Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD3972

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
23-11-2001
Zaaknummer
C00/144HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD3972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, 's-Gravenhage, 04-05-1971
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 690
NJ 2002, 281 met annotatie van Th.M. de Boer
RvdW 2001, 190
VR 2002, 76
JWB 2001/321
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C00/144HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 7 sept. 2001

conclusie inzake

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

3. [Eiseres 3]

tegen

1. Stichting Pensioenfonds ABP

2. Fonds Arbeidsongeschiktheidsverzekering Overheidspersoneel (FAOP)

3. Staat der Nederlanden (Ministere van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen)

4. [Verweerster 4]

Edelhoogachtbaar College,

1. In dit cassatiegeding staat de vraag centraal welk recht naar Nederlands internationaal privaatrecht van toepassing is op de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. De gestelde onrechtmatige daad betreft een skiongeval op een Oostenrijkse skipiste. Dader en slachtoffer zijn beiden woonachtig in Nederland.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 4.1.1 t/m 4.1.3 van het bestreden arrest).

(i) Het skiongeval vond plaats op 26 maart 1989 in het skigebied Hochfügen in het Zillertal te Oostenrijk.

(ii) Eiseres tot cassatie sub 3, hierna: [eiseres 3], geboren [geboortedatum] 1978, destijds derhalve 10 jaren oud, maakte gebruik van de sleeplift Pfaffenbühel II. Haar vader, eiser tot cassatie sub 1, bevond zich naast [eiseres 3] in de sleeplift. De moeder van [eiseres 3], eiseres tot cassatie sub 2, bevond zich enige plaatsen achter [eiseres 3] en haar vader in de sleeplift.

(iii) Ongeveer halverwege het lifttracé is [eiseres 3] ten val gekomen en is over het verijsde en steile liftspoor naar beneden gegleden. In haar val heeft zij personen die achter haar van de lift gebruikt maakten meegenomen.

(iv) Een aantal liftgebruikers is daarbij gewond geraakt. Eén van hen is verweerster in cassatie sub 4, hierna: [verweerster 4]. Deze heeft hierdoor schade geleden.

(v) Verweerders in cassatie sub 1, 2 en 3 hebben aan [verweerster 4] uit hoofde van haar rechtspositie en in verband met het ongeval uitkeringen gedaan en hebben in verband hiermee een verhaalsrecht voor de hieraan verbonden kosten op grond van onderscheidenlijk de Wet privatisering ABP, de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren en de WAO.

3. Verweerders in cassatie, hierna: het ABP c.s., hebben [eiseres 3] en haar ouders op 26 juli 1996 gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en een verklaring voor recht gevorderd dat [eiseres 3] en haar ouders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [verweerster 4] is overkomen als gevolg van het skiongeval. [Eiseres 3] en haar ouders hebben verweer gevoerd tegen de vordering en zich onder meer op verjaring van de vordering beroepen.

4. Voor zover thans in cassatie van belang houdt partijen verdeeld de vraag of de vordering van het ABP c.s. wordt beheerst door het Oostenrijkse dan wel het Nederlandse recht. Het ABP c.s. stellen zich op het standpunt dat het Nederlandse recht van toepassing is, aangezien zowel [eiseres 3] als [verweerster 4] in Nederland wonen en de rechtsgevolgen van de gestelde onrechtmatige daad zich geheel in Nederland afspelen. Ingevolge de zgn. gevolgen- of COVA-uitzondering op de lex loci delicti-regel is daarom niet het Oostenrijkse recht, maar het Nederlandse recht toepasselijk, aldus het ABP c.s. Volgens [eiseres 3] en haar ouders is de gevolgenuitzondering niet van toepassing, aangezien bij het ongeval nog andere slachtoffers zijn betrokken die niet in Nederland hun woonplaats hebben en de in Oostenrijk gevestigde liftexploitant mogelijk mede aansprakelijk is wegens gebrek aan toezicht. Zij stellen zich daarom op het standpunt dat Oostenrijks recht als lex loci delicti van toepassing is. Tussen partijen is niet omstreden dat ingevolge Oostenrijks recht de vordering van het ABP c.s. is verjaard.

5. De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 april 1998 het standpunt van [eiseres 3] en haar ouders juist bevonden en het Oostenrijkse recht als lex loci delicti toepasselijk geoordeeld. Bij gevolg heeft de Rechtbank het beroep van [eiseres 3] en haar ouders op verjaring gegrond geoordeeld en de vordering van het ABP c.s. afgewezen.

6. In hoger beroep kwam het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij zijn (tussen)arrest van 26 januari 2000 (besproken door K. Boele-Woelki in AA 2000, Katern 77, blz. 3973) tot een ander oordeel met betrekking tot de vraag naar het toepasselijke recht. Het Hof overwoog onder meer:

"4.2.1. (...). Naar het oordeel van het hof is de zogenaamde Cova-exceptie in dit geval wel van toepassing: zowel de woonplaats van [eiseres 3] als die van [verweerster 4] liggen in Nederland. Ook de rechtsgevolgen van de gestelde onrechtmatige daad spelen zich geheel in Nederland af. Het feit dat ook enkele in Duitsland wonende personen tengevolge van het ongeval gewond zijn geraakt, kan hieraan niet afdoen. Daarbij komt dat de advocaat van geïntimeerden bij gelegenheid van de pleidooien desgevraagd heeft medegedeeld dat [verweerster 4] het enige slachtoffer is dat [eiseres 3] en/of haar ouders aansprakelijk heeft gesteld.

4.2.2. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat alle elementen van de onrechtmatige daad, met inbegrip van de onrechtmatigheidsvraag, worden beheerst door Nederlands recht als het recht van het gevolgenland. Bij de beoordeling van de onrechtmatigheidsvraag zullen echter eventuele in Oostenrijk geldende gedragsregels voor het gebruik van sleepliften als factor bij de toepassing van het Nederlandse recht in aanmerking moeten worden genomen.

4.2.3. Het hof heeft nog in zijn beoordeling betrokken de vraag of Oostenrijks recht toepasselijk moet worden geacht op grond van het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (verdrag van 4 mei 1971, Trb. 1971, 118, rectificatie Trb. 1980, 180), hierna: het Verdrag. De door een vaste kabelinstallatie voortbewogen sleeplift, die bij het ongeval is betrokken, dient voor het vervoer van personen en zou kunnen worden aangemerkt als een voertuig in de zin van artikel 1 lid 2 van het Verdrag. Overeenkomstig het in dat artikellid bepaalde is voor de toepasselijkheid van het Verdrag echter vereist dat sprake is van "een ongeval ... dat verband houdt met het verkeer". Ook al dient dat begrip ruim te worden uitgelegd en valt niet voorhand uit te sluiten dat een ongeval op de skipiste onder dit begrip valt, zie mr.dr. A.P.M.J. Vonken, Verkeersongevallen, Praktijkreeks IPR 1996, onder de nummers 28 en 29, uit de gestelde en gebleken feiten kan niet worden afgeleid dat het steile lifttracé is gelegen op "een voor het publiek toegankelijk terrein dan wel een terrein dat slechts toegankelijk is voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen". Het hof is dan ook van oordeel dat het Verdrag in dit geval niet van toepassing is."

Met betrekking tot de vraag of [eiseres 3] en/of haar ouders naar Nederlands recht onrechtmatig jegens [verweerster 4] hebben gehandeld, heeft het Hof partijen in de gelegenheid gesteld om informatie te verschaffen over de vraag of in het Oostenrijkse recht gedragsregels gelden voor het gebruik van sleepliften en, zo ja, of overeenkomstig die regels in de gegeven omstandigheden naar Oostenrijks recht voldoende zorgvuldigheid is betracht. Het Hof heeft de zaak daartoe naar de rol verwezen.

7. [Eiseres 3] en haar ouders zijn tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met drie, telkens uit verscheidene onderdelen opgebouwde middelen. Het ABP c.s. hebben de middelen bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Voorts hebben het ABP c.s. van hun kant voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld met één middel. [Eiseres 3] en haar ouders hebben dit middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep.

Het principaal beroep

8. Middel I van het principaal beroep valt in twee onderdelen uiteen en keert zich tegen het oordeel van het Hof, in r.o. 4.2.3, dat het Haags Verkeersongevallenverdrag (Verdrag van 4 mei 1971, Trb. 1971, 118 en 1978, 180) in het onderhavige geval (materieel) niet van toepassing is. Het oordeel van het Hof dat het tracé van de skilift niet is gelegen op "een voor het publiek toegankelijk terrein dan wel een terrein dat slechts toegankelijk is voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen" in de zin van art. 1 lid 2 van het Verkeersongevallenverdrag zou berusten op een te beperkte en dus onjuiste uitleg van dat artikel (onderdeel 1), althans onvoldoende zijn gemotiveerd voor zover dat oordeel mede is gebaseerd op door het Hof niet nader vermelde en besproken "gestelde en gebleken feiten" (onderdeel 2).

9. Art. 1 van het Verkeersongevallenverdrag geeft aan wat het materiële toepassingsgebied van het verdrag is. Zie daarover uitgebreid A.P.M.J. Vonken, Verkeersongevallen, Praktijkreeks IPR, deel 17, 1996, nr. 14-39. Het artikel luidt in de authentieke Franse tekst:

La présente Convention détermine la loi applicable à la responsabilité civile extra-contractuelle découlant d'un accident de la circulation routière, quelle que soit la nature de la jurisdiction appelée à en connaître.

Par accident de la circulation routière au sens de la présente Convention, on entend tout accident concernant un ou des véhicules, automoteurs ou non, et qui est lié à la circulation sur la voie publique, sur un terrain ouvert au public ou sur un terrain non public mais ouvert à un certain nombre de personnes ayant le droit de le fréquenter.

In de authentieke Engelse tekst luidt het artikel:

The present Convention shall determine the law applicable to civil non-contractual liability arising from traffic accidents, in whatever kind of proceeding it is sought to enforce this liability.

For the purpose of this Convention, a traffic accident shall mean an accident which involves one or more vehicles, whether motorized or not, and is connected with traffic on the public highway, in grounds open to the public or in private grounds to which certain persons have a right of acces.

10. Uit deze tekst blijkt dat, wil het Verkeersongevallenverdrag materieel toepasselijk zijn, er sprake moet zijn van een ongeval in het wegverkeer ("accident de la circulation routière", "traffic accident"). Daaronder verstaat het verdrag, zo blijkt uit het tweede lid van art. 1, een ongeval waarbij (1) een of meer al dan niet gemotoriseerde voertuigen zijn betrokken en dat (2) verband houdt met verkeer op de openbare weg, op terreinen die toegankelijk zijn voor het puliek of slechts voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat, zo al voldaan is aan de onder (1) bedoelde voorwaarde ("de door een vaste kabelinstallatie voortbewogen sleeplift ... zou kunnen worden aangemerkt als een voertuig in de zin van artikel 1 lid 2 van het Verdrag"), niet voldaan is aan de onder (2) bedoelde voorwaarde ("uit de gestelde en gebleken feiten kan niet worden afgeleid dat het steile lifttracé is gelegen op 'een voor het publiek toegankelijk terrein dan wel een terrein dat slechts toegankelijk is voor een bepekt aantal personen, die recht hebben om er te komen'") en dat reeds daarom het Verkeersongevallenverdrag in dit geval (meterieel) niet van toepassing is.

11. Wat de onder (1) bedoelde voorwaarde betreft, mag het begrip "voertuig" ruim genomen worden. In het Rapport explicatif van de hand van E.W. Essén, Conférence de La Haye de droit international privé, Actes et documents de la Onzième session, Tome III, Accidents de la circulation routière, 1970, blz. 200 e.v., hierna: rapport-Essén, wordt over dit begrip opgemerkt (blz. 204, onder 3.4):

"La notion de véhicule a également un sense large et comprend tout moyen de locomotion, qu'il soit automoteur ou non. Le dommage peut donc être lié aussi bien à un véhicule automoteur qu'à une bicyclette, un traineau, une vouture d'enfant, une remorque, même non attelée, etc. Il en est de même pour un véhicule hippomobile ou pour un animal seul, à condition qu'il puisse être consideré comme un moyen de locomotion, c'est-à-dire s'il sert au transport d'une personne ou d'un objet. La convention couvre également des accidents impliquant un véhicule qui est lié à une voie ferrée, s'il se relie à la circulation routière, comme un dommage causé par un tramway ou un train sur un passage à niveau. A fortiori les trolleybus, qui ne sont pas sur rail, mais guidés par des câbles, entrent dans le champ de la convention. Compte tenu de la formule employée, elle devrait à l'avenir comprendre aussi les aéroglisseur circulant sur le sol."

Gezien deze ruime omschrijving, is niet uit te sluiten dat ook een door een vaste kabelinstallatie voortbewogen sleeplift, nu deze dient "au transport d'une personne", begrepen kan worden onder de term "voertuig" in de zin van het verdrag.

12. Voorts verlangt de onder (1) bedoelde voorwaarde dat het voertuig bij het ongeval "betrokken" is. Ook hier worden de grenzen ruim getrokken. Het rapport-Essén meldt hierover (blz. 204, onder 3.3):

"Le mot "concernant" (tout accident concernant un ou des véhicules) a été choisi afin de ne pas restreindre la convention au seul cas où le véhicule est l'agent actif de l'accident. La convention inclut donc les dommages subis ou causés par un véhicle passif. Ainsi la convention couvre les dommages causés à un véhicule passif par un piéton, un animal ou un objet, ou inversement par un véhicule passif à un usager de la route. La définition a donc un sense large."

Van betrokkenheid van het voertuig bij het ongeval in de zin van het verdrag is dus sprake, zo blijkt uit deze passage, niet alleen indien het voertuig schade heeft veroorzaakt, maar ook indien het voertuig schade heeft opgelopen.

13. Geen van beide situaties doet zich in het onderhavige geval voor. De sleeplift heeft het letsel van [verweerster 4] niet veroorzaakt en heeft evenmin zelf schade opgelopen. Weliswaar hebben [eiseres 3] en haar ouders zich erop beroepen dat de liftexploitant mogelijk mede aansprakelijk is wegens gebrek aan toezicht, maar dit beroep op de eventuele aansprakelijkheid van de liftexploitant jegens [verweerster 4] kan de toepasselijkheid van het Verkeersongevallenverdrag op de onderhavige vordering van het ABP c.s. naar mijn mening niet meebrengen. Nog daargelaten dat [verweerster 4] de liftexploitant niet aansprakelijk hééft gesteld en, zo zij dat alsnog zou doen, het haar vrijstaat aan de mogelijke aansprakelijkheid van de liftexploitant de contractuele rechtsbetrekking tussen haar en de liftexploitant ten grondslag te leggen en contractuele aansprakelijkheid buiten het materiële toepassingsgebied van het Verkeersongevallenverdrag valt, terwijl op een eventuele regresvordering van [eiseres 3] en haar ouders jegens de liftexploitant ingevolge art. 2 onder 4 het verdrag in ieder geval niet van toepassing is, staat in de onderhavige procedure uitsluitend ter beoordeling of de gestelde gedragingen van [eiseres 3] en haar ouders aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad jegens [verweerster 4] meebrengen en dienen dus ook deze gedragingen het uitgangspunt te zijn bij het bepalen van het toepasselijke recht.

14. Men kan zich afvragen of aan de onder (1) bedoelde voorwaarde niet reeds is voldaan, omdat [eiseres 3] en [verweerster 4] zich voortbewogen op ski's (nu zij gebruik maakten van een sleeplift, moet wel worden aangenomen dat zij hun ski's hadden ondergebonden). Gezien de ruime omschrijving van het begrip "voertuig" in het rapport-Essén is aannemelijk dat ski's aangemerkt kunnen worden als voertuigen in de zin van art. 1 van het verdrag. Het is dan niet van belang dat de sleeplift niet bij het ongeval "betrokken" was: omdat [eiseres 3] en [verweerster 4] van ski's gebruik maakten, is sprake van "een ongeval waarbij een of meer al dan niet gemotoriseerde voertuigen zijn betrokken", zodat aan de onder (1) bedoelde voorwaarde lijkt te zijn voldaan. Dit zou betekenen dat, aangenomen dat een skipiste aangemerkt kan worden als "een voor het publiek toegankelijk terrein", ongevallen tussen skiërs op een skipiste door het Verkeersongevallenverdrag worden bestreken.

15. Sommige schrijvers aanvaarden deze consequentie. Zie met name M. Schwimann, Probleme des Haager Stra(enverkehrsabkommen, Zeitschrift für Verkehrsrecht, 1978, blz. 161 e.v., blz. 164, en Grundri( des internationalen Privatrechts, 1982, blz. 156, die, zij het met de nodige slagen om de arm, neigt tot de opvatting dat skiongevallen op de skipiste niet van het materiële toepassingsgebied van het Verkeersongevallenverdrag zijn uitgesloten.

16. Mij gaat die opvatting te ver. Miskend wordt dat het doel van het Verkeersongevallenverdrag is gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen inzake het recht dat van toepassing is op de aansprakelijkheid voor ongevallen in het wegverkeer. Een ongeval tussen skiërs op de skipiste is geen ongeval in het wegverkeer, hoe ruim men dit begrip ook neemt, maar een sportongeval. De ski's worden door skiërs op een skipiste niet gebruikt als voertuig, maar als sportattribuut. Dat ski's buiten de skipiste ook als voertuig kunnen worden gebruikt, doet hieraan niet af. Hetzelfde geldt m.i. voor racefietsen, rijpaarden, skateboards, rolschaatsen en zelfs motorvoertuigen (denk aan ongevallen tussen race-auto's op een racecircuit). Of dit voertuigen in de zin van het verdrag zijn, is afhankelijk van de wijze waarop en het verband waarin daarvan gebruik gemaakt wordt. Het is slechts een voertuig, "s'il se relie à la circulation routière" (rapport-Essén, blz. 204 onder 3.4). Het begrip "voertuig" in de zin van het verdrag is, anders gezegd, een doelgebonden of functioneel begrip, niet een ontologisch begrip. Toepassing van het Verkeersongevallenverdrag op het onderhavige ongeval acht ik daarom in het licht van de doelstelling van het verdrag ongerijmd, zoals ook ongerijmd zou zijn om de verwijzingsregels inzake aanvaring (art. 7 Wet inzake het internationaal privaatrecht met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht, Stb. 1993, 168) op het onderhavige geval toe te passen op grond van de redenering dat de op de skipiste aanwezige sneeuw (bevroren water) is aan te merken als "binnenwateren" en de ski's, als middel om daarover personen te vervoeren, als een "binnen-schip". Men verliest door deze begripsinflatie het doel van de regeling uit het oog.

17. Overigens is het stelsel van verwijzingsregels van het Verkeersongevallenverdrag ook niet goed berekend op toepassing op ongevallen tussen skiërs op de skipiste en kan met name toepassing van de uitzonderingsregel van art. 4 tot nogal absurde resultaten leiden. De uitzonderingsregel van art. 4 knoopt aan bij de plaats van registratie van het voertuig. Is het voertuig niet geregistreerd, dan geldt ingevolge art. 6 de gewone standplaats van het voertuig als aanknopingsfactor. In het onderhavige geval is de vraag naar het toepasselijke recht dan afhankelijk van de vraag of [eiseres 3] en [verweerster 4] beiden hun ski's uit Nederland hebben meegenomen (ingevolge art. 4 onder b is dan Nederlands recht van toepassing) dan wel één van hen de ski's in Oostenrijk heeft gehuurd (de uitzonderingsregel van art. 4 is dan niet van toepassing, zodat ingevolge de hoofdregel van art. 3 Oostenrijks recht van toepassing is).

18. Uit het vorenstaande volgt dat naar mijn mening reeds aan de onder (1) bedoelde voorwaarde voor het aannemen van een ongeval in het wegverkeer in de zin van het Verkeersongevallenverdrag niet is voldaan: de sleeplift was bij het ongeval tussen [eiseres 3] en [verweerster 4] niet "betrokken" in de zin van art. 1 en de ski's waarop [eiseres 3] en [verweerster 4] zich voortbewogen waren, gelet op het gebruik dat zij daarvan maakten, geen voertuigen in de zin van art. 1. Het middel, dat opkomt tegen het oordeel van het Hof dat aan de onder (2) bedoelde voorwaarde voor het aannemen van een ongeval in het wegverkeer in de zin van het Verkeersongevallenverdrag niet is voldaan, faalt derhalve reeds wegens gebrek aan belang.

19. Middel II van het principaal beroep neemt kennelijk tot uitgangspunt dat niet het Verkeersongevallenverdrag, maar het commune Nederlandse conflictenrecht inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van toepassing is en klaagt in drie onderdelen over het oordeel van het Hof, in r.o. 4.2.1, dat in het onderhavige geval de zgn. gevolgenuitzondering op de lex loci delicti-regel van toepassing is. Het middel verwijt het Hof te hebben miskend dat de gevolgenuitzondering niet, althans niet zonder meer, kan worden toegepast in een geval als het onderhavige, waarbij (i) naast de in het geding aansprakelijk gestelde persoon, in casu de in Nederland woonachtige [eiseres 3] (en haar ouders), ook de aansprakelijkheid van de in Oostenrijk gevestigde exploitant van de sleeplift een rol speelt, althans kan spelen, en (ii) naast de in het geding als benadeelde agerende persoon, in casu de in Nederland woonachtige [verweerster 4], diverse andere in Duitsland woonachtige benadeelden zijn betrokken, althans kunnen zijn betrokken (onderdeel 1). Anders dan het Hof heeft geoordeeld is daarom wel van belang dat er naast [verweerster 4] nog andere slachtoffers zijn die in Duitsland woonachtig zijn, ongeacht of die andere slachtoffers [eiseres 3] en haar ouders reeds aansprakelijk hebben gesteld (onderdeel 2). Voorts betoogt het middel dat het Hof heeft verzuimd in zijn overwegingingen omtrent het toepasselijke recht te betrekken dat mogelijkerwijs ook de liftexploitant aansprakelijk is en dat [eiseres 3] en haar ouders een gerechtvaardigd belang hebben om regres te nemen op deze mededader. Deze mogelijkheid wordt hun ontnomen indien op de onderhavige vordering Nederlands recht wordt toegepast, terwijl vaststaat dat de (regres)vordering jegens de exploitant zal worden beoordeeld naar Oostenrijks recht, volgens welk recht de vordering is verjaard (onderdeel 3).

20. In HR 19 november 1993, NJ 1994, 622 nt. JCS en PvS (COVA) is beslist dat naar Nederlands internationaal privaatrecht een vordering uit onrechtmatige daad, behoudens rechtskeuze, in beginsel wordt beheerst door het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden, de lex loci delicti. Op de hoofdregel van toepasselijkheid van de lex loci delicti kan volgens de Hoge Raad een uitzondering worden aanvaard "ingeval beide partijen zijn gevestigd in een ander land dan dat waar de onrechtmatige daad is gepleegd en de rechtsgevolgen van de daad zich geheel in dat andere land afspelen".

21. Deze zgn. gevolgenuitzondering is inmiddels gecodificeerd in art. 3 van de op 1 juni 2001 in werking getreden Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Wet van 11 april 2001, Stb. 190) (hierna: WCOD). In het eerste lid van dit artikel is de lex loci delicti-regel vastgelegd, terwijl in het tweede lid een precisering van deze regel wordt gegeven voor gevallen waarin de daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijk milieu elders dan in de Staat op welks grondgebied die daad plaatsvindt. Het derde lid van art. 3 bepaalt dan:

"Indien dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats onderscheidenlijk plaats van vestiging hebben, is in afwijking van het eerste en tweede lid het recht van die Staat van toepassing."

22. Wordt in het COVA-arrest nog gesproken van "beide partijen", in de art. 3 lid 3 WCOD wordt duidelijk gemaakt dat de gevolgenuitzondering aanknoopt bij de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats of vestigingsplaats van "dader en benadeelde". De gewone verblijfplaats of vestigingsplaats van de direct bij de onrechtmatige daad betrokkenen, de laedens en de gelaedeerde, is dus beslissend, ongeacht of laedens en gelaedeerde ook optreden als procespartij. Algemeen wordt aangenomen dat dit ook geldt voor de gevolgenuitzondering zoals deze in het COVA-arrest is geformuleerd. Zie Th.M. de Boer, AA 1994, blz. 168, noot 4; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse IPR, 6e dr. 2000, nr. 181; J.A. Pontier, Onrechtmatige daad, Praktijkreeks IPR, deel 16, 2001, nr. 134; Kluwers Onrechtmatige daad, losbl., IX. De onrechtmatige daad in het ipr, aant. 18.2 (P. Vlas). Derhalve is niet van belang of dader en/of slachtoffer zelf, dan wel hun verzekeraars als procespartijen optreden; in alle gevallen gaat het om de gewone verblijfplaats of vestigingsplaats van dader en slachtoffer. Daarmee is evenwel nog niet beantwoord de door het onderhavige middel aan de orde gestelde vraag of bij het bepalen van het toepasselijke recht rekening moet worden gehouden met (mogelijke) mededaders en medeslachtoffers.

23. De omstandigheid dat naast [eiseres 3] en haar ouders wellicht nog sprake is van een andere dader, kan naar mijn oordeel geen rol spelen bij de vraag naar het toepasselijke recht op de vordering uit onrechtmatige daad van [verweerster 4] jegens [eiseres 3] en haar ouders. Het ABP c.s. hebben aan hun vordering immers slechts de gedragingen van [eiseres 3] en haar ouders ten grondslag gelegd. Uitsluitend op deze grondslag dient het Hof te beslissen of een aanspraak op schadevergoeding bestaat. Over de vraag of de gedragingen van de niet in rechte betrokken liftexploitant kunnen leiden tot (mede)aansprakelijkheid jegens [verweerster 4], kan het Hof geen, de liftexploitant bindende uitspraak doen. Ten aanzien van de vraag welk recht toepasselijk is op de aansprakelijkheid van [eiseres 3] en haar ouders jegens [verweerster 4] dient het Hof zich dan ook te bepalen tot de door het ABP c.s. aan hun vordering jegens [eiseres 3] en haar ouders ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Naar mijn oordeel verzet de rechtszekerheid zich ertegen dat de vraag naar het toepasselijke recht mede afhankelijk wordt gesteld van de vraag of de aangesproken procespartij een mogelijke mededader ten tonele kan voeren, wiens aansprakelijkheid niet vaststaat en door de laedens ook niet wordt gezocht of gesteld en ten aanzien van wie in de procedure niet met zekerheid en in ieder geval niet bindend kan worden vastgesteld dat hij (mede)aansprakelijk is.

24. De in onderdeel 3 aangevoerde stelling dat het onwenselijk is dat de onderhavige vordering door Nederlands recht wordt beheerst, terwijl een eventuele regresvordering van [eiseres 3] en haar ouders tegen de liftexploitant is onderworpen aan Oostenrijks recht, volgens welk recht de regresvordering is verjaard, kan hieraan niet afdoen. De gevolgenuitzondering is een exceptieclausule die berust op het beginsel van de nauwste betrokkenheid en niet op het begunstigingsbeginsel. De toepassing van de gevolgenuitzondering is derhalve "regelblind", d.w.z. niet afhankelijk van de vraag of de dader (of de benadeelde) daardoor al dan niet materieel wordt begunstigd. Vgl. de conclusie OM voor het COVA-arrest onder 40; Th.M. de Boer, Bescherming en begunstiging op het terrein van de internationale onrechtmatige daad, in: Vijftig jaar lex loci delicti, Dubbink-symposium, 1998, blz. 35 e.v., blz. 39; J.A. Pontier, NIPR 2000, blz. 374. Het Hof was derhalve niet gehouden om bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval plaats is voor toepassing van de gevolgenuitzondering rekening te houden met de inhoud van het Oostenrijkse of Nederlandse recht. Ten overvloede wijs ik erop dat niet is komen vast te staan dat een eventuele regresvordering van [eiseres 3] en haar ouders tegen de liftexploitant naar Oostenrijks recht inderdaad verjaard is (vgl. de pleitnotities in hoger beroep van mr. Jongens, blz. 12).

25. De omstandigheid dat de dader (mogelijk) wordt aangesproken door nog andere, niet in Nederland woonachtige slachtoffers, zodat toepassing van de gevolgenuitzondering ertoe kan leiden dat de dader geconfronteerd wordt met verschillende rechtsstelsels, is m.i. evenmin reden om af te zien van toepassing van de gevolgenuitzondering. Het belang van de rechtszekerheid en voorspelbaarheid dwingt daartoe, anders dan het middel betoogt, naar mijn mening allerminst. Het belang van de rechtszekerheid wordt immers niet gediend door de vraag naar het toepasselijke recht mede afhankelijk te stellen van de onzekere vraag of er wellicht nog andere slachtoffers zijn, van wie bovendien niet zeker is of zij de dader ook daadwerkelijk aansprakelijk zullen stellen. Hetzelfde geldt voor het belang van de voorspelbaarheid. Dat voor elk slachtoffer het toepasselijke recht afzonderlijk wordt vastgesteld, brengt immers mee dat het toepasselijke recht op de aansprakelijkheid jegens elk slachtoffer direct kan worden vastgesteld, zonder dat men zich behoeft te begeven in de vraag of er wellicht nog andere personen door de beweerde onrechtmatige daad schade hebben geleden en, zo al, of deze andere personen de dader ook aansprakelijk zullen stellen.

26. Overigens mag niet uit het oog worden verloren dat, al aangenomen dat de dader een gerechtvaardigd belang heeft bij eenheid van het toepasselijk recht op alle tegen hem ingediende schadeclaims, de bescherming van dit belang, juist door de internationaliteit van het geval, niet kan worden gewaarborgd. Het is immers niet te voorzien voor welk forum de mogelijke andere slachtoffers de dader aansprakelijk zullen stellen en het is dus evenmin te voorzien of het internationaal privaatrecht van het aangezochte forum toestaat of voorschrijft rekening te houden met het belang van de dader bij eenheid van het toepasselijke recht op alle tegen hem ingediende schadeclaims.

27. Op grond van dit een en ander zou ik menen dat mogelijke pluraliteit van daders of slachtoffers op zichzelf geen reden is om af te zien van toepassing van de gevolgenuitzondering op de rechtsvordering tot schadevergoeding van individuele benadeelden tegen individuele daders. Middel II, zo volgt, is naar mijn oordeel tevergeefs voorgesteld.

28. Middel III van het principale beroep neemt in twee onderdelen stelling tegen het oordeel dat het Hof in r.o. 4.7 en 4.7.1 van zijn arrest reeds op voorhand heeft uitgesproken ten aanzien van het (materiële) verweer van [eiseres 3] en haar ouders dat er geen causaal verband bestaat tussen de val van [eiseres 3] en het letsel van [verweerster 4], zulks omdat sprake zou zijn geweest van twee valpartijen. Het Hof heeft dit verweer verworpen op de grond dat - kort gezegd - de getuigenverklaring waarop [eiseres 3] en haar ouders zich ter ondersteuning van deze stelling hebben beroepen, alleen staat.

29. Onderdeel 1 van het middel bouwt voort op de in de middelen I en II ontwikkelde stelling dat Oostenrijks recht van toepassing is, en moet het lot van deze middelen delen.

30. Onderdeel 2 klaagt dat, ook indien de middelen I en II falen, het Hof onvoldoende duidelijk heeft gemaakt of zijn oordeel ziet op het "conditio sine qua non"-verband dan wel op toerekening naar billijkheid.

31. De klacht is ongegrond. De bestreden overwegingen van het Hof hebben klaarblijkelijk betrekking op het "conditio sine qua non"-verband. Het Hof reageert immers op de stelling van [eiseres 3] en haar ouders dat de schade van [verweerster 4] niet is veroorzaakt door de val die [eiseres 3] heeft ingeleid, maar door een andere valpartij die zich bij de Pfaffenbühel II zou hebben voorgedaan (zie cva onder 4.1 en 4.2, cvd onder 3.1 en 3.2).

32. De slotsom is dat geen van de in het principaal beroep voorgestelde middelen tot cassatie kunnen leiden.

Het incidenteel beroep

33. Nu het eerste in het principaal beroep voorgedragen middel niet gegrond kan worden geoordeeld, is de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep geen behandeling.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,