Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD3970

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
C00/098HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD3970
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 756
JWB 2001/364
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C 00/098 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 28 september 2001

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

de Vereniging van bungaloweigenaren van bungalowpark "De Keizerskroon"

Deze zaak gaat over het passeren van een aanbod tot (tegen)bewijs en over de inhoud en geldigheid van een kettingbeding.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie zijn de volgende feiten van belang(1):

1.1.1. Bij akte van 22 februari 1972, verleden voor notaris B.M.A. Batenburg, heeft een zekere [betrokkene A] enkele percelen grond te Julianadorp in eigendom overgedragen aan de gemeente Den Helder onder voorbehoud van de rechten van erfpacht en opstal voor het tijdvak tot en met 31 december 2012.

1.1.2. In de bijzondere bepalingen van die akte werd de erfpachter bevoegd gemaakt om het erfpachtrecht te verkavelen en kavels uit te geven ten behoeve van de bouw van vakantiebungalows. [Betrokkene A] heeft zijn voorbehouden erfpacht- en opstalrechten ingebracht [bedoeld moet zijn: in maatschapsverband, noot A-G] in een bungalowpark genaamd "De Keizerskroon", waarna de gezamenlijke(2) erfpachtpercelen in 213 kavels zijn verdeeld. Op de kavels zijn vakantiehuizen gebouwd.

1.1.3. Bij notariële akte van 6 april 1972 heeft [betrokkene A] het erfpacht- en opstalrecht op een kavel, genummerd Keizerskroon 9, overgedragen aan [betrokkene B](3). In deze akte was een kettingbeding opgenomen met de volgende tekst:

"8. De koper, die met de andere bungalow-eigenaren een vereniging van bungalow-eigenaren vormt, welke vereniging ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de bungalow-eigenaren de "Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon" te Julianadorp in het leven heeft geroepen, onderwerpt zich onherroepelijk aan de besluiten van die vereniging, ondermeer tot betaling van een jaarlijks vast te stellen bijdrage ter dekking van de gemeenschappelijke kosten, welke in eerste instantie éénhonderd gulden per jaar bedraagt. Bij overdracht zal de koper deze bepaling aan de nieuwe verkrijger dienen op te leggen, welke evenals het lidmaatschap van de vereniging van bungalow-eigenaren onverbrekelijk aan het erfpachtsrecht is verbonden. Bij niet voldoen aan enige verplichting krachtens deze bepaling verbeurt de koopster of verbeurt zijn rechtsopvolger een boete van vijfduizend gulden ten behoeve van de Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon"."

1.1.4. Voor het beheer en het onderhoud van de algemene voorzieningen van het bungalowpark werd bij akte van 9 april 1973, verleden ten overstaan van notaris Batenburg, een stichting opgericht genaamd: Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon". Hoewel de rechtbank dit niet in rov. 1 vermeldt, leert inzage van de oprichtingsakte wie de eerste bestuurders van deze stichting waren; de verdere bestuursleden zouden worden benoemd en ontslagen door de gezamenlijke eigenaren van de vakantiebungalows dan wel door het bestuur van een eventueel op te richten vereniging van eigenaren (zie art. 4 statuten). Het op 18 oktober 1975 vastgestelde huishoudelijk reglement van de Beheersstichting(4) voorzag in een halfjaarlijkse vergadering van het bestuur van de stichting met de gezamenlijke eigenaren van de vakantiebungalows.

1.1.5. De Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" is, na daartoe verkregen verlof als bedoeld in art. 2:18 BW, bij akte van 11 juni 1992 omgezet in een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, genaamd: Vereniging van bungalow-eigenaren van Bungalowpark "De Keizerskroon". Dit is de huidige verweerster in cassatie (hierna kortweg aangeduid als: de VBE).

1.1.6. Op 15 december 1993 heeft eiser tot cassatie, [eiser], van de erfgenamen van [betrokkene B] het erfpacht- en opstalrecht ten aanzien van de kavel Keizerskroon 9 verkregen. In de hiervan opgemaakte notariële akte (blz. 7) wordt in de rubriek bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen het hierboven onder 1.1.3 genoemde kettingbeding vermeld. Voorts wordt in deze akte (blz. 8) vermeld dat de jaarlijkse bijdrage inmiddels is verhoogd tot f 475,- en dat de eerder genoemde bepalingen bij deze overeenkomst, d.w.z. de overeenkomst van 15 december 1993, door de verkoper worden opgelegd aan de koper ([eiser]). De koper verklaart zich te verbinden de verplichtingen uit deze bepalingen voortvloeiende te zullen naleven, welke verklaring door de verkoper wordt aanvaard namens degenen ten behoeve van wie in de akte rechten werden bedongen.

1.1.7. [Eiser] heeft de contributie voor het jaar 1994 ten bedrage van f 475,- in januari 1994 aan de VBE betaald.

1.1.8. [Eiser] heeft het erfpacht- en opstalrecht ten aanzien van de kavel Keizerskroon 9 op 19 december 1994 doorverkocht en geleverd aan Enundes Beheer V.o.f. zonder aan deze koopster het bovengenoemde kettingbeding op te leggen. De VBE heeft vervolgens [eiser] gesommeerd tot betaling van de contractuele boete van f 5.000,- wegens het niet nakomen van deze verplichting.

1.2. [Eiser] heeft de VBE gedagvaard voor de kantonrechter te Den Helder en de door hem betaalde bijdrage van f 475,- teruggevorderd als onverschuldigd betaald. De vordering omvat daarnaast f 1.198,50 incassokosten en f 44,70 vervallen rente, waarmee zij in totaal uitkomt op f 1.718,20. [Eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij destijds ten onrechte in de veronderstelling heeft verkeerd dat het lidmaatschap van de vereniging van bungaloweigenaren verplicht was. In het kader van de overdracht van zijn bungalow aan Enundes Beheer V.o.f., welke vennootschap bezwaren had tegen het lidmaatschap van de VBE, is hem gebleken dat het verenigingsrecht zich verzet tegen een verplicht lidmaatschap en dat de VBE bovendien niet een rechtspersoon is die jegens hem enig recht kan ontlenen aan de inhoud van de akte van 15 december 1993.

1.3. De VBE heeft in conventie verweer gevoerd en in reconventie betaling gevorderd van f 5.000,- contractuele boete op de grond dat [eiser], die het kettingbeding had aanvaard in de koopakte van 15 december 1993, bij doorverkoop op 19 december 1994 heeft verzuimd het kettingbeding aan Enundes op te leggen. Tegen deze reconventionele vordering heeft [eiser] wederom aangevoerd dat de VBE niet een rechtspersoon is die jegens hem enig recht kan ontlenen aan de inhoud van de akte van 15 december 1993.

1.4. Bij tussenvonnis van 13 november 1997 heeft de kantonrechter de VBE toegelaten te bewijzen dat met de in het kettingbeding genoemde Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon" wordt bedoeld: de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" (de rechtspersoon die op 11 juni 1992 is omgezet in de VBE) en dat zulks duidelijk is en geweest moet zijn voor belanghebbenden die overgingen tot het in erfpacht nemen van grond en het daarop zetten van opstallen.

1.5. De VBE heeft bij "akte uitlating bewijs" een verklaring van oud-notaris Batenburg in het geding gebracht. Deze verklaring hield in dat er maar één stichting is geweest voor het beheer van de voorzieningen in het bungalowpark De Keizerskroon. Deze ene stichting had officieel de naam: Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon", maar werd in de wandeling aangeduid als de Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon". Deze laatste naam werd volgens de oud-notaris in de leveringsakten gebruikt, "achteraf bezien misschien niet geheel correct". [Eiser] heeft hierop gereageerd met een "akte uitlating tegenbewijs".

1.6. Bij eindvonnis van 17 december 1998 heeft de kantonrechter de vordering van [eiser] in conventie afgewezen en de vordering van de VBE in reconventie toegewezen. De kantonrechter achtte met de brief van de oud-notaris het verlangde bewijs geleverd en overwoog:

"Hoewel de inhoud van deze brief in het bijzonder door [eiser] feitelijk betwist wordt, heeft hij geen feiten en omstandigheden genoemd, waaruit zou blijken, dat er in de praktijk twee stichtingen zijn en dat bijvoorbeeld een van deze stichting[en] niet meer werkzaam zou zijn. Het dient er dan ook voor te worden gehouden in het algemeen, dat rechtverkrijgenden met betrekking tot stukken grond in erfpacht op het bungalowpark de Keizerskroon ermede bekend waren, dat de in de akte genoemde stichting wel degelijk was de stichting, welke officieel genoemd wordt de "Beheersstichting".

Verder stelde de kantonrechter vast dat [eiser] in de koopakte de verplichting jegens de vereniging van bungaloweigenaren op zich heeft genomen tot betaling van de jaarlijkse bijdrage en tot het opleggen van het kettingbeding aan de opvolgende koper van het erfpacht- en opstalrecht met betrekking tot deze kavel. De bijdrage is dus niet onverschuldigd aan de VBE betaald en [eiser] is gebonden aan het kettingbeding. Omdat [eiser] bij doorverkoop aan Enundes heeft verzuimd het kettingbeding door te geven, is hij volgens de kantonrechter de contractuele boete verschuldigd.

1.7. [Eiser] is van beide vonnissen in hoger beroep gekomen bij de rechtbank te Alkmaar. De rechtbank heeft bij vonnis van 30 december 1999 de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigd.

1.8. [Eiser] heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De VBE heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. [eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I komt primair met een rechtsklacht en subsidiair met een motiveringsklacht op tegen rov. 8. De klacht komt erop neer dat de rechtbank niet, althans niet zonder nadere motivering, had mogen voorbijgaan aan het door [eiser] in zijn "akte uitlating tegenbewijs" gedane aanbod tot bewijslevering door getuigen.

2.2. In de akte uitlating tegenbewijs heeft [eiser] uiteengezet dat op het moment waarop zijn rechtsvoorganger ([betrokkene B]) de kavel verwierf, 6 april 1972, er nog geen vereniging van bungaloweigenaren bestond en dus evenmin sprake kon zijn van een door de vereniging van bungaloweigenaren in het leven geroepen Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon". De Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" is eerst nadien opgericht, namelijk op 9 april 1973. Aan het slot van deze akte heeft [eiser] aan de kantonrechter verzocht als getuigen op te roepen: oud-notaris Batenburg en [eiser] zelf.

2.3. Op 6 april 1972 was de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" inderdaad nog niet opgericht. De notaris (de waarnemer van Batenburg) heeft de aanduiding "Stichting bungalowpark "de Keizerskroon" in de koopakte van 6 april 1972 vermoedelijk gebruikt als voorlopige benaming voor een nog op te richten stichting. Hoe dan ook, de partijen in dit geding zijn het erover eens dat een stichting onder de naam "Stichting bungalowpark "De Keizerskroon" nimmer heeft bestaan. Het gaat erom of voor [eiser] duidelijk was dat, toen hij op 15 december 1993 de verplichting op zich nam tot het doorgeven van het kettingbeding op straffe van verbeurte van een contractuele boete aan een stichting die in de akte werd aangeduid als Stichting bungalowpark "De Keizerskroon", hij deze verplichting op zich nam jegens de Beheersstichting bungalowpark "De Keizerskroon" die in 1992 was omgezet in de VBE (de huidige procespartij).

2.4. De kantonrechter heeft deze vraag bevestigend beantwoord, op de grond dat [eiser] niet heeft gesteld dat er twéé stichtingen naast elkaar bestonden. Nu geen andere stichting in aanmerking kwam dan de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon", en - zo lees ik het vonnis van de kantonrechter - [eiser] moet hebben begrepen dat hij zich in ieder geval jegens de met het beheer van dit bungalowpark belaste rechtspersoon verbond, moet voor [eiser] tenminste achteraf duidelijk zijn geworden dat de rechtspersoon jegens wie hij zich contractueel verbond de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" was, die is omgezet in de VBE. Aan deze rechtspersoon is [eiser] volgens de kantonrechter dan ook de contractuele boete verschuldigd.

2.5. In grief 2 heeft [eiser] op dit argument ingehaakt. Hij heeft alsnog aangevoerd dat hij "gezien de ondoorzichtige en onduidelijke constructie die door de grondleggers van bungalowpark "De Keizerskroon" is gekozen" mocht menen dat er twee stichtingen naast elkaar bestonden, te weten: een Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon" en de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon". In grief 3 heeft [eiser] zich beklaagd over het passeren van zijn bewijsaanbod.

2.6. De rechtbank heeft in rov. 8 geconstateerd dat grief 2 de gronden van de beslissing van de kantonrechter niet aantast. Reeds in eerste aanleg had [eiser] het standpunt ingenomen dat een stichting onder de naam Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon" nimmer heeft bestaan(5). Indien [eiser] aanvankelijk in de veronderstelling heeft verkeerd dat naast de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" een afzonderlijke Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon" bestond en dat hij zich jegens de laatstgenoemde heeft verbonden, doch naderhand tot het - juiste - inzicht is gekomen dat een stichting van die naam nimmer heeft bestaan, voert dit niet noodzakelijkerwijs tot de gevolgtrekking dat [eiser] jegens niemand gebonden is. De rechtbank heeft uit de feiten afgeleid en m.i. mogen afleiden dat [eiser] zich tot het doorgeven van het kettingbeding (op straffe van verbeurte van een boete) heeft willen verbinden jegens de wél bestaande rechtspersoon, te weten de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" die in 1992 was omgezet in de VBE. Aangezien de redenering van de rechtbank uitgaat van de door [eiser] gestelde feiten, was een getuigenverhoor niet meer nodig om die feiten vast te stellen. De rechtbank kon het bewijsaanbod daarom passeren.

2.7. Ten overvloede ("overigens ...") heeft de rechtbank het bewijsaanbod als niet concreet en niet gespecificeerd gepasseerd. Deze laatste overweging staat inderdaad op gespannen voet met de vaste rechtspraakregel welke inhoudt dat een aanbod van tegenbewijs niet gespecificeerd behoeft te worden(6). Nu deze overweging ten overvloede de beslissing niet draagt, leidt de klacht niet tot cassatie.

2.8. Middel II heeft betrekking op de verwerping van grief 4. [Eiser] had ter toelichting op deze grief betoogd dat in de tekst van het kettingbeding het lidmaatschap van de vereniging van bungaloweigenaren (met inbegrip van de verplichting tot het betalen van de contributie) onverbrekelijk is verbonden aan het hebben van een erfpacht- en opstalrecht ten aanzien van een bungalow in het park. [Eiser] voerde aan dat het lidmaatschap van een vereniging niet van rechtswege op hem kan overgaan(7) en dat hij niet zelf aan de VBE te kennen heeft gegeven als lid te willen toetreden. De rechtbank heeft deze grief in rov. 11 verworpen, daarbij overwegend dat hier geen sprake is van een onvrijwillig lidmaatschap. De rechtbank wijst erop dat [eiser] op 15 december 1993 door de aanvaarding van het kettingbeding vrijwillig jegens de VBE het lidmaatschap van de vereniging van bungaloweigenaren op zich heeft genomen.

2.9. Het middel voert in de eerste plaats aan dat de rechtbank over het hoofd ziet dat het kettingbeding een beding is waarop afd. 6.5.3 BW (Algemene voorwaarden) toepasselijk is. Zo'n beding is vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (art. 6:233 BW). De klacht miskent m.i. dat de vernietiging van een vernietigbare rechtshandeling plaatsvindt hetzij door een daartoe strekkende buitengerechtelijke verklaring hetzij door een rechterlijke uitspraak (zie art. 3:49 e.v. BW). Op een daartoe strekkende buitengerechtelijke verklaring is in feitelijke instanties geen beroep gedaan. In cassatie kan niet voor het eerst een daartoe strekkende rechterlijke uitspraak worden verzocht. Om dezelfde reden baat het beroep op HR 25 april 1986, NJ 1986, 714 m.nt. G, niet. Hierbij wordt aangetekend dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat de VBE de gebruiker van het kettingbeding is in de zin van art. 6:231 BW. Het waren de erven [betrokkene B], en daarvóór hun rechtsvoorganger [betrokkene A], die het kettingbeding in de overeenkomst hebben opgenomen.

2.10. Het middel bestrijdt in de tweede plaats een overweging welke volgens het middel zou inhouden dat [eiser] geen feiten heeft gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de VBE in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door [eiser] aan het kettingbeding te houden. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat een dergelijke overweging niet in het vonnis van de rechtbank valt te lezen.

2.11. Het middel voert in de derde plaats aan dat de contractuele verplichting om lid te worden van de VBE strijdig is met het grondrecht van vrijheid van vereniging. Dit grondrecht omvat mede het recht géén lid van een vereniging te zijn wanneer de betrokkene het lidmaatschap niet wenst. De verplichting om, eenmaal lid geworden, lid te blijven acht [eiser] bovendien strijdig met de bepalingen in boek 2 BW, welke het lid van een vereniging het recht geven het lidmaatschap steeds op te zeggen.

2.12. Op zich is juist dat het grondrecht van vrijheid van vereniging, zoals neergelegd in art. 8 Grondwet en art. 11 EVRM, óók het recht impliceert niet lid van een vereniging te hoeven zijn wanneer de betrokkene het lidmaatschap niet wenst(8). In het middel wordt evenwel miskend dat hier geen sprake is van een van overheidswege opgelegde verplichting om lid te worden of te blijven van de vereniging van bungaloweigenaren. Volgens de rechtbank stond het [eiser] in 1993 vrij om wel of niet te kiezen voor het sluiten van een koopovereenkomst die tot het lidmaatschap verplicht. In de zienswijze van de rechtbank is dus geen inbreuk op het grondrecht van de vrijheid van vereniging gemaakt.

2.13. Over het beroep op de opzegbepalingen in boek 2 BW kan het volgende worden opgemerkt. Art. 2:35 BW regelt de wijzen waarop het lidmaatschap van een gewone vereniging eindigt. Voor een coöperatieve vereniging geldt de regel dat, met behoud van de vrijheid van uittreding, in de statuten aan de uittreding van een lid voorwaarden kunnen worden verbonden voor zover deze in overeenstemming zijn met haar doel en strekking (art. 2:60 BW). In het onderhavige geval gaat het niet om een coöperatieve, maar om een gewone vereniging. J.M.M. Maeijer huldigt het standpunt dat uit art. 2:60 BW a contrario moet worden afgeleid dat aan de opzegging van het lidmaatschap door het lid van een gewone vereniging geen bezwarende voorwaarden mogen worden gesteld(9). Deze opvatting vindt steun in een uitlating van regeringscommissaris Drion(10). A.L.G.A. Stille wijst op de wettelijke mogelijkheid het lidmaatschap statutair tot een niet-persoonlijk lidmaatschap te bestempelen (art. 2:34 BW). Langs die weg kan het lidmaatschap het karakter van een overdraagbaar vermogensrecht verkrijgen. Bij een dergelijk lidmaatschap ziet hij geen reden om een volstrekte opzegbaarheid van het lidmaatschap te verlangen(11). In zijn opvatting is geoorloofd een statutaire bepaling waarin voor aanvaarding van de opzegging van een lid, bijvoorbeeld, de eis wordt gesteld dat het uittredende lid zelf een opvolger voordraagt. Ter voorkoming van misverstand zij aan het voorgaande toegevoegd dat, ook in de opvatting van Maeijer c.s., wel bijkomstige verplichtingen het gevolg van een uittreding kunnen zijn. Zo wordt het voorbeeld genoemd van het lid van de harmonie dat na uittreding het van de vereniging in bruikleen verkregen muziekinstrument moet teruggeven. Dat is dan geen voorwaarde voor het aanvaarden van de opzegging: de grondslag van de teruggaveverplichting is gelegen in het verstrijken van de bruikleenperiode. Slechts de opzegtermijn - in het onderhavige geding geen voorwerp van debat - wordt in de wet geregeld (zie art. 2:36 BW). In de vakliteratuur wordt aangenomen dat de statuten wél voorschriften kunnen geven omtrent de vorm waarin de opzegging geschiedt, zoals bijv. de eis dat opzegging schriftelijk geschiedt.

2.14. De statuten van de VBE bepalen in art. 6 lid 1 dat het lidmaatschap verplicht is voor en beperkt is tot de eigenaren van bungalows in het park. Art. 7 lid 1 bepaalt dat het lidmaatschap eindigt bij verkoop van de bungalow(s). Over een opzegging van het lidmaatschap door een lid van de vereniging vóórdat diens bungalow aan een derde is overgedragen valt in de statuten niets te lezen. Hoe dan ook, de geldigheid van de statuten stond in appel niet ter discussie. [Eiser] heeft niet gesteld dat hij het lidmaatschap van de VBE heeft opgezegd of daartoe zelfs maar een poging heeft ondernomen vóórdat hij de bungalow aan Enundes verkocht. Een (vrijwillig toegetreden) lid van een vereniging is in het algemeen contributie verschuldigd zolang het lidmaatschap voortduurt. In deze zienswijze is de contributie dus niet onverschuldigd betaald. Overigens kon [eiser], ook in zijn eigen zienswijze, het lidmaatschap en zijn contributieverplichting steeds doen eindigen door de bungalow aan een ander over te dragen.

2.15. Dan resteert nog de motiveringsklacht aan het slot van middel II. De klacht houdt in dat uit de motivering van de rechtbank niet valt af te leiden op welke grond de rechtbank het standpunt, dat de contractuele verplichting om lid te worden en te blijven van de VBE in strijd met het recht is, heeft verworpen. Zo geformuleerd, mist de klacht feitelijke grondslag. In de redenering van de rechtbank kon de rechtsgeldigheid van deze contractuele verplichting in het midden blijven. In appel ging het niet om de vraag of [eiser] op grond van deze clausuele gedwongen kan worden om lid van de VBE te worden en te blijven, maar om de vraag of [eiser], eenmaal lid geworden, verschuldigd of onverschuldigd de contributie over 1994 heeft betaald. Om dezelfde reden kan niet worden gezegd dat de rechtbank haar taak als appelrechter heeft miskend. De slotsom is dat middel II niet tot cassatie leidt.

2.16. Middel III klaagt dat de rechtbank voorbij gaat aan de vraag of VBE dezelfde vereniging is als die, welke in het kettingbeding wordt aangeduid als "vereniging van bungaloweigenaren". Volgens de toelichting op het middel is de huidige procespartij VBE de voortzetting van de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" en dat is zijns inziens een ander dan de vereniging van bungaloweigenaren die in het kettingbeding wordt genoemd. In het kettingbeding is volgens [eiser] een andere vereniging - een blijkbaar niet meer bestaande vereniging zonder rechtspersoonlijkheid - bedoeld. Subsidiair verbindt het middel hieraan een motiveringsklacht.

2.17. De primaire klacht mist feitelijke grondslag omdat de rechtbank in rov. 11 wel op deze kwestie is ingegaan. De rechtbank overweegt dat voor [eiser] bij het tekenen van de koopakte duidelijk moet zijn geweest dat hij zich (tot betaling van de contributie) verbond jegens de VBE. De rechtbank motiveert dit met het argument dat [eiser] zonder enig voorbehoud de bijdrage 1994 aan VBE heeft afgedragen. Deze motivering kan de beslissing dragen en verschaft voldoende inzicht in de reden waarom de rechtbank het standpunt van [eiser] niet deelde. De omstandigheid dat de VBE sedert de omzetting in 1992 beschouwd kan worden als de voortzetting van de Beheersstichting bungalowpark "De Keizerskroon" noopte de rechtbank niet tot een ander oordeel. Bestudering van de gedingstukken leert het volgende. Zoals hierboven in alinea 1.1.4 werd vermeld, kenden de statuten en het reglement van de Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon" bepaalde bevoegdheden toe aan een vergadering van de gezamenlijke bungaloweigenaren. Dit gremium behoefde geen rechtspersoonlijkheid te hebben. Veronderstellenderwijs ervan uitgaand dat het kettingbeding het oog had op het lidmaatschap van deze informele, aan de Beheersstichting opgehangen vereniging van bungaloweigenaren, heeft de rechtbank m.i. zonder nadere motivering mogen aannemen dat, als gevolg van de omzetting in 1992, deze informele, aan de Beheersstichting opgehangen vereniging van bungaloweigenaren, tezamen met de Beheersstichting zelf, is opgegaan in de VBE. De slotsom is in elk geval dat ook middel III niet tot cassatie leidt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het feitencomplex is ingewikkeld. De feiten zijn ontleend aan rov. 1 van het bestreden vonnis en door mij gepreciseerd of aangevuld aan de hand van de overgelegde notariële akten.

2 Uit de gedingstukken blijkt dat [betrokkene A] heeft samengewerkt met twee projectontwikkelaars. Daarbij was afgesproken dat de erfpachtscanon tot eind 1992 niet aan de grondeigenaar (de gemeente) zou worden afgedragen maar aan een Stichting administratiekantoor bungalowpark "De Keizerskroon" te Purmerend, niet te verwarren met de in deze conclusie te bespreken Beheersstichting Bungalowpark "De Keizerskroon".

3 Deze akte, niet genoemd in rov. 1 maar aangehaald in rov. 11, is overgelegd als productie bij de Akte uitlating tegenbewijs.

4 Overgelegd als productie bij CvA.

5 CvDreconv. sub 7. [eiser] heeft zelfs een uittreksel uit het Stichtingenregister in het geding gebracht om daarmee te bewijzen dat een stichting onder de naam Stichting Bungalowpark "De Keizerskroon" in werkelijkheid niet bestaat.

6 Zie onder meer: HR 9 januari 1998, NJ 1999, 413 m.nt. HJS; HR 16 januari 1998, NJ 1999, 414; HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 899; HR 10 december 1999, NJ 2000, 637; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 673.

7 In het appartementsrecht is wel sprake van een lidmaatschap van rechtswege (zie art. 5:125 BW), evenals bij een onderlinge waarborgmaatschappij (art. 2:62 BW).

8 Het vraagstuk doet zich wel voor wanneer van overheidswege het lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie wordt voorgeschreven. Zie bijv. EHRM 23 juni 1981, NJ 1982, 602 (artsen); EHRM 30 juni 1993, NJ 1994, 223 m.nt. EAA (taxichauffeur); EHRM 25 april 1996, NJ 1997, 729 (werkgeversorganisatie); EHRM 29 april 1999, NJ 1999, 649 (jachtvereniging). Zie naar nationaal recht art. 8 Grondwet, waarover B.M.J. van der Meulen in: de Grondwet (A.K. Koekkoek, red.; 2000), i.h.b. blz. 145.

9 Asser-van der Grinten-Maeijer 2-II (1997) nr. 281: "Een onopzegbaar lidmaatschap is in strijd met de wet". In gelijke zin: Dijk/Van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (bew. door C.H.C. Overes e.a., 1997) blz. 119; J.D.A. den Tonkelaar, Vrijheid en gebondenheid in het verenigingsrecht (1979) blz. 209 e.v.; dezelfde in T&C BW, 2001, aant. 2 op art. 2:35; A.J.W.M. van Hengstum en C.E.M. van Steenderen, Het Nieuwe Verenigingsrecht (1979) blz. 60-61; W.J.M. Davids, Spelregels voor verenigingen (1982) blz. 37. Zie over 2:60 BW: HR 9 januari 1987, NJ 1987, 959 m.nt. Ma t.a.v. de uittreevoorwaarden van een coöperatieve vereniging.

10 Parl. Gesch. Boek 2, blz. 508.

11 Losbl. Rechtspersonen, aant. 3 op art. 2:35 BW.