is dit tweede lid echter geschrapt, kort gezegd zowel vanwege de daarop in de literatuur geleverde kritiek als omdat de bepaling in zoverre niet nodig is, dat als een verzekerde zaak in een huwelijksgoederengemeenschap valt, ingevolge art. 7.17.2.4 iedere deelgenoot voor zijn belang in die zaak verzekerd is.(29)

De gewijzigde toelichting op art. 7.17.2.4(30) vermeldt echter dat deze regel voor andere gemeenschappen niet geldt

"omdat de deelgenoten daarvan niet zonder meer een zodanige band met elkaar hebben dat wenselijk is dat bij een verzekering van een zaak door een deelgenoot ook de belangen van de andere deelgenoten gedekt zijn."

In dergelijke gevallen - en ook als tussen de verzekerden geen gemeenschap bestaat - geldt de regel van art. 7.17.2.4 lid 1, dat luidt:

"De overeenkomst dekt slechts belangen van de verzekeringnemer, tenzij anders is overeengekomen."

Over de vraag of in een dergelijke situatie de eigen schuld van de ene verzekerde aan de schade aan de andere moet worden toegerekend, zwijgen de toelichtende stukken.

2.30 Resumerend kan worden vastgesteld dat het Fatum II-arrest bij geen enkele schrijver op instemming kan rekenen, als het tenminste zou moeten worden toegepast in de ruime zin waarin het is geformuleerd. De schrijvers verschillen - zoals vaker - over de daartoe te bewandelen weg. In de literatuur vindt men zowel een benadering langs de weg van de gemeenschap als een verbintenisrechtelijke invalshoek.

De eerste benadert het probleem met als uitgangspunt dat tussen de belanghebbende verzekerden een gemeenschap bestaat waarin het verzekerde object valt. Meijers constateert in zijn zojuist geciteerde noot niet méér dan dat, áls dit zo is, de eigen schuld van de ene verzekerde aan de andere kan worden toegerekend. Salomons vindt deze conclusie te stellig en wil onderscheiden al naar gelang de vraag of die gemeenschap meer of minder gebonden en/of meer of minder toevallig is. Mijnssen corrigeert het uitgangspunt van Meijers door als onderscheidend criterium te beschouwen of de verzekering een gemeenschappelijk belang dekt. Ook als tussen de verzekerden een gemeenschap bestaat, wil hij de eigen schuld van de ene verzekerde toch niet aan de andere toerekenen als hun verzekerde belangen verschillen.

Maar het feit dat in één en dezelfde polis meer partijen als verzekerden zijn aangewezen, impliceert niet steeds of zonder meer dat tussen die verzekerden een gemeenschap bestaat. In deze lijn wordt gedacht door Asser, die het typerende aspect van de Fatum-casus ziet in het feit dat sprake is van een pluraliteit van verzekerden die ieder voor een onverdeeld aandeel gerechtigd zijn in de verzekering. Dorhout Mees onderscheidt al naar gelang de in de polis genoemde verzekerden tot de overeenkomst zijn toegetreden en naar gelang het belang bij en het aandeel in de schade van ieder van de verzekerden. Wansink acht beslissend of de belangen van de verzekerden dezelfde zijn of niet.

2.31 Deze benaderingen hoeven elkaar niet uit te sluiten. De omstandigheid dat, als sprake is van een eigen-schuld-probleem in het geval van meer verzekerden die ieder een belang hebben bij een gemeenschappelijk goed, wordt gekozen voor enigerlei geamendeerde Meijers-variant, sluit niet uit dat als geen sprake is van een gemeenschappelijk goed, voor een enigszins andere invalshoek wordt gekozen.

2.32 Ik roep nu in herinnering dat ons geval niet gaat om de vraag wanneer de eigen schuld van een verzekerde aan een andere verzekerde moet worden toegerekend, maar om uitleg van de beursvoorwaarden. Hoewel het hier juridisch-technisch gezien om verschillende vraagstukken gaat, meen ik echter dat de verwantschap tussen beide zo groot is, dat - in een vloeiend verbintenissenrecht - beide kwesties gelijk moeten worden behandeld. Tegen de achtergrond van het vorenstaande meen ik dat in beide gevallen moet worden onderscheiden tussen situaties waarin de verzekerden hetzelfde - of eenzelfde soort - belang hebben bij de verzekerde zaak en waarin hun belangen tegengesteld zijn, althans uiteenlopen. Mede in aanmerking nemend dat in dit geval van enigerlei gemeenschap tussen verhuurder en huurder geen sprake is, stel ik daarom in beide gevallen als vuistregel van uitleg voor dat, indien onder één en dezelfde verzekering meer partijen zijn verzekerd, de eigen schuld van de een aan de schade in beginsel niet aan de ander mag worden toegerekend voorzover dekking wordt verleend van verschillende belangen.

2.33 In ons geval lopen de verzekerde belangen van de eigenaar van de vorkheftruck, Vitesse en van de huurder, [betrokkene C], in zoverre parallel dat deze polis en de daarbij behorende beursvoorwaarden dekking biedt tegen bijvoorbeeld diefstal door een derde. Eigen schuld van [betrokkene C] aan zo'n diefstal, bijvoorbeeld door de vorkheftruck op een niet-afgesloten terrein gedurende de nacht achter te laten met de sleuteltjes in de cabine, moet daarom worden toegerekend aan Vitesse.

Hun belangen lopen echter niet parallel in het onderhavige geval, waarin de huurder [betrokkene C], door de vorkheftruck te verduisteren, zelf de schade veroorzaakt waartegen de beursvoorwaarden in het geval van Vitesse op zichzelf bezien juist dekking biedt. Als in een dergelijke situatie de eigen schuld van de huurder zou worden toegerekend aan de verhuurder zou het zo zijn zoals Salomons(31) in een enigszins andere context stelt:

"De 'extra's' van een polis, zoals een dekking ten behoeve van logé's, kunnen zich aldus op verrassende wijze keren tegen de verzekeringnemer!"

2.34 De kritiek op 's hofs beslissing kan ook op enigszins andere wijze worden toegelicht dan ik zojuist deed. Vitesse heeft niet uit altruïsme, maar in het belang van haar eigen bedrijfsvoering mede haar huurders verzekerd tegen de risico's van onder meer het verloren gaan van de truck. In de verhouding huurder/verhuurder heeft immers in beginsel te gelden dat de huurder die een gehuurde truck in beschadigde toestand teruggeeft of daartoe zelfs helemaal niet meer in staat is als gevolg van diefstal, schadeplichtig is, tenzij hij met succes een beroep op overmacht kan doen. In het maatschappelijk verkeer is een dergelijke risicover-deling echter onaanvaardbaar. De huurder van een truck moet erop kunnen vertrouwen dat hij alleen in het geval van opzet of daaraan grenzende roekeloos aansprakelijk zal worden gehouden. Door binnen die verruimde grenzen ook het belang van de huurder bij de truck te verzekeren (en de kosten daarvan in de huurprijs door te berekenen), dekt de verhuurder dus indirect mede zijn eigen belang. Onder deze omstandigheden zou het ongerijmd zijn die extra dekking tégen de verhuurder te laten werken op de thans door de verzekeraar bepleite wijze. Rechtbank en hof, die dit anders zagen, hebben zich kennelijk laten leiden door de formele constructie van de beursvoorwaarden en de daarin gekozen formuleringen. Zij hebben niet door die constructie heen gekeken naar de onderliggende strekking daarvan. Dat is het eigenlijke bezwaar dat men tegen hun beslissingen kan hebben.

2.35 In dit licht meen ik dat subonderdeel a slaagt. Hantering van de bekende 'gevorkte' motivering zou m.i. in dit geval voor de hand liggen: als het hof de bovenstaande vuistregel heeft miskend, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting; als het deze regel wél aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, is zonder nadere motivering onduidelijk welke bijzondere omstandigheden ertoe hebben geleid de handelwijze van [betrokkene C] toch aan Vitesse toe te rekenen. Het cassatiemiddel biedt daartoe echter geen ruimte omdat het slechts een rechtsklacht bevat. Maar mét - naar ik aanneem - de steller van het middel acht ook ik het wel verantwoord het bestreden arrest zo te lezen, dat het hof blijkbaar heeft geoordeeld dat - bij een polis en beursvoorwaarden als de onderhavige - de eigen schuld van de huurder, ongeacht diens belang bij de verzekerde zaak, in die zin aan de verhuurder valt toe te rekenen dat verduistering van de verzekerde zaak door de huurder niet als een van buiten komende oorzaak in de zin van de beursvoorwaarden heeft te gelden. Deze rechtsopvatting acht ook ik in zijn algemeenheid onjuist.

2.36 Bij deze stand van zaken hoeft subonderdeel b, dat is gericht tegen de zinsnede "naast de overige omstandigheden" en dat deze verwijzing onaanvaardbaar vaag acht, geen bespreking. Het is dan ook ten overvloede dat ik opmerk ook dit subonderdeel gegrond te achten, omdat het mij onduidelijk is welke omstandigheden het hof hiermee bedoelt.

2.37 Tot mijn genoegen kan ik over middel II aanzienlijk korter zijn dan over middel I. Het klaagt over de verwerping van het bewijsaanbod van Vitesse als te vaag en ongespecificeerd, hoewel de raadsman van Vitesse bij pleidooi in hoger beroep zijn eerder gedane algemene bewijsaanbod als volgt heeft uitgewerkt:

"Als feit is relevant dat Vitesse de verzekeringsovereenkomst (mede) gesloten heeft met het oog op verduistering en/of schade door onder meer schuld van de onderhuurder. Bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst is uitdrukkelijk aan de orde gesteld dat Vitesse alsdan claimrecht toekomt, van welk feit Vitesse uitdrukkelijk bewijs aanbiedt."

Onderdeel a klaagt dat uit het arrest onvoldoende blijkt of het hof dit gespecificeerde aanbod mede in aanmerking heeft genomen. Onderdeel b stelt dat, mocht dit het geval zijn, zonder toelichting - die ontbreekt - onduidelijk is waaróm dit bewijsaanbod te vaag en te weinig gespecificeerd is.

2.38 Het middel en meer in het bijzonder onderdeel b daarvan is in zoverre gegrond, dat een bewijsaanbod ook nog bij pleidooi in hoger beroep kan worden gedaan en alsdan in de beoordeling moet worden betrokken. Niet kan worden gezegd dat het onderhavige bewijsaanbod te vaag is. Voorzover het hof met zijn oordeel, dat het te weinig gespecificeerd zou zijn, bedoelde dat Vitesse had moeten aangeven hoe het dit bewijs dacht te leveren, stelt het een eis die in het recht geen steun vindt.(32) Mocht het met deze overweging een andere bedoeling hebben gehad, dan is deze mij niet duidelijk geworden.

2.39 Bij het vorenstaande heeft Vitesse echter geen belang. Zoals de advocaat van de verzekeraars, mr. Meijer, in zijn schriftelijke toelichting mijns inziens terecht opmerkt(33), kan de te bewijzen aangeboden omstandigheid niet anders worden aangemerkt dan als een nieuwe grief. Omdat niet blijkt dat de verzekeraars de rechtsstrijd op dit punt hebben aanvaard, is deze grief te laat voorgedragen. Het hof had het bewijsaanbod daarom moeten verwerpen als - in dit licht - niet ter zake dienend. Het middel heeft dus in zijn beide onderdelen geen succes.

2.40 Uit het voorgaande volgt dat deze conclusie tot vernietiging zal strekken. Voor de goede orde merk ik ten slotte op dat het hof Den Haag na verwijzing ingevolge de devolutieve werking van het appèl zowel - wederom - de door de rechtbank verworpen eerste twee verweren van de verzekeraars zal moeten bespreken als - alsnog - het nog niet beoordeelde vierde verweer.

3. Conclusie

Deze strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, met verwijzing van de zaak naar het hof Den Haag en met veroordeling van de verzekeraars in de proceskosten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Productie 2 bij de conclusie van antwoord.

2 Productie 1 bij de conclusie van antwoord.

3 Het op 24 april 1992 gewezen tussenvonnis en het van 8 april 1994 daterende eindvonnis zijn overgelegd als producties 2 en 4 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg.

4 De cassatiedagvaarding dateert van 26 november 1999.

5 HR 2 mei 1997, NJ 1997, 597.

6 HR 10 augustus 1988, NJ 1989, 238.

7 Asser-Clausing-Wansink, 1998, nrs. 181-182.

8 Asser-Clausing- Wansink, 1998, nr. 187 (impliciet).

9 In HR 11 januari 1991, NJ 1991, 271, werd de omvang van de verleende dekking mede afgeleid uit "de aard van een kostbaarhedenverzekering als de onderhavige", die meebrengt dat ook tegen de gevolgen van een moment van onbedachtzaamheid was verzekerd.

10 In het algemeen over uitleg van begrippen in een overeenkomst die corresponderen met een wettelijk begrip, Veegens/ Korthals Altes/ Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 109. Ten aanzien van verzekerings-overeenkomsten evenzo de A-G Bloembergen in diens conclusie voor het Fortuna-arrest en de conclusie van de A-G Asser onder 2.9, meer in het bijzonder noot 10, voor HR 8 juli 1991, NJ 1991, 778. In het arrest HR 16 februari 1996, NJ 1997, 186, had het hof hij de uitleg van de polis tot uitgangspunt genomen dat de aard van de onderhavige verzekering (een aansprakelijkheidsverzekering) noopte tot aansluiting bij het begrip houder in de zin van de WAM en het verdrag waarop de WAM is gebaseerd. De keuze van dit uitgangspunt werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geacht.

11 Het standpunt van Vitesse ligt vast in de conclusie van repliek 13-20 ("Dat de term 'van buiten komend onheil' betekent dat de gevolgen van eigen gebrek (behoudens andersluidend beding) en (de in de verzekeringsovereenkomst genoemde vorm van) eigen schuld van de verzekeringnemer niet voor rekening van de verzekeraar komt doch voor het overige gelijkgesteld moet worden met het verzekeringsrechtelijke begrip: 'onzeker voorval'.") en de memorie van grieven nr. 7 ("Het begrip 'van buiten aankomend onheil' betekent niet meer of anders dan dat in beginsel eigen gebrek, eigen bederf en opzet of schuld van de verzekerden niet zijn gedekt.").

12 Het standpunt van de verzekeraars is te vinden in de conclusie van antwoord 10 ("Men kan niet spreken van een van buiten aankomend onheil, wanneer de oorzaak van de schade is gelegen in het verzekerde object zelf, dan wel binnen de kring van de verzekerden. (...). In deze kwestie ligt (...) de oorzaak van de schade in de persoon van een van de verzekerden. Van een van buiten aankomend onheil kon dus niet worden gesproken."). Evenzo de conclusie van dupliek nr. 13 en de memorie van antwoord nr. 5.

13 S.t. nr. 4.2.2.

14 HR 22 juni 1992, NJ 1993, 555. Aan dit arrest was (uiteraard) voorafgegaan het arrest Fatum-I, HR 21 september 1990, NJ 1990, 831.

15 Verzekeringsrecht: merkelijke schuld; Bb 7 augustus 1992, 152.

16 Vrb 27 oktober 1992, blz. 67.

17 De CAR-verzekering, 1996, blz. 105.

18 Grove schuld of roekeloosheid van een verzekerde, Cahen-bundel blz. 211.

19 Scheltema/Mijnssen, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, 1998, nr. 5.43.

20 Asser/Clausing/Wansink, 1998, nr. 268.

21 A.w. nr. 270

22 Verzekering ten behoeve van een derde, 1996, blz. 344.

23 A.w. blz. 345.

24 A.w. blz. 349.

25 Verzekerbaarheid van opzet in het schadeverzekeringsrecht, diss. Utrecht, 1999,blz. 227-244.

26 Wetsontwerp 19 529, TK 1985-1986, nr. 3, blz. 26.

27 HR 24 januari 1930, NJ 1930, 299.

28 Wetsontwerp 19 592, TK 1999-2000, nr. 5, blz. 31.

29 Deze bepaling brengt de mogelijkheid mee dat de verzekeraar aan de ene echtgenoot dient uit te keren terwijl hij krachtens de subrogatie een vordering tot eenzelfde bedrag op de andere echtgenoot krijgt.

30 T.a.p. blz. 29.

31 A.w. blz. 344.

32 Vademecum BPR (Numann), blz. [31]-20-24; HR 21 juni 1991, NJ 1991, 726.

33 S.t. nr. 5.4.