Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD3971

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
23-11-2001
Zaaknummer
C00/141HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD3971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 188
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 689
JWB 2001/320
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C 00/141 HR

Mr F.F. Langemeijer

Zitting 14 september 2001 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerster]

In dit geding vordert de weduwe van het slachtoffer van een doodslag een verklaring voor recht en vergoeding van schade, op te maken bij staat.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

1.1.1. De echtgenoot van [verweerster] - de laatste is thans gedaagde in cassatie - is op 23 juni 1994 door [eiser] - thans eiser tot cassatie - met een zgn. riotgun beschoten. De volgende dag is hij in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden.

1.1.2. Vóór de beschieting had de echtgenoot van [verweerster] tezamen met drie anderen [eiser] geschopt en geslagen.

1.1.3. De rechtbank te Rotterdam heeft [eiser] bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van 24 oktober 1994 voor dat feit, gekwalificeerd als "doodslag", veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren.

1.2. [Verweerster] heeft [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd voor recht te verklaren "dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld waardoor eiseres schade heeft geleden". Tevens heeft zij vergoeding gevorderd van de daaruit voortvloeiende schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.3. [Eiser] heeft verweer gevoerd. Hij heeft erkend dat hij de echtgenoot van [verweerster] heeft beschoten en dat hij ter zake van doodslag door de strafrechter is veroordeeld, maar hij heeft betwist civielrechtelijk aansprakelijk te zijn. Hij heeft zich beroepen op diverse rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. Ook heeft hij zich beroepen op risico-aanvaarding door het slachtoffer, althans eigen schuld van het slachtoffer, omdat het slachtoffer hem tevoren mede had aangevallen. Daarnaast heeft hij betwist aansprakelijk te zijn jegens [verweerster]. Subsidiair heeft hij de gestelde schade betwist alsook het oorzakelijk verband tussen het schieten en het overlijden (er zouden medische fouten zijn gemaakt bij de behandeling van het slachtoffer). Voor zover de vordering steunt op art. 6:108 BW, heeft [eiser] betwist dat [verweerster] schade lijdt door het derven van levensonderhoud en dat zij kosten van de lijkbezorging heeft gemaakt. Tenslotte heeft [eiser] verzocht om matiging van een eventueel vast te stellen schadevergoeding.

1.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 26 november 1997 de vorderingen toegewezen. De rechtbank heeft zich gebaseerd op de dwingende bewijskracht die ingevolge art. 188 Rv toekomt aan de bewezenverklaring in het onherroepelijk geworden strafvonnis. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat [verweerster] ten gevolge van de doodslag schade heeft geleden; de rechtbank verwijst daartoe naar art. 6:108 lid 1 onder a BW. De rechtbank heeft, naast de gevorderde verklaring voor recht, [eiser] veroordeeld tot vergoeding van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.5. [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te "s-Gravenhage. Het hof heeft bij tussenarrest d.d. 31 december 1998 stukken uit het strafdossier opgevraagd. Bij arrest van 13 januari 2000 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.6. [Eiser] heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest. De 19 cassatiemiddelen zijn schriftelijk toegelicht. Tegen [verweerster] is in cassatie verstek verleend.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. De cassatiedagvaarding in deze zaak is zodanig geredigeerd dat telkens wordt aangevoerd dat het hof "ten onrechte" iets heeft overwogen (de middelen 1 - 13) of dat het hof "ten onrechte" heeft nagelaten een grief van [eiser] in zijn oordeel te betrekken (de middelen 14 - 19), zonder dat concreet wordt toegelicht waarom het desbetreffende oordeel onjuist zou zijn. De klachten worden telkens afgesloten met de frase: "Nadere toelichting bij pleidooi". Art. 407 lid 2 Rv verzet zich tegen een dergelijke gang van zaken. In een cassatiemiddel kan niet worden volstaan met het vermelden van de overweging waartegen de klacht is gericht, maar behoort ook te worden aangegeven waarom de eiser in cassatie van mening is dat een cassatiegrond als bedoeld in art. 99 R.O. aanwezig is. Het aanvoeren van gronden voor cassatie in het stadium van pleidooi of schriftelijke toelichting is te laat(2). Ik zal bezien hoe ver ik kan komen met de klachten in de cassatiedagvaarding.

2.2. Middel 1 is gericht tegen rov. 3.2. Art. 188 Rv bepaalt dat een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Dwingend bewijs houdt in dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen of de bewijskracht te erkennen welke de wet aan bepaalde gegevens verbindt. Tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, staat vrij tenzij de wet het uitsluit (art. 178 Rv). Het hof heeft in rov. 3.2 niet zonder meer het oordeel van de strafrechter overgenomen, maar deze regels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegepast. Subonderdeel 1.1 mist dus feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel bezwaar wil maken tegen de toepassing van deze regels voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

2.3. Subonderdeel 1.2 mist feitelijke grondslag omdat het hof in de bestreden rov. 3.2 als vaststaand aanneemt dat [eiser] jegens [de echtgenoot] (de overledene) een onrechtmatige daad heeft gepleegd en zich in die overweging niet heeft uitgesproken over de vraag of [eiser] een onrechtmatige daad jegens [verweerster] heeft begaan.

2.4. Ambtshalve merk ik op dat dit punt in de feitelijke instanties onvoldoende aandacht heeft gekregen. In de inleidende dagvaarding had [verweerster] doen stellen dat [eiser] jegens háár onrechtmatig heeft gehandeld. Dienovereenkomstig heeft zij in het petitum een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende "dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld". Een stelling op grond waarvan de doodslag op [de echtgenoot] juist jegens [verweerster] onrechtmatig zou zijn, ontbrak. De inleidende dagvaarding wijst op het bepaalde in art. 6:108 BW. Ook nadat [eiser] had betwist jegens [verweerster] aansprakelijk te zijn (CvA 3.3), heeft [verweerster] de grondslag van de aansprakelijkheid van [eiser] gezocht in art. 6:108 BW. Dat artikel bepaalt in lid 1 dat, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander ([eiser]) jegens hem (wijlen [de echtgenoot]) aansprakelijk is overlijdt, die ander verplicht is tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan (onder meer) de niet van tafel en bed gescheiden echtgenote van de overledene, tot ten minste het bedrag van het krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud. Daarnaast is de aansprakelijke persoon verplicht tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging aan degene die deze kosten heeft gedragen (art. 6:108 lid 2 BW). Bij een dergelijke grondslag zou m.i. een verklaring voor recht hebben gepast, inhoudend dat [eiser] jegens wijlen [de echtgenoot] onrechtmatig heeft gehandeld en dat de weduwe daardoor schade heeft geleden(3). Niettemin heeft de rechtbank in rov. 3.4 en in de tekst van de toegewezen verklaring voor recht aangenomen dat [eiser] door de doodslag op wijlen [de echtgenoot] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de weduwe [...]. In hoger beroep (grief 5) is rov. 3.4 wel ter discussie gesteld, maar niet op dit specifieke punt. De memorie van grieven gaat uit van een op art. 6:108 BW gebaseerde vordering. In de memorie van antwoord en de daarop volgende akten ter rolle wordt aan de kwestie geen aandacht besteed. Het hof is kennelijk uitgegaan van een op art. 6:108 BW gebaseerde vordering. Dit verklaart waarom het hof in rov. 3.1 als uitgangspunt neemt de vraag of [eiser] ten opzichte van [de echtgenoot] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en die vraag in rov. 3.2 bevestigend beantwoordt. In rov. 10 overweegt het hof dat het er slechts om gaat, of aannemelijk is dat [verweerster] schade heeft geleden ten gevolge van het overlijden van haar echtgenoot. Waarom het hof dan toch de verklaring voor recht met de tekst "jegens [verweerster]" in stand heeft gelaten, is mij niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk heeft het hof in de memorie van grieven geen grief tegen de verklaring voor recht gelezen. Hoe dan ook, de schadevergoeding waarop de schadestaatprocedure betrekking zal hebben is in de redenering van het hof: de schadevergoeding als bedoeld in art. 6:108 BW wegens onrechtmatig handelen van [eiser] jegens wijlen [de echtgenoot].

2.5. Middel 2 is gericht tegen rov. 3.3. Subonderdeel 2.1, dat het hof verwijt "diverse" verweren van [eiser] onbeoordeeld te laten, voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv omdat het middel niet aanduidt wélke verweren door het hof gepasseerd zijn en waarom het hof een of meer van de in de aanhef van het middel opgesomde wetsartikelen geschonden zou hebben. De klacht in de s.t., waarin [eiser] wijst op het eerder door hem gedane beroep op uitlokking van het schieten door wijlen [de echtgenoot] en op eigen schuld van [de echtgenoot], is tardief. Overigens gaat die klacht niet op omdat het hof deze verweren heeft verworpen in rov. 4.1 en dus niet onbehandeld heeft gelaten. Subonderdeel 2.2 voldoet evenmin aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. In de s.t. (waarin wordt betoogd dat het hof had moeten onderzoeken of [verweerster] schade heeft geleden tengevolge van het overlijden en in dat verband alle verweren van [eiser] met betrekking tot de schade had moeten onderzoeken en pas daarna [verweerster] had mogen toelaten tot de schadestaatprocedure) wordt miskend dat voor toewijzing van enige vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat, voldoende is dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is gemaakt(4). Rechtbank en hof hebben deze regel toegepast en hebben zich niet dus nog niet uitgesproken over de toewijsbaarheid van enige schadepost; daarvoor zal gelegenheid bestaan na het betekenen van de schadestaat op de voet van art. 613 Rv.

2.6. Middel 3 is gericht tegen rov. 3.4. Beide subonderdelen voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv, omdat in het middel niet wordt aangegeven waarom het hof niet had mogen beslissen zonder de ontbrekende stukken uit het strafdossier. Hoewel de cassatiedagvaarding geen specificatie verschaft, neem ik aan dat met de ontbrekende dossierstukken worden bedoeld: de bescheiden die in de akte ter rolle d.d. 21 januari 1999 onder 5 werden genoemd. Het hof heeft in rov. 3.4 te kennen gegeven de ontbrekende stukken niet nodig te hebben.

2.7. Middel 4 is gericht tegen rov. 4.1, waarin het hof het schieten op [de echtgenoot] onrechtmatig acht. De klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. In de s.t. wordt betoogd dat het hof de regel van art. 6:108 lid 3 BW heeft miskend. Het verwijt kan ik niet volgen, omdat het hof nu juist heeft onderzocht of [verweerster] de verweren die betrekking hadden op het handelen van wijlen haar echtgenoot (zoals de verweren m.b.t. noodweer en noodweer-exces, risico-aanvaarding door en eigen schuld van [de echtgenoot]) tegen zich moet laten gelden.

2.8. Middel 5 is gericht tegen rov. 4.2. De klacht dat het hof ten onrechte een strafrechtelijke invalshoek heeft gekozen voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Ook bij beoordeling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid kan de rechter van belang achten of de dader zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft moeten verdedigen. Blijkens rov. 3.3 heeft het hof zich niet beperkt tot het overnemen van het oordeel van de strafrechter maar zelfstandig onderzocht: of het handelen van [eiser] onrechtmatig was, of een rechtvaardigingsgrond voor dat handelen bestond, of de daad aan [eiser] kon worden toegerekend alsmede het verweer dat [eiser] wegens eigen schuld van, dan wel wegens risicoaanvaarding door, wijlen [de echtgenoot] niet aansprakelijk is. In de s.t. wordt een nieuwe klacht toegevoegd over het passeren van het bewijsaanbod bij conclusie van dupliek onder 1.9. Ook die klacht zal als tardief buiten beschouwing moeten blijven. Overigens heb ik op de aldaar aangegeven vindplaats geen enkel bewijsaanbod gevonden. Mogelijk heeft de steller het bewijsaanbod bij dupliek onder 1.7 bedoeld. Dat bewijsaanbod is door het hof in rov. 9 afgedaan. Middel 6 is gericht tegen rov. 5.1, maar de subonderdelen 6.1 en 6.2 bevatten inhoudelijk niet méér dan een herhaling van middel 3. Middel 6 faalt om dezelfde reden.

2.9. Middel 7 is gericht tegen rov. 5.2, waar het hof overweegt dat psychische nood of een tijdelijke niet-toerekeningsvatbaarheid van [eiser] ingevolge art. 6:165 BW geen beletsel opleveren om het onrechtmatig handelen van [eiser] aan hem toe te rekenen. Middel 7 komt neer op de klacht dat, anders dan het hof oordeelt, psychische nood of tijdelijke ontoerekeningsvatbaarheid wél een beletsel voor aansprakelijkheid vormen.

2.10. Het eerste lid van art. 6:165 BW luidt:

"De omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaren of ouder verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, is geen beletsel haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen."

De bepaling hangt samen met art. 6:162 lid 3 BW: een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, niet alleen indien zij te wijten is aan zijn schuld maar ook indien zij te wijten is aan een oorzaak welke krachtens de wet (of de in het verkeer geldende opvattingen) voor zijn rekening komt. Een gedraging onder invloed van een geestelijke stoornis kan dus aan de dader worden toegerekend, ook al kan de dader "er niets aan doen"; in zoverre wijkt het NBW af van het voordien geldende recht(5). De overweging dat psychische nood of een tijdelijke niet-toerekeningsvatbaarheid van [eiser] geen beletsel voor toerekening opleveren, sluit aan bij de tekst en de strekking van art. 6:165 BW. Net zoals iedere andere dader kan een geestelijk gestoorde dader een beroep doen op algemeen geldende rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden, zoals overmacht, noodweer en noodweer-exces(6). Dit maakt het soms moeilijk een beroep op een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond te onderscheiden van het beroep op een geestelijke stoornis, welke laatste, althans voor actieve gedragingen van daders van veertien jaar of ouder, niet als een rechtvaardigingsgrond geldt. Het hof heeft hier het beroep op noodweer en noodweer-exces uitdrukkelijk verworpen (rov. 5.1). Ten aanzien van de gestelde psychische nood en tijdelijke ontoerekeningsvatbaarheid behoefde het hof daarnaar geen onderzoek te laten doen nu het hof van oordeel was - en mocht zijn - dat de psychische nood of ontoerekeningsvatbaarheid, ook indien bewezen, geen rechtvaardigingsgrond oplevert. De subonderdelen 7.1 en 7.2 treffen geen van beide doel.

2.11. Middel 8 is gericht tegen rov. 6, waar het hof het beroep van [eiser] op de eigen schuld van wijlen [de echtgenoot] behandelt. Subonderdeel 8.1 voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv omdat het middel niet aangeeft op wélke processen-verbaal en getuigenverklaringen het hof geen acht heeft geslagen, noch aangeeft welke rechtsregel meebrengt dat het hof daarop speciaal acht had moeten slaan. Uit de s.t. wordt mij dit evenmin duidelijk. Subonderdeel 8.2, waarin wordt geklaagd dat het hof de eigen schuld van [de echtgenoot] verwart met de schuld van [eiser], maakt blijkbaar bezwaar tegen het feit dat het hof in rov. 6 de handelwijze van wijlen [de echtgenoot] heeft beoordeeld "in verhouding" "tot de bijdrage van [eiser]". De klacht gaat n.m.m. niet op. De bestreden overweging houdt verband met de regel van art. 6:101 lid 1 BW. De primaire maatstaf van dat artikellid houdt een causaliteitsafweging in, waarna vervolgens op gronden van billijkheid een andere verdeling kan worden toegepast(7). Bij de causaliteitsafweging diende het hof zowel het handelen van wijlen [de echtgenoot] als het handelen van [eiser] te betrekken; dat heeft het hof gedaan. Voor zover subonderdeel 8.3 beoogt de waardering van de feiten door het hof in cassatie ter discussie te stellen (zie de s.t. op dit onderdeel), biedt de cassatieprocedure daartoe geen gelegenheid; de waardering van de feiten is voorbehouden aan de feitenrechter. Middel 8 leidt niet tot cassatie.

2.12. Middel 9 is gericht tegen rov. 7, waarin het hof niet van belang vond of de opzet van [eiser] was gericht op de dood van [de echtgenoot]. Subonderdeel 9.1 voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv omdat het middel niet aangeeft op welke grond [eiser] dit oordeel onjuist vindt. De klacht in de s.t. (blz. 12-13) komt te laat. De s.t. doet een beroep op HR 10 december 1999, NJ 2000, 9. M.i. zijn de beide gevallen niet gelijk. In de zaak NJ 2000, 9, had de feitenrechter voorshands aangenomen dat de gedaagde het slachtoffer niet opzettelijk had geslagen maar hem tijdens het rondzwaaien met een staaf per ongeluk had geraakt. In het onderhavige geval heeft het hof (op de voet van art. 188 Rv) aangenomen dat [eiser] opzettelijk op [de echtgenoot] heeft geschoten ten gevolge waarvan deze is overleden. Dat is in beginsel voldoende voor civielrechtelijke aansprakelijkheid. Of de opzet van [eiser] (niet alleen gericht was op het treffen van [de echtgenoot] maar) tevens gericht was op het dodelijk gevolg van zijn schoten, kon het hof in het midden laten. Voor zover de s.t. nieuwe klachten bevat - met name een motiveringsklacht en een klacht over het passeren van een bewijsaanbod - zullen de klachten als tardief buiten beschouwing moeten blijven. Subonderdeel 9.2 mist feitelijke grondslag voor zover het veronderstelt dat het hof aansprakelijkheid van [eiser] heeft aangenomen op grond van het feit dat [eiser] heeft geschoten, zonder te letten op de door [eiser] aangevoerde rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. Die verweren worden immers in de rov. 3 - 6 door het hof behandeld.

2.13. Middel 10 is gericht tegen rov. 8 en betreft het oorzakelijk verband tussen het schieten en het overlijden. Dit vereist een korte toelichting. In het bij CvR overgelegde strafvonnis is bewezen verklaard dat [eiser] op 23 juni 1994 te Rotterdam opzettelijk een persoon, genaamd [de echtgenoot], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen met een riotgun (van korte afstand) kogels op die [echtgenoot] afgevuurd, daarmee treffend die [echtgenoot] waardoor die [echtgenoot] hagelschotverwondingen in zijn linker onderarm en zijn benen heeft opgelopen waardoor onder meer verscheuringen van grote slagaderlijke bloedvaten en weke delen-letsel en verbrijzeling van een gedeelte van het linkerdijbeen teweeg werden gebracht, tengevolge waarvan voornoemde [echtgenoot] is overleden.

In de strafzaak heeft [eiser] het verweer gevoerd dat het slachtoffer niet zou zijn overleden indien onmiddellijk na aankomst in het ziekenhuis zou zijn besloten tot amputatie van de getroffen ledematen en de artsen niet zouden hebben geprobeerd om door middel van langdurig en complex operatief ingrijpen de letsels te herstellen. De strafrechter heeft dit verweer verworpen. In de onderhavige zaak heeft [eiser] aangevoerd dat hij niet civielrechtelijk aansprakelijk is indien de vereiste mate van oorzakelijk verband ontbreekt. In dit verband heeft hij verzocht het medisch dossier van de overledene op te vragen en de behandelende artsen en het ambulancepersoneel als getuigen te horen(8).

2.14. Art. 6:98 BW bepaalt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt: schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Rov. 8 is toegeschreven op deze wettelijke maatstaf. M.i. is het niet in strijd met enige in het middel aangehaalde rechtsregel, dat het hof oorzakelijk verband heeft aangenomen tussen het schieten door [eiser] en het overlijden van [de echtgenoot]. Hierbij zij aangetekend dat [eiser] niet heeft gesteld dat het door de schoten teweeggebrachte letsel (zoals gepreciseerd in de bewezenverklaring in de strafzaak) op zichzelf onvoldoende zou zijn om het dodelijk gevolg te doen intreden. Zijn stelling hield slechts in dat een andere wijze van medisch handelen het dodelijk gevolg van de schoten had kunnen verijdelen. Die stelling, indien bewezen, staat niet in de weg aan het toerekenen van het overlijden van [de echtgenoot] aan het schieten door [eiser]. M.a.w.: de causale keten wordt daardoor niet doorbroken. Overigens valt hierbij te letten op art. 6:99 BW. Indien de aangerichte schade het gevolg kan zijn van de handelingen van verschillende personen en vaststaat dat zij door tenminste één van deze handelingen is veroorzaakt, zijn alle personen aansprakelijk tenzij een van hen bewijst dat de schade niet door zijn handelwijze is veroorzaakt(9). Middel 10 houdt niet meer in dan de klacht dat het hof ten onrechte de handelwijze van [eiser] (het schieten) ten grondslag heeft gelegd aan de toerekening van het overlijden aan [eiser] en daarbij het begrip causaliteit heeft verward met het begrip overlijdenskans/overlevingskans van [de echtgenoot]. Op deze wijze geformuleerd, kan het middel niet tot cassatie leiden.

2.15. Middel 11 is gericht tegen rov. 9 (passeren bewijsaanbod). Subonderdeel 11.1 mist feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 9 niet heeft beslist dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan maar heeft uitgemaakt dat de gestelde omstandigheden, zelfs indien bewezen, niet tot het ontbreken van aansprakelijkheid kunnen leiden. Laatstbedoeld oordeel wordt in subonderdeel 11.2 aangevochten maar tevergeefs, omdat de klacht niet aangeeft waarom dit oordeel onjuist zou zijn. De klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Uit het voorgaande volgt dat het hof aan het bewijsaanbod van de irrelevant geachte omstandigheden voorbij kon gaan.

2.16. Middel 12 is gericht tegen rov. 10. Subonderdeel 12.1 hangt samen met de hierboven in alinea 2.4 besproken problematiek. Het hof is in rov. 10 kennelijk uitgegaan van de weduwe die op de voet van art. 6:108 BW schadevergoeding vordert wegens een jegens haar overleden echtgenoot begane onrechtmatige daad. Dat strookt niet met de tekst van de verklaring voor recht, maar wel met de inhoud van de gedingstukken. De gestelde schade omvat het gederfde levensonderhoud (art. 6:108 lid 1) en de kosten van de lijkbezorging (art. 6:108 lid 2). Of [verweerster] deze schade heeft geleden en, zo ja, tot welk bedrag, staat nog niet vast. Daarvoor is de schadestaatprocedure. Dat de mogelijkheid van deze schade bestaat, heeft het hof voldoende aannemelijk geacht om haar toe te laten tot de schadestaatprocedure.

2.17. De algemeen geformuleerde motiveringsklacht in de eerste volzin van subonderdeel 12.2 mist feitelijke grondslag. Het hof heeft zich in rov. 10 niet uitgesproken over de toewijsbaarheid van een of meer schadeposten maar uitsluitend aangegeven dat hier is voldaan aan het wettelijke criterium voor toelating tot de schadestaatprocedure. In de tweede volzin van het subonderdeel wordt geklaagd dat het hof [verweerster] had behoren te belasten met het bewijs dat de kosten van lijkbezorging niet door enige verzekering werden gedekt, althans dat het hof dit gedeelte van de vordering had moeten afwijzen. De klacht voldoet niet aan de eisen aan art. 407 lid 2 Rv. Ten overvloede zij opgemerkt dat de vraag of [verweerster] schade heeft geleden in de vorm van kosten van lijkbezorging en, in verband daarmee, de vraag of die kosten geheel of gedeeltelijk door een verzekering zijn vergoed, alsnog aan de orde kunnen komen in de schadestaatprocedure. In de s.t. wordt voorts gesteld dat de kosten van de lijkbezorging in Turkije buitensporig waren; ook dat verweer behoefde het hof niet vooruitlopend op de schadestaatprocedure te onderzoeken.

2.18. De subonderdelen 12.3, 12.4 en 12.5 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij betreffen alle de vraag of [verweerster] in aanmerking komt voor vergoeding van gederfd levensonderhoud indien dit levensonderhoud - zoals [eiser] had gesteld - door wijlen [de echtgenoot] werd bekostigd uit illegaal verkregen inkomsten of vermogensbestanddelen. Ook de beantwoording van deze vraag heeft het hof doorgeschoven - en mijns inziens mogen doorschuiven - naar de schadestaatprocedure. Anders dan de s.t. veronderstelt, was het hof niet gehouden om vooruitlopend op de schadestaatprocedure in de hoofdprocedure een globaal onderzoek te doen naar de illegaliteit van de bronnen waaruit het levensonderhoud van [verweerster] door wijlen [de echtgenoot] werd bekostigd. Om de rechter in de schadestaatprocedure niet voor de voeten te lopen, onthoud ik mij van beschouwingen over de vraag in hoeverre de rechter met het eventuele illegale karakter van de inkomsten van [de echtgenoot] rekening mag houden(10).

2.19. Middel 13 is gericht tegen het slot van rov. 10, waar het hof de beslissing op het verzoek tot matiging van de schadevergoeding heeft uitgesteld tot de schadestaatprocedure. Art. 6:109 lid 1 BW bepaalt dat indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen. Toepassing van deze bepaling komt i.h.a. eerst aan de orde wanneer de volledige omvang van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding is vastgesteld. Het is daarom niet verwonderlijk dat het hof in dit stadium, waarin de schadestaat nog moet worden betekend, zich niet heeft willen vastleggen ten aanzien van de matiging. Middel 13 treft daarom geen doel.

2.20. De middelen 14 - 19 zijn niet gericht tegen enige overweging in het bijzonder. Middel 14 behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te oordelen over het verweer van [eiser], zoals vermeld in de appeldagvaarding onder 1.1 in fine, 1.2, 1.3 en 1.4 letters a, b, c, d en i. De klacht wordt niet uitgewerkt en stuit dus reeds af op de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Het nalopen van de aangegeven vindplaatsen leert dat de appeldagvaarding onder 1.1 een weergave van de overwegingen van de strafkamer van de rechtbank bevat met commentaar van [eiser] daarop. Niet zonder meer valt in te zien waarom (de civiele kamer van) het hof aan dat commentaar bijzondere aandacht had moeten besteden in zijn motivering. Onder 1.2 en 1.3 wordt het (hierboven bij middel 10 besproken) verweer gevoerd dat het leven van [de echtgenoot] door passend medisch ingrijpen behouden had kunnen blijven. Dat verweer heeft het hof in rov. 8 behandeld. De algemene stellingen onder 1.4, die in wezen niet méér zijn dan een inleiding tot de afzonderlijke grieven, zijn alle door het hof behandeld: letter a in rov. 3.1 e.v.; letter b in rov. 8; letter c in rov. 5.2; letter d in rov. 3.3 - 4.2; het verweer van letter i is in rov. 10 doorgeschoven naar de schadestaatprocedure en kwam hierboven bij middel 12 ter sprake.

2.21. Middel 15 klaagt dat het hof heeft verzuimd te oordelen over grief 5. Grief 5 hield in dat [eiser] van mening was dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de strafrechter heeft overgenomen in plaats van zich zelfstandig een oordeel te vormen over (de toewijsbaarheid van) de vorderingen van [verweerster]. Die kwestie kwam hierboven reeds aan de orde. In rov. 3.3. e.v. heeft het hof zich een zelfstandig oordeel over de toewijsbaarheid gevormd. De klacht mist feitelijke grondslag.

2.22. Middel 16 klaagt dat het hof heeft verzuimd te oordelen over grief 6 en in het bijzonder over de onderdelen 6.1 en 6.2 van de appeldagvaarding. De klacht, voor zover zij al voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv, mist feitelijke grondslag. In onderdeel 6.1 van de appeldagvaarding had [eiser] kort samengevat aangevoerd dat [verweerster] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat zij levensonderhoud van wijlen haar echtgenoot derft, mede in aanmerking genomen dat zij een bijstandsuitkering geniet. Onder 6.2 had [eiser] aangevoerd dat de rechtbank had dienen te onderzoeken of [verweerster] levensonderhoud van wijlen haar echtgenoot ontving en, zo ja, of dat onderhoud werd bekostigd uit illegale inkomstenbronnen. Bovendien had de rechtbank volgens [eiser] behoren te onderzoeken of [verweerster] in verband met het overlijden verzekeringsuitkeringen heeft genoten die bij wijze van voordeelstoerekening in mindering gebracht kunnen worden. Het hof heeft zich over al deze vraagstukken niet behoeven uit te spreken omdat zij nog aan de orde kunnen komen in de schadestaatprocedure.

2.23. Middel 17 klaagt dat het hof heeft verzuimd te oordelen over grief 10. De rechtbank kwam in rov. 3.5 tot de slotsom dat [verweerster], ondanks de betwisting door [eiser] van het door haar gederfd levensonderhoud en ondanks het verzoek van [eiser] om matiging, belang heeft bij toewijzing van de vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat. In grief 10 werd deze slotsom door [eiser] bestreden op gronden die inhoudelijk overeenkomen met de hierboven reeds besproken verweren. Grief 10 had dus geen zelfstandige betekenis en behoefde daarom geen afzonderlijke bespreking door het hof. Voor zover [eiser] met deze klacht enig verweer aan de orde heeft willen stellen dat nog niet aan de orde is geweest, voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

2.24. In de middelen 18 en 19 klaagt [eiser] dat het hof heeft verzuimd te oordelen over de grieven 11 en 12. In deze grieven had [eiser] aangevoerd dat de rechtbank eerst had moeten vaststellen dát [verweerster] schade heeft geleden (ter zake van gederfd levensonderhoud en kosten van lijkbezorging) alvorens [verweerster] toe te laten tot de schadestaatprocedure. Deze grieven stroken niet met het hierboven in alinea 2.5 besproken criterium. Voor toelating tot de schadestaatprocedure is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is gemaakt. Om die reden kon het hof de desbetreffende verweren laten rusten tot de schadestaatprocedure. De klacht, voor zover zij al voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv, leidt daarom niet tot cassatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Rov. 1.1 - 1.3 van het tussenarrest d.d. 31 december 1998.

2 Vaste rechtspraak; zie recent HR 22 september 2000, NJ 2000, 632, en de daaraan voorafgaande conclusie van de A-G Wesseling-van Gent. Zie ook: Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (1989), i.h.b. nr. 135; losbl. Rechtsvordering, aant. 2 op art. 407 (Korthals Altes).

3 Vgl. Asser-Hartkamp 4-I (2000) nr. 479; Parl. Gesch. Boek 6, blz. 399/400, noemt: "(...) het uitgangspunt dat de aansprakelijkheid jegens de nabestaanden berust op een onrechtmatige daad (of de niet-nakoming van een verbintenis) jegens de overledene".

4 HR 17 oktober 1997, NJ 1998, 241 m.nt. PAS; HR 28 mei 1999, NJ 1999, 614; losbl. Rechtsvordering, aant. 4 op art. 612 (Gerretsen).

5 Over art. 6:165 BW: Asser-Hartkamp 4-III (1998) nrs. 86-89; Verbintenis uit de wet en schadevergoeding (G.E. van Maanen), 2000, nr. 75; C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (2000) nr. 920; losbl. Onrechtmatige daad, aant. 4 op art. 6:165 (C.H.M. Jansen); C.H. Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad, diss. 2000, blz. 172-175; H.J. Vetter, Mon. Nbw A-9 (Geestelijke stoornis), 1992, nrs. 38 e.v.

6 Asser-Hartkamp 4-III (1998), respectievelijk de nrs. 59-60, 61-62 en 80; losbl. Onrechtmatige daad, aant. 64 op art. 162 lid 3 BW (C.H.M. Jansen). Zie ook: hof 's-Hertogenbosch 17 augustus 1990, NJ 1991, 259.

7 HR 2 juni 1995, NJ 1997, 701 m.nt. CJHB onder nr. 702; Asser-Hartkamp 4-I (2000) nr. 448 e.v.

8 CvD 1.5; appeldagvaarding grief 3 (met toelichting sub 3.4.a en 3.6).

9 Zie Asser-Hartkamp 4-I (2000) nr. 440, alwaar verdere verwijzingen.

10 Zie inmiddels ook: HR 24 november 2000, NJ 2001, 195 m.nt. ARB.