Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD3979

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
26-11-2001
Zaaknummer
C01/073HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD3979
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 213
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 196
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 197
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 198
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 691
JWB 2001/322
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr.: C01/073

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 7 september 2001

(bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 In of omstreeks januari 1993 zijn partijen overeengekomen dat verweerder in cassatie, [verweerder], op een gedeelte van een terrein van eiser tot cassatie, [eiser], aan de [a-straat 1] te [woonplaats] een loods zou (laten) bouwen, van waaruit [verweerder] zijn bedrijf - een motorfietsenhandel - zou voortzetten. Bedoeld perceel is vanaf de openbare weg bereikbaar via een toegangsweg die eigendom is van de buren van [eiser]. Ten aanzien van deze toegangsweg heeft [eiser] een recht van overpad.

1.2 Op 18 mei 1993 heeft de gemeente aan [verweerder] een bouwvergunning verstrekt. [Verweerder] heeft met de bouw van de loods een aanvang gemaakt. Op 27 september 1993 heeft hij de bouw echter gestaakt, hetgeen reeds was gebouwd weggehaald en het ter plaatse aanwezige bouwmateriaal naar elders overgebracht.

1.3 Bij inleidende dagvaarding van 2 april 1996(2) heeft [eiser] [verweerder] gedagvaard voor de kantonrechter te Tiel. Hij heeft daarbij gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] het gedeelte van het perceel waarop de loods zou worden gebouwd, voor de duur van vijf jaar zou gaan huren tegen een huurprijs van ƒ 850,-- (excl. btw) per maand. Op de grond dat [verweerder] vanaf begin 1994 geen huur meer heeft betaald, heeft [eiser] onder meer gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden en [verweerder] - bij wege van schadevergoeding - te veroordelen tot betaling van ƒ 21.250,-- (excl. btw) met rente. Dit bedrag komt overeen met de huur die [eiser] zou hebben ontvangen indien de huur over de overeengekomen periode zou hebben voortgeduurd.

1.4 [Verweerder] heeft deze vordering bestreden en in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van ƒ 5.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering heeft hij gebaseerd op de stelling dat hij in opdracht en voor rekening van [eiser] werkzaamheden heeft verricht en dat [eiser] de daarvoor verzonden facturen - samen ƒ 5.047, 89 - onbetaald heeft gelaten. Met het oog op de bevoegdheid van de kantonrechter heeft [verweerder] de vordering beperkt tot ƒ 5.000,--.

[Eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden.

1.5 Bij eindvonnis van 22 maart 1999 heeft de kantonrechter te Gorinchem(3) de vordering in conventie grotendeels afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen. In dit cassatieberoep is uitsluitend nog de vordering in reconventie aan de orde. Zakelijk weergegeven, heeft de kantonrechter te dien aanzien geoordeeld dat [eiser], die de vordering van [verweerder] heeft bestreden met een beroep op verrekening met een tegenvordering, deze tegenvordering onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd, zodat de vordering van [verweerder] - die inhoudelijk verder niet is betwist - moet worden toegewezen.

1.6 [Eiser] is van het eindvonnis van de kantonrechter te Gorinchem onder aanvoering van drie grieven in hoger beroep gekomen bij de arrondissementsrechtbank te Dordrecht. De grieven I en II zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in conventie, grief III tegen het oordeel in reconventie(4). [verweerder] heeft de grieven bestreden.

1.7 Bij vonnis van 16 februari 2000 heeft de rechtbank in conventie iedere beslissing aangehouden en in reconventie [eiser] toegelaten tot het door hem aangeboden bewijs dat [verweerder] heeft erkend (na verrekening) geen vordering meer op [eiser] te hebben.

1.8 [Eiser] heeft tegen dit tussenvonnis, voor zover in conventie gewezen, beroep in cassatie ingesteld(5). Navraag bij de griffie heeft geleerd dat dit cassatieberoep dient onder rolnr. C00/157 en momenteel voor schriftelijke toelichting staat(6).

1.9 In de procedure in reconventie heeft op 19 oktober 2000 een getuigenverhoor plaatsgehad, waarbij [eiser] als partijgetuige is gehoord. Na afloop hiervan heeft de rechter-commissaris de enquête aan de zijde van [eiser] gesloten en de zaak naar de rol verwezen voor vonnis(7).

1.10 Bij eindvonnis van 29 november 2000 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat [eiser] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs, zodat ook grief III faalt en het vonnis van de kantonrechter zowel in conventie als in reconventie bekrachtigd.

1.11 Het onderhavige cassatieberoep richt zich tegen het in reconventie gewezen eindvonnis van de rechtbank. Het beroep is tijdig ingesteld(8). Tegen de in cassatie niet verschenen [verweerder] is verstek verleend. [eiser] heeft (bij brief) afgezien van het geven van een schriftelijke toelichting.

2. Bespreking van de middelen

2.1 Namens [eiser] zijn twee middelen van cassatie voorgesteld.

Middel I betreft het volgende. In rechtsoverweging 3 van haar eindvonnis heeft de rechtbank [eiser] niet geslaagd geacht in het hem opgedragen bewijs op de grond dat zijn verklaring ingevolge art. 213 Rv. bij gebreke van verder (onvolledig) bewijs geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren. Het middel klaagt erover dat [eiser] nog over twee andere getuigen beschikte maar dat de rechtbank hem met schending van het bepaalde in de art. 196-198 Rv. niet in de gelegenheid heeft gesteld deze getuigen (alsnog) voor te brengen.

2.2 Het middel stelt daartoe dat de gang van zaken aldus is geweest dat de datum van het getuigenverhoor, na twee aanhoudingen (eenmaal op verzoek van [eiser] en eenmaal ambtshalve), uiteindelijk is vastgesteld op 19 oktober 2000, zulks onder de bepaling dat alsdan alle getuigen dienden worden gehoord. [eiser] heeft hierop de getuigen opgeroepen bij aangetekende brief, doch deze zijn vervolgens niet verschenen. Onder deze omstandigheden, zo betoogt het middel, had de rechtbank een nieuwe datum moeten bepalen waartegen hij de niet verschenen getuigen bij dagvaarding had kunnen oproepen.

2.3 Deze klacht mist evenwel feitelijke grondslag nu van deze gang van zaken niets blijkt uit de stukken van het geding, terwijl [eiser] in cassatie ook geen stukken (brieven, verzoeken) heeft overgelegd die de door hem geschetste gang van zaken aannemelijk maken(9). Het proces-verbaal van de zitting van 19 oktober 2000 vermeldt daarentegen het volgende:

"De rechter-commissaris sluit het verhoor aan de zijde van appellant. Partij [eiser] heeft tot tweemaal de gelegenheid gehad twee aangezegde getuigen voor te brengen. Nu deze getuigen voor de tweede maal niet zijn verschenen, ditmaal zonder enig bericht aan de rechtbank, en partij [eiser] verzuimd heeft die getuigen te dagvaarden, ziet de rechtbank geen aanleiding partij [eiser] een derde gelegenheid te bieden die getuigen voor te brengen".

Hieruit kan worden afgeleid dat de rechtbank twee maal een datum voor het getuigenverhoor heeft bepaald en dat [eiser], toen de (kennelijk niet bij dagvaarding opgeroepen) getuigen de eerste maal niet verschenen, heeft nagelaten deze voor de hierna vastgestelde nieuwe datum bij dagvaarding op te roepen. Uit de stukken blijkt overigens zelfs niet dat [eiser] de getuigen in ieder geval steeds bij aangetekende brief heeft opgeroepen, zoals hij in het middel stelt.

2.4 Middel II verwijt de rechter-commissaris reeds voorafgaand aan het getuigenverhoor te hebben laten blijken een einduitspraak in het nadeel van [eiser] te zullen doen en zich voorts tijdens het verhoor jegens [eiser] en diens advocate onbehoorlijk en vooringenomen te hebben gedragen. Het middel verbindt hieraan de conclusie dat aldus art. 6 EVRM is geschonden, waarbij het kennelijk het oog heeft op het in dat artikel gewaarborgde recht op een beoordeling door een onpartijdige rechter.

2.5 Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Voor het afdwingen en waarborgen van het fundamentele recht op behandeling door een onpartijdige rechter staat een partij het middel van wraking ten dienste(10). De gestelde gedragingen en uitlatingen leveren, indien juist, een grond voor wraking op. Art. 30 Rv. bepaalt dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden. [Eiser] had nog tot het moment waarop het eindvonnis werd gewezen, een verzoek tot wraking van de rechter-commissaris kunnen indienen(11). Nu hij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, is in cassatie geen plaats meer voor een dergelijke klacht(12). Los daarvan valt op te merken dat van de gestelde gedragingen en uitlatingen ook niets blijkt uit de stukken van het geding.

2.6 De klachten nopen niet tot beantwoording van vragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Ontleend aan het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 16 februari 2000.

2 De originele dagvaarding bevindt zich niet in het dossier. Genoemde datum is vermeld in het eindvonnis van de kantonrechter te Gorinchem van 22 maart 1999.

3 De kantonrechter te Tiel heeft op 5 juni 1996 een tussenvonnis gewezen en daarbij een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is op 28 juni 1996 gehouden. Vervolgens heeft de kantonrechter zich bij vonnis van 18 maart 1998 zowel in conventie als in reconventie alsnog onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de kantonrechter te Gorinchem.

4 In hoger beroep heeft [eiser] voorts een incidentele memorie genomen, waarin hij schorsing heeft gevorderd van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling in reconventie. Deze vordering speelt thans geen rol meer.

5 Dit beroep is mede gericht tegen de in het vonnis van 16 februari 2000 gegeven afwijzing van de vordering de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling in reconventie te schorsen.

6 Zie bijgevoegde rolkaart. Een gezamenlijke (gevoegde) behandeling lijkt evenwel niet noodzakelijk. Het beroep onder rolnr. C00/157 betreft (in hoofdzaak) de vordering in conventie en het onderhavige beroep de vordering in reconventie. Tussen deze vorderingen bestaat geen materiële samenhang.

7 Zie omtrent (de aanhef van ) dit proces-verbaal het vonnis van de rechtbank van 29 november 2000 onder 1.

8 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 26 februari 2001.

9 Zie ook HR 8 oktober 1999, NJ 1999, 757.

10 HR 30 november 1990, NJ 1992, 94 (HJS)

11 Burgerlijke rechtsvordering , Asser, art. 30, aant. 2.

12 Zie noot 11. Verg. voor arbitrage: HR 18 februari 1994, NJ 1994, 765 m.nt. HJS.