Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD3990

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
16-11-2001
Zaaknummer
C99/365HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD3990
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 666
JWB 2001/310
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C99/365

mr. C.L. de Vries Lentsch-Kostense

Zitting 7 september 2001

Conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Inleiding

1. Partijen, verder ook: de man en de vrouw, zijn echtgenoten; zij zijn buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd. Partijen hebben de echtelijke samenwoning beëindigd. In dit geding komt de man in cassatie op tegen 's Hofs oordeel dat het door partijen overeengekomen boetebeding moet worden gematigd, tegen 's Hofs verwerping van het betoog van de man dat de vrouw rekening en verantwoording schuldig is ter zake van beheer over aan haar toevertrouwde AOW-gelden, tegen 's Hofs afwijzing van de vordering tot terugbetaling van de door de man betaalde canon betreffende het erfpachtrecht van de vrouw en tegen 's Hofs verwerping van 's mans verweer tegen de reconventionele vordering van de vrouw tot verrekening van een bedrag van ruim f 110.000,-. Het middel faalt in al zijn onderdelen. Voordat ik het middel bespreek, geef ik een kort overzicht van de feiten en van het verloop van het geding voorzover in cassatie nog relevant.

2. Tussen partijen staat het volgende vast:

i) Op 9 januari 1987 zijn de man en de vrouw met uitsluiting van iedere gemeenschap gehuwd.

ii) Op 19 augustus 1988 is het erfpachtrecht [a-straat 1] door de vrouw verkregen en sindsdien is deze woning door de man en de vrouw bewoond. Het erfpachtrecht [a-straat 2] staat op naam van de man.

iii) Op 21 mei 1993 is tussen de man en de vrouw een notariële akte opgemaakt waarbij door de man is verklaard dat hij f 100.350,- schuldig is aan de vrouw, welke schuld door de vrouw is aanvaard. De man heeft in die akte verklaard dat hij deze schuld gedeeltelijk heeft afgelost en dat voor het overige de aflossing geschiedt in natura door overdracht van - in de akte nader omschreven - roerende zaken aan de vrouw. Bij deze akte is door de vrouw aan de man een onherroepelijk aanbod verleend tot (terug)koop van deze roerende zaken tegen een bedrag van f 25.000,- (te betalen in vijfentwintig termijnen van f 1000,-) ingeval van overlijden van de vrouw, ingeval van scheiding van tafel en bed dan wel echtscheiding alsmede ingeval de man en de vrouw duurzaam gescheiden wonen. De bij conclusie van eis overgelegde akte bevat het volgende boetebeding met betrekking tot de nakoming door de vrouw van haar verplichtingen inzake 's mans recht van terugkoop (waarbij de man is aangeduid als "optant" en de vrouw als "eigenaar"):

"5. De levering en de aflevering dienen te geschieden binnen veertien dagen na de totstandkoming van de overeenkomst.

Het object dient geleverd en afgeleverd te worden vrij van alle rechten tot gebruik, al dan niet onder bezwarende titel, onder welke benaming ook.

6. Gedurende de periode dat gebruik gemaakt kan worden van het aanbod casu quo het recht tot koop, mag de eigenaar het object (daaronder begrepen een gedeelte) niet vervreemden, het aan derden verhuren, verpachten of in enig ander gebruik afstaan zonder schriftelijke toestemming van de optant, zulks op verbeurte van een terstond opeisbare boete van f 50.000,-- (....) zonder dat enige waarschuwing, ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst nodig zal zijn.

7. Indien de eigenaar na ingebrekestelling veertien dagen nalatig is in de nakoming van een of meer van de onder beding 5. omschreven verplichtingen verbeurt deze ten behoeve van de optant een terstond opeisbare boete ter grootte als onder beding 6. gemeld, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding."

iv) Op 11 juni 1993 is tussen de man en de vrouw een akte van aanvulling op de akte van 21 mei 1993 opgemaakt waarbij een in deze zaak niet ter zake doende nadere afspraak is gemaakt over de periode gedurende welke het aanbod dan wel het recht tot koop geldt.

v) Vanaf oktober 1992 zijn de aan de man toekomende AOW-gelden op de privérekening van de vrouw bijgeschreven.

vi) Eind 1994 zijn de man en de vrouw overeengekomen dat zij in onderling overleg gescheiden wonen; de man heeft toen zijn intrek genomen in [a-straat 2], alwaar hij tot oktober 1995 heeft gewoond. Op 30 april 1995 heeft de vrouw aan de man de toegang tot [a-straat 1] ontzegd. De echtelijke samenwoning is vanaf dat moment geëindigd.

vii) Bij brief van 26 mei 1995 heeft de man de vrouw - onder verwijzing naar de notariële akte van 21 mei 1993 - gesommeerd de koopovereenkomst na te komen. Op 3 en 4 oktober 1995 heeft de man beslag gelegd onder de vrouw op de roerende zaken waarop het onherroepelijke aanbod zoals neergelegd in de bovengenoemde akten, betrekking had.

viii) De Rabobank heeft zich uit hoofde van haar hypotheekrecht verhaald op de erfpachtrechten [a-straat 2] en [1].

3. De man heeft, onder verwijzing naar de akte van 21 mei 1993, gevorderd te verklaren voor recht dat hij - kort gezegd - het recht had de in de akte van 21 mei 1993 omschreven roerende zaken in eigendom te verkrijgen; hij heeft tevens gevorderd de vrouw te veroordelen tot afgifte van bedoelde goederen tegen de daarvoor verschuldigde koopprijs. Hij heeft voorts aanspraak gemaakt op de in de notarile akte overeengekomen boete, welke boete hij heeft gemaximeerd tot een bedrag van f 200.000,-, stellende dat de vrouw 24x de boete van f 50.000,- verschuldigd is geworden aangezien 24 van de in de notariële akte d.d. 21 mei 1993 genoemde goederen zich ten tijde van de beslaglegging niet meer in de woning van de vrouw zijn aangetroffen zodat zij kennelijk in strijd met het in die akte bepaalde door de vrouw zijn vervreemd. Verder heeft hij gevorderd de vrouw te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording van het beheer dat de vrouw naar zijn zeggen in de periode 1 januari 1986 - 31 mei 1995 heeft gevoerd over de AOW-gelden van de man. De man heeft bovendien gevorderd de vrouw wegens onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking te veroordelen tot terugbetaling van de erfpachtcanon die de man heeft betaald ter zake van het aan de vrouw toekomende erfpachtrecht.

De vrouw heeft in reconventie gevorderd - voorzover in cassatie nog van belang - de man te veroordelen tot betaling van f 111.375,-, daartoe aanvoerende dat de Rabobank verhaal heeft genomen op het aan haar toekomende erfpachtrecht op het perceel [a-straat 1] voor een schuld van de man van f 50.000,- plus 35% kosten (dat wil zeggen in totaal f 67.500,-) en voor een gezamenlijke schuld van partijen van f 65.000,- plus 35% kosten (dat wil zeggen in totaal f 87.750,-) ter zake van welke gezamenlijke schuld de man op grond van zijn interne draagplicht de helft dient te voldoen.

4. De Rechtbank te Roermond heeft het in conventie door de man gevorderde afgewezen, daarbij met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht en de vorderingen tot afgifte en tot betaling van een boete overwegende dat de vrouw terecht een beroep heeft gedaan op "anticipatory breach" zodat de (terug)koopovereenkomst is ontbonden. De Rechtbank heeft de bovengenoemde reconventionele vordering van de vrouw afgewezen op de grond dat deze onvoldoende was geadstrueerd.

5. De man heeft hoger beroep aangetekend; de vrouw heeft incidenteel appèl ingesteld.

Het Hof heeft de door de man gevorderde verklaring voor recht toegewezen; het heeft tevens toegewezen de vordering tot afgifte (tegen betaling van f 25.000,-) van de zaken omschreven in de notariële akte, met uitzondering evenwel van de zaken waarvan het Hof als vaststaand aannam dat deze zich al in het bezit van de man bevonden.

Het Hof heeft de vordering tot betaling van een boete van f 200.000,- afgewezen op grond van de volgende overweging:

"4.6.2 Het hof is van oordeel dat het boetebeding in de notariële akte van 21 mei 1993 (sub I, E 6 en 7) dermate in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, met name gelet op de speciale verhouding tussen partijen, de gevallen waarin deze boete verschuldigd is en de hoogte van de boete, dat het hof deze boete zal matigen en wel tot het bedrag van de door (...) [de man] te lijden schade.

(..) [De man] heeft niet gesteld dat hij tot dusverre door het niet afgeven van de goederen enige schade heeft geleden, zodat - gelet op de hiervoor genoemde matiging - tot op heden geen boete door (...) [de vrouw] verschuldigd is geworden. Het hof merkt nu reeds op dat het voorshands niet aannemelijk is dat een eventueel door (...) [de vrouw] verschuldigde boete hoger zal zijn dat f 25.000,--, nu de goederen voor dit bedrag door (...) [de man] teruggekocht kunnen worden en derhalve in totaal kennelijk deze waarde hebben."

Het Hof heeft de vordering ter zake van rekening en verantwoording door de vrouw over de aan haar toevertrouwde AOW-gelden van de man over de periode 1 januari 1986 - 31 mei 1995 afgewezen evenals de vordering tot terugbetaling van de door de man betaalde erfpachtcanon.

Met betrekking tot de reconventionele vordering van de vrouw tot betaling van ruim f 110.000,- oordeelde het Hof dat wegens gebrek aan feitelijke grondslag faalt het verweer van de man dat de vrouw ter zake van de uitwinning door de Rabobank van haar hypothecair verbonden erfpachtrecht op [a-straat 1] geen recht op verrekening toekomt omdat de vrouw geen enkele financile bijdrage heeft geleverd aan de waarde van het haar toekomende erfpachtrecht [a-straat 1]. Het Hof heeft daarop geconcludeerd dat nu de man, afgezien van zijn terechte "cijfermatig verweer", niets heeft aangevoerd dat tot afwijzing van de vordering van de vrouw zou moeten leiden, niets de vordering van de vrouw nog in de weg staat, zij het dat de vrouw haar vordering "cijfermatig nader moet onderbouwen". Het heeft in reconventie onder aanhouding van iedere verdere beslissing de vrouw in de gelegenheid gesteld haar reconventionele vordering nader te onderbouwen en met bescheiden te staven.

6. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping, waarna zij de zaak van een schriftelijke toelichting heeft voorzien.

Het cassatiemiddel

7. Middelonderdeel 1 klaagt dat het Hof met zijn afwijzing van de door de man gevorderde boete van f 200.000,- "onder daarbij uitgesproken matiging", het "uitsluitend poenale karakter" van de boete heeft miskend en ten onrechte die boete als schadefixerend heeft aangemerkt; dat uitsluitend poenale karakter blijkt - aldus het middel - uit de aard en hoogte van de overeengekomen boete gelet op de hoge leeftijd van de man en diens initiële eigendom. Voorts wordt geklaagd dat het Hof zijn oordeel dat de overeengekomen boete zodanig in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat zij moet worden gematigd, onvoldoende heeft gemotiveerd; in dat verband wordt wederom betoogd dat het boetebeding een poenaal karakter heeft, terwijl verder wordt geklaagd dat onduidelijk is welke speciale verhouding tussen partijen aanleiding zou kunnen geven tot matiging en voorts dat het Hof niet zonder nader feitelijk onderzoek de kennelijke waarde van de goederen kon afleiden uit de overeengekomen koopsom nu niet is uitgesloten dat partijen juist een koopsom zijn overeengekomen die niet overeenstemde met de volle waarde van de goederen.

8. Bij de beoordeling van dit middelonderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Het is veelal niet eenvoudig om uit te maken of een boetebeding ertoe strekt bij voorbaat de schadevergoeding te fixeren die bij wanprestatie moet worden voldaan of dat een boetebeding dient als aansporing om tot nakoming over te gaan dan wel of met een boetebeding beide doeleinden worden nagestreefd. In het algemeen kan evenwel in het midden blijven welk doel met een boetebeding wordt nagestreefd omdat de wettelijke bepalingen inzake het boetebeding zonder onderscheid naar oogmerk gelden voor alle boetebedingen; zie art. 6:91 BW en Asser-Hartkamp I, 2000, nr. 388. Hierbij past een kanttekening. Art. 6:92 lid 2 BW bepaalt dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet; partijen kunnen deze bepaling buiten werking stellen door overeen te komen dat de bedongen boete verschuldigd wordt onverminderd het recht van de schuldeiser op schadevergoeding; in zoverre komt derhalve aan een zuiver poenaal beding wel betekenis toe. Art. 6:94 lid 1 BW bepaalt dat de rechter de bedongen boete kan matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, met dien verstande evenwel dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Dit impliceert dat een boete die naast de schadevergoeding treedt (en derhalve een uitsluitend poenaal karakter heeft), geheel zou kunnen worden "weggematigd"; zie de MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 326 en Asser-Hartkamp I, 2000, nr. 399.

9. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het het Hof vrijstond op de voet van art. 94 lid 1 BW - op grond van de eisen van de billijkheid - de overeengekomen boete te matigen tot het bedrag van de door de man te lijden schade, om vervolgens de vordering tot betaling van een boete van f 200.000,- af te wijzen op de grond dat de man niet heeft aangevoerd dat hij tot dusverre door het niet afgeven van de zaken enige schade heeft geleden. Kennelijk is het Hof ervan uitgegaan dat het boetebeding mede ertoe strekte de hoogte van de schadevergoeding bij voorbaat te fixeren; dat leid ik af uit het feit dat het Hof de boete matigt tot het bedrag van de door de man te lijden schade. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is niet onbegrijpelijk gezien de tekst van het litigieuze boetebeding dat niet spreekt van het verbeuren van een boete "onverminderd het recht op schadevergoeding" maar van het verbeuren van een boete "onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding". Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de man zich met deze zinswending het recht heeft voorbehouden een hoger bedrag aan schadevergoeding te vorderen indien hij in werkelijkheid door de tekortkomingen van de vrouw meer schade zou lijden dan de overeengekomen boete. Die vrijheid komt partijen toe; zie Asser-Hartkamp, 2000, nr. 397 met een verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 332; zie ook art. 6:94 lid 2 BW. De eerste klacht van middelonderdeel 1 stuit op het voorgaande reeds af, gebaseerd als zij is op de veronderstelling dat het Hof ervan had moeten uitgaan dat het boetebeding een zuiver poenaal karakter heeft. Deze klacht ziet overigens ook eraan voorbij dat een zuiver poenaal boetebeding geheel kan worden "weggematigd".

Tevens faalt de klacht dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat het litigieuze boetebeding dermate in strijd is met de billijkheid - met name gelet op de speciale verhouding tussen partijen, de gevallen waarin de boete verschuldigd is en de hoogte van de boete - dat de boete moet worden gematigd tot het bedrag van de door de man te lijden schade. Niet wordt bestreden dat het Hof hier kennelijk de maatstaf heeft toegepast van art. 6:94 lid 1 BW dat de rechter de bevoegdheid toekent de bedongen boete te matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Het Hof heeft zijn oordeel voldoende gemotiveerd met zijn verwijzing naar de speciale verhouding tussen partijen, waarmee het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk doelt op de omstandigheid dat partijen echtelieden zijn, en met zijn verwijzing naar de hoogte van de boete en de gevallen waarin de boete verschuldigd is. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat het niet ging om een zuiver poenaal beding. De klacht dat het Hof niet ervan had mogen uitgaan dat de goederen in totaal de waarde hebben van de in de notariële akte genoemde koopsom van f 25.000,-, komt op tegen een voorshands uitgesproken verwachting die partijen niet bindt.

10. Middelonderdeel 2 komt met drie (ongenummerde) subonderdelen op tegen 's Hofs afwijzing van de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw tot het afleggen van rekening en verantwoording van het beheer dat zij - naar zeggen van de man - in de periode van 1 januari 1986 tot 31 mei 1995 heeft gevoerd over de AOW-gelden van de man. Voorzover het de periode tot 1 september 1992 betrof, in welke periode de AOW-gelden binnenkwamen op een bankrekening van de man, baseerde het Hof zijn afwijzing op de overweging dat niet is komen vast te staan dat de vrouw het bestuur over de AOW-gelden heeft gehad; in dat verband overwoog het Hof dat de enkele omstandigheid dat de man de vrouw had gemachtigd om over die bankrekening te beschikken, niet zonder meer meebrengt dat de vrouw het feitelijk beheer en bestuur over die gelden heeft gehad. Voorzover het de periode 1 september 1992 tot 31 mei 1995 betrof, in welke periode de gelden met instemming van de man op de rekening van de vrouw zijn gestort, baseerde het Hof zijn afwijzing op de overweging dat in redelijkheid niet kon worden geoordeeld dat de vrouw nalatig is geweest in het afleggen van rekening en verantwoording; het Hof overwoog in dat verband dat de vrouw heeft gesteld dat man steeds de volledige inzage heeft gehad in alle ter zake dienende bescheiden en dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij nooit op- of aanmerkingen heeft gemaakt. Het Hof concludeerde dat de wijze waarop de AOW-gelden in de periode van 1 januari 1986 tot 31 mei 1995 zijn besteed, niet relevant is zodat een bewijsaanbod van de man op dat punt, voorzover al gedaan, als niet ter zake dienend kan worden gepasseerd.

11. Het eerste subonderdeel heeft betrekking op de eerste periode. Het strekt kennelijk ten betoge dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat onvoldoende is geadstrueerd 's mans stelling dat de vrouw het feitelijke beheer en bestuur over de gelden heeft gehad. Het subonderdeel verwijst zonder nadere toelichting naar "overgelegde bescheiden" en het geeft niet aan waarom sprake zou zijn van een onbegrijpelijke beslissing. Het middelonderdeel voldoet derhalve niet aan de daaraan te stellen eisen. Het ziet voorts nog eraan voorbij dat het Hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de man de vrouw had gemachtigd over de bankrekening te beschikken, niet zonder meer meebrengt dat de vrouw het (feitelijke) beheer en bestuur over de gelden heeft gehad; dat oordeel wordt niet bestreden.

Het tweede subonderdeel heeft betrekking op de tweede periode. Het voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen nu niet wordt aangegeven in welk opzicht onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat onvoldoende gemotiveerd door de man is betwist de stelling van de vrouw dat de man nooit op- of aanmerkingen heeft gehad. Het betoog dat het Hof heeft miskend dat de man met een "blote ontkentenis" van bedoelde stelling kon volstaan, faalt.

Het derde subonderdeel inzake een door de man gedaan en door het Hof als irrelevant gepasseerd bewijsaanbod moet ook falen: het miskent dat tegen de achtergrond van de tevergeefs bestreden rechtsoverwegingen 4.8.1-4.8.3 volstrekt duidelijk is dat niet meer relevant is hoe de gelden in de totale periode zijn besteed.

12. Middelonderdeel 3 komt met twee (ongenummerde) subonderdelen op tegen 's Hofs afwijzing van de vordering van de man tot terugbetaling van de erfpachtcanon over het jaar 1995 die de man heeft betaald voor het aan de vrouw toebehorende pand [a-straat 1]. Het Hof overwoog dat de samenleving van partijen pas is verbroken per 30 april 1995 (het middelonderdeel spreekt per abuis van 1994) nu de verhuizing van de man vanaf eind 1994 naar de woning [a-straat 2] tijdelijk was bedoeld, dat de tot 1 mei 1995 betaalde erfpachtcanon op grond van de huwelijkse voorwaarden behoorden tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, en dat de man onvoldoende heeft betwist dat de vrouw in de periode na 30 april 1995 behoefte had aan een aanvullende uitkering op de voet van art. 1:81 BW.

13. Het eerste subonderdeel mist feitelijke grondslag nu het Hof - anders dan de klacht betoogt - niet uitsluitend op grond van de omstandigheid dat de kleding van de man in [a-straat 1] (het middel spreekt ten onrechte van [a-straat 2]) was achtergebleven heeft geoordeeld dat tot 30 april 1995 de gemeenschappelijke huishouding voortduurde. Het Hof heeft immers mede acht geslagen op de omstandigheid dat de verhuizing van de man (van het door de man en de vrouw gezamenlijk bewoonde pand [a-straat 1]) naar het pand [a-straat 2] oorspronkelijk slechts tijdelijk was bedoeld alsmede op de omstandigheid dat tussen de panden [a-straat 2] en [1] een verbindingsdeur aanwezig was. 's Hofs oordeel dat de echtelijke samenwoning gezien bedoelde omstandigheden heeft geduurd tot het moment waarop aan de man de toegang tot het pand [a-straat 1] werd ontzegd, te weten op 30 april 1995, is feitelijk en in het licht van de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk. Daarop stuit af de klacht dat het Hof niet op grond van de omstandigheid dat het perceel [a-straat 2] (bedoeld zal zijn: [a-straat 1]) pas op 30 april 1995 ontoegankelijk werd gemaakt had mogen oordelen dat tot dan de echtelijke samenleving zou hebben voortgeduurd.

Het tweede subonderdeel mist feitelijke grondslag nu het eraan voorbijziet dat het Hof wel degelijk heeft aangegeven waarom het is uitgegaan van de behoefte van de vrouw aan geldelijke ondersteuning door de man nadat de samenwoning was verbroken. Het Hof heeft immers overwogen dat de man zelf heeft aangevoerd dat de vrouw in de desbetreffende periode over een zeer gering persoonlijk inkomen beschikte en dat de man de behoefte van de vrouw aan een aanvullende uitkering niet voldoende gemotiveerd heeft betwist.

14. Middelonderdeel 4 komt met twee ongenummerde subonderdelen op tegen 's Hofs oordeel dat wegens gebrek aan feitelijke grondslag faalt het door de man tegen de reconventionele vordering van de vrouw gevoerde verweer dat de vrouw ter zake van de uitwinning door de Rabobank van haar hypothecair verbonden erfpachtrecht op [a-straat 1] geen recht op verrekening toekomt omdat de vrouw geen enkele financile bijdrage heeft geleverd aan de waarde van het haar toekomende erfpachtrecht [a-straat 1]. Het Hof overwoog in dat verband dat moet worden geconstateerd dat de verbouwing aan het pand [a-straat 1] een aanzienlijk bedrag heeft gekost dat indirect door de vrouw is gefinancierd nu partijen in de notariële akte verklaren dat de schuld van de man aan de vrouw ter hoogte van f 110.350,- wordt afgelost door middel van de door de man gefinancierde verbeteringen aan het pand [a-straat 1] en door de overdracht van inboedelgoederen met recht tot terugkoop tegen betaling van f 25.000,-.

15. Het eerste subonderdeel betoogt dat het Hof heeft nagelaten te beslissen op 's mans verweer dat de vrouw geen recht heeft op verrekening omdat zij geen enkele financiële bijdrage heeft geleverd aan de voor de uitwinning relevante, na de verbouwing en verbetering aanwezige, waarde van het pand [a-straat 1]. Dit betoog faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Met zijn overweging dat de vrouw indirect heeft bijgedragen aan de kosten van verbouwing en verbetering van het litigieuze pand heeft het Hof voldoende gerespondeerd op bedoeld verweer van de man. Het enkele feit dat de waarde van het pand niet toeneemt met een gelijk bedrag als het bedrag dat door de man is besteed aan de verbetering van het pand, doet daaraan niet af. Het tweede subonderdeel komt op tegen 's Hofs overweging dat moet worden geconstateerd dat de verbouwing aan [a-straat 1] een aanzienlijk bedrag heeft gekost dat indirect door de vrouw is gefinancierd nu partijen in de notariële akte verklaren dat de schuld van de man aan de vrouw ter hoogte van f 110.350,- wordt afgelost door middel van de door de man gefinancierde verbeteringen aan het pand [a-straat 1] alsmede door de overdracht van inboedelgoederen met recht tot terugkoop tegen betaling van f 25.000,-. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is evenmin onbegrijpelijk. Daarop stuit het tweede subonderdeel af.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden