Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD3960

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
C00/064HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD3960
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 738
JWB 2001/350
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C 00/064 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 21 september 2001

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen

Gemini Investments B.V.

Deze zaak gaat over de ontvankelijkheid van een verzoek aan de kantonrechter tot vaststelling van de huurprijs van bedrijfsruimte (niet zijnde art. 7A:1624 BW-bedrijfsruimte) wanneer partijen voor die vaststelling bindend advies zijn overeengekomen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(1):

1.1.1. Eiseres tot cassatie, [eiseres], heeft op 19 april 1990 van AADIC Bouw II B.V. een bedrijfsruimte met kantoren en buitenterrein te Loosduinen gehuurd. Het betreft huur en verhuur van zgn. geliberaliseerde bedrijfsruimte waarop hoofdstuk VI A van de Huurwet van toepassing is(2).

1.1.2. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 10 jaren welke aanvangt op 1 december 1990 en eindigt op 30 november 2000. Verweerster in cassatie, Gemini, geldt sinds 12 december 1996 als de verhuurster.

1.1.3. In een aanhangsel bij de huurovereenkomst d.d. 19 april 1990 wordt onder meer bepaald:

"Indien de financiering van de zogenaamde additionele voorzieningen plaatsvindt naar genoegen van huurder zal herziening van de huur conform art. 2 lid 4 van de huurovereenkomst steeds na verloop van 5 jaar, voor het eerst per 1-12-1995 plaats kunnen vinden op verzoek van één der partijen."

1.1.4. Art. 2, vierde lid, van de huurovereenkomst luidt als volgt:

"Elk der partijen is bevoegd om telkenmale na het verstrijken van een periode van 5 jaar, derhalve voor het eerst op 1 december 1995 herziening van de huurprijs te verlangen door een toetsing van de huurprijs aan de marktwaarde van het gehuurde. De wens daartoe zal aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht 6 maanden voor de laatstgenoemde datum.

Mochten partijen 3 maanden voor de ingangsdatum van de te herziene huurtermijn nog niet tot overeenstemming zijn gekomen, dan zal taxatie van deskundigen worden gevraagd, waartoe alsdan elk der partijen binnen 14 dagen een deskundige zal aanwijzen.

In geval een der partijen in gebreke mocht blijven met de benoeming van haar deskundige zal de andere partij het recht hebben, benoeming van deze deskundige te vragen aan de voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te 's-Gravenhage of aan de Kantonrechter te 's-Gravenhage.

De op deze wijze benoemde deskundigen zullen binnen 14 dagen na hun benoeming een derde deskundige aanwijzen. Indien zij over deze benoeming niet tot overeenstemming komen, zal ook de benoeming van de derde deskundige door de meest gerede partij kunnen worden aangevraagd aan de hiervoor genoemde voorzitter respectievelijk kantonrechter. Het te verstrekken rapport zal voor beide partijen bindend zijn en de kosten ervan zullen gelijkelijk door partijen worden gedragen. De aldus opnieuw vastgestelde huurprijs zal ook in de navolgende periode(n) jaarlijks worden geïndexeerd en aangepast, zoals eerder genoemd."

1.1.5. Bij brief van 22 januari 1997 heeft [eiseres] zich tot Gemini gewend met een voorstel tot huurprijsverlaging per 1 februari 1997. In deze brief wordt aangekondigd dat bij gebreke van overeenstemming de procedure voor huuraanpassing zal moeten worden gevolgd zoals omschreven in de huurovereenkomst.

1.2. [Eiseres] heeft op 16 september 1997 Gemini gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Gravenhage. Zij heeft gevorderd dat de kantonrechter de huurprijs van de bedrijfsruimte zal vaststellen op f. 95.725,- excl. BTW per maand, althans op een door de kantonrechter te bepalen bedrag, zulks met ingang van 1 februari 1997, althans met ingang van de datum van het verzoekschrift of een door de rechter te bepalen ingangsdatum. Aan haar vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat de tussen partijen geldende huurprijs(3) niet langer overeenstemt met de markthuurwaarde.

1.3. Gemini heeft aangevoerd dat [eiseres] op drie gronden niet-ontvankelijk is in haar vordering:

(i) Herziening van de huurprijs is uitsluitend mogelijk op de vaste data vermeld in de huurovereenkomst, d.w.z. per 1 december 1995 of per 1 december 2000. Voor tussentijdse wijzigingen van de huurprijs laat de overeenkomst geen ruimte.

(ii) Deze vordering kan niet bij de kantonrechter worden ingesteld. De huurovereenkomst wijst de procedure tot vaststelling van een nadere huurprijs aan, nl. het vragen van bindend advies aan drie deskundigen op de voet van art. 2 lid 4 van de overeenkomst. De regeling van art. 7A:1626 en art. 7A:1632a BW is niet van toepassing (het gaat niet om bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW).

(iii) Bovendien heeft [eiseres] haar wens tot wijziging van de huurprijs niet kenbaar gemaakt op de termijn die art. 2 lid 4 van de huurovereenkomst voorschrijft, te weten uiterlijk zes maanden vóór de beoogde ingangsdatum. Hierdoor heeft de gelegenheid ontbroken om gedurende tenminste drie maanden over een nieuwe huurprijs te onderhandelen.

1.4. [Eiseres] heeft hiertegenover gesteld:

(ad i): De overeenkomst moet zodanig worden uitgelegd dat, wanneer het eerste tijdvak van 5 jaren is verstreken, dus: vanaf 1 december 1995, op elk moment een wijziging van de huurprijs voor een nieuwe periode van vijf jaren kan worden verzocht. De wijzigingsmogelijkheid is niet gebonden aan gefixeerde data (1 december 1995/2000 enz.), zoals Gemini meent. Subsidiair beroept [eiseres] zich op de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW).

(ad ii): Gemini heeft niet willen meewerken aan de aanwijzing van deskundigen vanwege het zojuist beschreven geschil over de uitleg van de overeenkomst. [Eiseres] was dus wel genoodzaakt zich tot de kantonrechter te wenden.

(ad iii): Tussen het verzoek van 22 januari 1997 en de inleidende dagvaarding zijn meer dan zes maanden verstreken waarin geen overeenstemming tussen partijen is bereikt(4).

1.5. Bij vonnis van 26 maart 1998 heeft de kantonrechter de vordering van [eiseres] afgewezen. De kantonrechter overwoog dat voor overeenkomstige toepassing van de art. 7A:1626/1632a BW in dit geval geen plaats is. Daarnaast werd in het vonnis overwogen dat de huurverhouding tussen partijen sedert haar aangaan nog geen veelvoud van vijf jaar heeft geduurd (rov. 5 Ktr).

1.6. [Eiseres] heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage. De rechtbank overwoog dat, of de grieven gegrond zijn of niet, een wijziging van de huurprijs uitsluitend kan plaatsvinden op de wijze als voorzien in artikel 2 lid 4 van de huurovereenkomst, d.w.z. via bindend adviseurs. Om die reden heeft de rechtbank op 10 november 1999 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en [eiseres] alsnog niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

1.7. [Eiseres] heeft tegen het vonnis van de rechtbank tijdig(5) cassatieberoep ingesteld. Tegen Gemini is in cassatie verstek verleend. [Eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Met middel I komt [eiseres] op tegen de niet-ontvankelijkverklaring. Met middel II keert zij zich tegen de overwegingen ten overvloede. Omdat in de gedingstukken meermalen wordt verwezen naar bepalingen in een wetsvoorstel schets ik eerst het huidige en het toekomstige wettelijke kader.

2.2. In het huidige recht regelt art. 7A:1625 BW dat de huurovereenkomst m.b.t. bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW geldt voor een periode van vijf jaar of, indien een langere duur is overeengekomen, voor die langere duur. Art. 7A:1626 BW regelt de verlenging van rechtswege en is niet van toepassing op de overeenkomst die voor tien jaar of langer is aangegaan. Art. 7A:1626 lid 3 bepaalt dat de kantonrechter desgevorderd de huurprijs vaststelt indien tussen huurder en verhuurder geen overeenstemming bestaat over een wijziging van de huurprijs in verband met de verlenging en de huurder of verhuurder van mening is dat de huurprijs niet overeenstemt met die van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse. Weliswaar past het bij de opzet en de bewoordingen van art. 7A:1626 BW om aan te nemen dat een op de voet van lid 3 nader vastgestelde huurprijs ingaat bij de aanvang van een nieuwe huurperiode, maar dat betekent niet dat het de rechter niet vrijstaat de huurprijs op grond van bijzondere omstandigheden op een later tijdstip te doen ingaan(6). Verderop in het wetboek bepaalt art. 7A:1632a BW in het algemeen dat de kantonrechter, desgevorderd, de huurprijs van bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW nader kan vaststellen indien deze niet overeenstemt met de huurprijs van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse. De wet bepaalt dat de kantonrechter dit op de volgende momenten kan doen. Indien de overeenkomst voor bepaalde tijd geldt: na afloop van de overeengekomen duur. Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd geldt: telkens wanneer vijf jaren zijn verstreken na de ingangsdatum. De rechter is slechts in zoverre beperkt in zijn vrijheid, dat de wijziging van de huurprijs niet eerder kan ingaan dan op de dag volgende op het einde van de eerste door partijen bepaalde huurperiode en bovendien niet eerder dan op de dag van indiening van het verzoekschrift (lees thans: de dag van het instellen van de vordering)(7). Art. 7A:1632a, eerste lid onder b, BW moet aldus worden verstaan dat partijen zich slechts éénmaal per vijf jaren met een vordering tot nadere huurprijsvaststelling tot de rechter kunnen wenden, en dat zij zulks óók kunnen doen op een tijdstip dat gelegen is tussen twee tijdstippen waarop de overeenkomst sedert haar aangaan een veelvoud van vijf jaar heeft geduurd. Na een nadere vaststelling van de huurprijs of het nader overeenkomen(8) van een nieuwe huurprijs op een tussenliggend tijdstip zullen dan weer minimaal vijf jaren verstreken moeten zijn voordat opnieuw nadere vaststelling van de huurprijs gevorderd kan worden(9).

2.3. De zo-even vermelde regels hebben uitsluitend betrekking op bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW; dat volgt uit het eerste lid van dat artikel. In ons geval is geen sprake van bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW. De kantonrechter heeft t.a.v. de vaststelling van de huurprijs hier in beginsel wettelijk geen taak(10). Voor de huur en verhuur van geliberaliseerde bedrijfsruimte gelden geen wettelijke prijsvoorschriften. Als huurprijs geldt de prijs die partijen zijn overeengekomen of zullen overeenkomen (art. 28b lid 1 onder b Huurwet). In het - in 1995 ingediende en later weer ingetrokken(11) - wetsvoorstel 24 150 tot wijziging van desbetreffende BW-bepalingen en tot intrekking van de Huurwet werd een ontwerp-artikel 1631c BW voorgesteld. Volgens dit voorstel zou de huurder of de verhuurder kunnen vorderen dat de kantonrechter de huurprijs overeenkomstig de marktwaarde vaststelt. De eis van vergelijking over de voorafgaande vijf jaar (de zgn. referentieperiode) met het daaraan verbonden prijsmatigende effect kwam in het voorstel te vervallen; het hanteren van de maatstaf van de actuele marktwaarde zou meer vrijheid geven. Het voorstel beperkte zich niet tot bedrijfsruimte in de zin van het huidige art. 7A:1624 BW (zoals winkels e.d.), maar zou aanvankelijk gaan gelden voor alle soorten bedrijfsruimte. [eiseres] (repliek 5.2.5) heeft in dit geding bepleit op de voorgestelde regeling vooruit te lopen.

2.4. Wetsvoorstel 24 150 ondervond onvoldoende steun in het parlement. Met name werd gevreesd voor te abrupte huurprijsverhogingen bij hantering van het marktwaardecriterium. Het ingetrokken wetsvoorstel is inmiddels vervangen door wetsvoorstel 26 932 tot vaststelling van afdeling 7.4.6 BW (huur van bedrijfsruimte)(12). Hierin wordt ter vervanging van art. 7A:1632a BW een art. 7:303 BW voorgesteld dat, voor zover voor dit geding van belang, luidt:

"1. Zowel de huurder als de verhuurder kunnen vorderen dat de rechter de huurprijs, zo deze niet overeenstemt met die van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, nader zal vaststellen:

a. indien de overeenkomst voor bepaalde tijd geldt, na afloop van de overeengekomen duur;

b. in alle andere gevallen, telkens wanneer tenminste vijf jaar zijn verstreken sinds de dag waarop de laatste door partijen vastgestelde huurprijs is ingegaan of waarop de laatste door de rechter vastgestelde huurprijs is gevorderd.

2. Bij de nadere vaststelling van de huurprijs let de rechter op het gemiddelde van de huurprijzen van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, die zich hebben voorgedaan in een tijdvak van vijf jaren voorafgaande aan de dag van het instellen van de vordering. (...)

3. (...)

4. Indien de rechter de huurprijs nader vaststelt, geldt deze met ingang van de dag waarop deze is gevorderd, tenzij hij op vordering van een der partijen op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval een andere ingangsdatum vaststelt(13). Hij kan daarbij tevens bepalen dat de huurprijs gedurende een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaren geleidelijk zal worden verhoogd."

In wetsvoorstel 26 932 wordt het huidige stelsel van nadere huurprijsvaststelling gehandhaafd, dus met een referentieperiode(14). Anders dan het geval was in wetsvoorstel 24 150, heeft de in wetsvoorstel 26 932 neergelegde regel slechts betrekking op wat thans heet: 1624-bedrijfsruimte (zie de omschrijving in het in 26 932 voorgestelde art. 7:290 lid 2 NBW). Anticipatie op wetsvoorstel 26 932 baat [eiseres] dus niet.

2.5. Middel I brengt - voor het eerst in deze procedure - een grondrecht in stelling. Volgens het middel verdraagt de niet-ontvankelijkverklaring zich niet met het grondrecht van [eiseres] op toegang tot de rechter "om te geraken tot huurprijsvaststelling c.q. huurprijswijziging wanneer dat in der minne niet gelukt". [Eiseres] voert aan dat Gemini - op grond van Gemini's argument dat de huurprijs niet kan worden aangepast op een andere datum dan een in de overeenkomst daartoe gefixeerde datum - niet heeft willen meewerken aan de aanwijzing van deskundigen om de huurprijs vast te stellen. [Eiseres] was daarom wel genoodzaakt zich tot de rechter te wenden. De klacht houdt in dat de rechtbank had moeten oordelen dat het een grondrecht van [eiseres] betreft waarop niet bij overeenkomst een inbreuk kan worden gemaakt. Aan de rechtsklacht wordt, subsidiair, een - niet nader uitgewerkte - motiveringsklacht verbonden.

2.6. De rechtsklacht gaat n.m.m. niet op. Het door [eiseres] ingeroepen ius de non evocando vindt zijn grondslag in art. 17 van de Grondwet(15). Daar valt te lezen dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Er staat niet dát de wet aan de burger een rechter moet toekennen ter bepaling van de nadere huurprijs voor gevallen waarin partijen het over de prijs niet eens kunnen worden. Zelfs al zou de wet aan [eiseres] toegang tot de overheidsrechter verschaffen, dan kan [eiseres] - anders dan het middel veronderstelt - daarvan afstand doen. Reeds uit de tekst van de bepaling ("tegen zijn wil") kan worden afgeleid dat partijen kunnen overeenkomen dat zij de beslissing overlaten aan arbiters of, zoals in dit geval, aan bindend adviseurs(16). Het beroep op het ius de non evocando gaat daarom niet op. Er bestaat discussie over de vraag of de regeling van art. 7A:1632a BW (welke immers luidt: "Ongeacht enig andersluidend beding...") zich verzet tegen arbitrage of bindend advies(17). Die vraag behoeft thans geen beantwoording omdat het hier niet gaat om 1624-bedrijfsruimte. Alleen daarop is art. 7A:1632a toepasselijk. De Huurwet regelt het onderwerp niet en verzet zich evenmin tegen vaststelling van de huurprijs van geliberaliseerde bedrijfsruimte door bindend adviseurs.

2.7. Indien partijen voor bindend advies hebben gekozen is de deur naar de gewone (burgerlijke) rechter niet helemaal afgesloten. Het bindend advies levert als zodanig geen executoriale titel op. Om uitvoering af te dwingen zal de gewone rechter moeten worden benaderd. Een bindend advies kan bij de burgerlijke rechter worden bestreden wanneer het advies hetzij uit hoofde van zijn inhoud, hetzij uit hoofde van de wijze waarop het tot stand is gekomen, zózeer ingaat tegen hetgeen redelijk en billijk is dat de wederpartij in strijd met de goede trouw handelt door haar daaraan gebonden te willen houden(18).

2.8. Ook doet zich niet de impasse voor, zoals deze in het middel wordt gesuggereerd, waarin [eiseres] noch van de burgerlijke rechter noch van bindend adviseurs een beslissing zou kunnen krijgen. Aan de kantonrechter kan wel - in de vorm van een verklaring voor recht - de vraag worden voorgelegd of de huurprijs per 1 februari 1997, dus op een andere datum dan een in de overeenkomst gefixeerde datum, kan worden gewijzigd via de in art. 2 lid 4 van de huurovereenkomst voorgeschreven procedure(19). De redenering van de rechtbank sluit evenmin uit dat [eiseres] de kantonrechter benadert met een vordering tot het geven van een rechterlijk bevel aan Gemini om mee te werken aan de in art. 2 lid 4 van de huurovereenkomst voorgeschreven procedure. Zij sluit ook niet de mogelijkheid uit dat [eiseres] op de voet van art. 2 lid 4 de kantonrechter benadert met het verzoek een bindend adviseur aan te wijzen wanneer Gemini dat niet zelf wil doen. In de redenering van de rechtbank kan [eiseres] echter niet vorderen dat de kantonrechter zélf de huurprijs vaststelt of wijzigt: [eiseres] zal de procedure moeten volgen die partijen in de huurovereenkomst hebben afgesproken. Tenslotte faalt ook de subsidiaire motiveringsklacht. Een rechtsoordeel kan niet met vrucht met motiveringsklachten worden bestreden en overigens behoefde het oordeel van de rechtbank geen verdere toelichting om inzichtelijk te zijn.

2.9. Bij ongegrondbevinding van middel I behoeft middel II geen bespreking meer. Niettemin een korte introductie. Onderdeel A van middel II stelt de Haviltex-norm(20) voorop en bepleit dat de (hierboven aan het slot van alinea 2.2 genoemde) rechtspraak over art. 7A:1632a BW overeenkomstig wordt toegepast op de uitleg van art. 2 lid 4 van deze huurovereenkomst. [eiseres] hoopt hiermee te bereiken dat de overeenkomst zodanig wordt uitgelegd dat zodra de eerste huurperiode van vijf jaar eenmaal is verstreken, een wijziging van de huurprijs mogelijk is op andere data dan in de overeenkomst gefixeerde data.

2.10. De klacht gaat niet op, omdat rechtbank de Haviltex-norm niet heeft miskend. De rechtbank heeft in rov. 5.4 vastgesteld dat partijen de bedoeling hebben gehad dat de huurprijs uitsluitend op bepaalde vaste momenten zou kunnen worden gewijzigd. Deze vaststelling berust op een waardering van de feiten die als zodanig in cassatie niet kan worden getoetst. De redengeving is niet onbegrijpelijk: ik volsta met verwijzing naar de tekst van de desbetreffende rechtsoverweging. De rechtbank was niet gehouden om de bovenbedoelde jurisprudentie toe te passen bij de uitleg van de onderhavige huurovereenkomst. Gemini heeft bij dupliek in eerste aanleg toegelicht niet bereid te zijn tot prijswijziging op een tussenliggende datum, met het argument dat vasthouden aan de gefixeerde data de contractanten zekerheid biedt. De behoefte aan zekerheid klemt volgens Gemini des te meer, omdat art. 2 lid 4 van de huurovereenkomst verwijst naar de actuele marktwaarde. Aangezien die marktwaarde plotseling kan stijgen of dalen, kan een wijziging op de voet van art. 2 lid 4 van de overeenkomst leiden tot schommelingen in de huurprijs. De wettelijke wijzigingsmogelijkheid, welke uitgaat van de gemiddelde huurprijs van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse over een referentieperiode van vijf jaren, beperkt zulke prijsschommelingen en is dus minder ingrijpend. Dit verschil geeft ook mijns inziens voldoende aanleiding om de bovenbedoelde jurisprudentie niet onverkort toe te passen op een huurovereenkomst waarin prijswijzigingen op tevoren gefixeerde data mogelijk worden gemaakt.

2.11. Onderdeel B van middel II neemt tot uitgangspunt dat een beding, inhoudende dat huurprijswijziging alleen per 1 december 1995/2000/2005 enz. zou kunnen worden gevraagd, "volstrekt onredelijk is". Dat is een eigen appreciatie van [eiseres], waaraan de rechtbank niet gebonden was. De rechtbank heeft in rov. 5.5 op een inzichtelijke wijze uiteengezet waarom zij van oordeel was dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden niet eraan in de weg staan dat Gemini een beroep op deze bepaling in de overeenkomst doet. Middel II treft dus geen doel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 4 van het bestreden vonnis en de rov. 3-4 van het vonnis van de kantonrechter.

2 De verwijzing door de rechtbank naar "hoofdstuk VI" lijkt mij een verschrijving: in de inleidende dagvaarding sub 1 en bij MvG sub 5.2 wordt gesproken van bedrijfsruimte in de zin van hoofdstuk VI A van de Huurwet. Ook de kantonrechter gaat in rov. 3 uit van geliberaliseerde bedrijfsruimte in de zin van art. 28b Huurwet.

3 De huurprijs bedroeg per 1 januari 1997 f 132.756,29 p.m., ofwel f 1.593.075 per jaar (excl. BTW): inl. dagv. sub 3; CvA sub 3.

4 Aanvankelijk had [eiseres] zich ook nog beroepen op art. 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden); die stelling heeft zij bij MvG blz. 5 teruggenomen.

5 Binnen de gewone cassatietermijn van 3 maanden bedoeld in art. 402 Rv. Nu het geliberaliseerde bedrijfsruimte betreft, is de 6-wekentermijn van art. 27 lid 4 Huurwet niet van toepassing ingevolge het bepaalde in art. 28a lid 1 onder b in verbinding met art. 28a lid 1 onder a Huurwet en art. III Besluit Liberalisatie Huurbeleid VI d.d. 26 april 1971, Stb. 251. Zie: HR 16 mei 1986, NJ 1986, 628, verwijzend naar de conclusie van de A-G Leijten onder 1.2; A-G Strikwerda, conclusie voor HR 16 juni 1989, NJ 1990, 653, onder 2.

6 HR 18 januari 1991, NJ 1991, 609.

7 HR 13 oktober 1989, NJ 1990, 494 m.nt. PAS.

8 Uitgangspunt van de regeling is, dat partijen eerst zelf in overleg treden over de nadere huurprijs. Het voorafgaand overleg is echter geen vereiste voor ontvankelijkheid. Zie: HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 212; HR 23 februari 1996, NJ 1996, 432; HR 11 december 1998, NJ 1999, 642, telkens m.nt. PAS. Voor nadere vaststelling van de huurprijs door de rechter is geen plaats indien partijen bij of kort na de verlenging van de huurovereenkomst een nieuwe huurprijs zijn overeengekomen.

9 HR 27 september 1996, NJ 1997, 81, rov. 3.3, m.nt. PAS onder nr. 82.

10 De vaststelling van de gebruiksvergoeding gedurende de ontruimingstermijn (art. 28e en 28h Huurwet), in deze zaak niet aan de orde, buiten beschouwing gelaten.

11 Zie: TK 1998/1999, 24 150, nr. 14.

12 Gezamenlijk behandeld met wetsvoorstel 26 089 tot vaststelling van titel 7.4 (huur); thans in de fase van behandeling door de Eerste Kamer.

13 Blijkens de MvT dacht de regering hier vooral aan huurders die, een huurverhoging vrezend, de onderhandelingen tot vaststelling van de nadere huurprijs traineren of, omgekeerd, aan huurders die door de lange duur van de procedure door een huurprijsverhoging in moeilijkheden komen. TK 1999/2000, 26 932, nr. 3, blz. 9.

14 MvT, TK 1999/2000, 26 932, nr. 3, blz. 2-3.

15 Zie over dit recht o.m.: A.F.M. Brenninkmeijer, Het jus de non evocando, in: Koekkoek/Konijnenbelt/Crijns (red.), Grondrechten (Jeukens-bundel, 1982), blz. 346 e.v.; P.W.C. Akkermans, Het ius de non evocando ofwel art. 17 Gw, in: H.J. Snijders e.a. (red.), Overheidsrechter gepasseerd, 1988, blz. 359 e.v. Speciaal over art. 17 en arbitrage: P. Sanders, RM Themis 1995, blz. 241 e.v.

16 Vgl. HR 24 september 1964, NJ 1965, 359 m.nt. JHB.

17 Ktr 17 december 1998, WR 1999, 56, blz. 178 met uitvoerige noot van G.J. Meijer.

18 Vaste rechtspraak sedert HR 11 januari 1924, NJ 1924, blz. 293 en HR 29 januari 1931, NJ 1931, blz. 1317 m.nt. EMM; meer recent bijv.: HR 25 maart 1994, NJ 1995, 23. Zie thans ook: art. 7:904 BW.

19 De suggestie in de s.t. (blz. 2) dat een dergelijke vordering besloten lag in de inleidende dagvaarding, mist m.i. feitelijke grondslag. Overigens valt een klacht van deze strekking niet te lezen in het cassatiemiddel, zodat het argument sowieso te laat komt. De rechtbank heeft zich uitsluitend ten overvloede uitgesproken over het vraagstuk.

20 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635; zie ook Asser-Hartkamp 4-II (2001) nrs. 279 e.v.