Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD3951

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
23-11-2001
Zaaknummer
C00/034HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD3951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 686
JWB 2001/318
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. C00/034HR

Mr. Huydecoper

Zitting 7 september 2001

Conclusie inzake

[Eiser]

Eiser tot cassatie

tegen

[Verweerster 1]

[Verweerster 2]

[Verweerder 3]

[Verweerster 4]

Verweerders in cassatie

Feiten

1) De feiten zijn door de Rechtbank in de rovv. 3.1. tot en met 3.4. van het bestreden vonnis vastgesteld. Zij zijn als volgt samen te vatten:

Verweerders in cassatie ([verweerder] c.s.) zijn de erven van [erflater], die op 12 januari 1995 is overleden. [Erflater] was sinds 1964 eigenaar van een pand aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Dit bestaat uit drie te onderscheiden delen met de namen [...], [...] en [...], die in beginsel elk als zelfstandige woonruimte kunnen worden gebruikt.

[Erflater] heeft met ingang van mei of april 1990 één gedeelte van het pand verhuurd aan eiser tot cassatie ([eiser]), tegen een huurprijs van laatstelijk ƒ 603,45 per maand inclusief gas, water en electriciteit.

[Verweerder] c.s. hebben [eiser] de huur opgezegd tegen 31 december 1997.

Procesverloop

2) Bij dagvaarding op verkorte termijn van 16 juli 1997 hebben [verweerder] c.s. voor de Kantonrechter te Beetsterzwaag gevorderd - kort gezegd - de huurovereenkomst van de woning [...] met [eiser] te ontbinden, en subsidiair deze te beëindigen. Daartoe hebben [verweerder] c.s. aangevoerd dat [eiser] wanprestatie pleegde door zich in verschillende opzichten te misdragen en door (ook) de huur niet (of niet op tijd) te betalen; en wat de subsidiaire vordering betreft tevens, dat [verweerder] c.s. het gehuurde dringend nodig hadden voor eigen gebruik, namelijk om de woning af te breken(1).

De primaire vordering werd in eerste aanleg afgewezen, en is in cassatie niet meer aan de orde. De subsidiaire vordering werd in eerste aanleg eveneens afgewezen. De kantonrechter oordeelde(2) dat weliswaar [verweerder] c.s. het gehuurde dringend nodig hadden voor eigen gebruik, en dat het belang van [eiser] voor dat van [verweerder] c.s. moest wijken; maar dat niet voldaan was aan het bij art 7A:1623 e lid 1 sub 3( gestelde vereiste dat (blijkt dat) de huurder andere passende woonruimte kan krijgen(3).

3) In hoger beroep oordeelde de rechtbank daar anders over. Zij kwam tot de slotsom dat wèl gebleken was dat andere passende woonruimte beschikbaar was (geweest). Aangezien het feit dat [verweerder] c.s. dringende behoefte hadden aan het huurobject voor eigen gebruik en dat hun belangen prevaleerden boven die van [eiser] in appel niet (meer) ter discussie stond, lag in de rede dat de rechtbank de huurovereenkomst zou beëindigen en [eiser] tot ontruiming zou veroordelen - wat de rechtbank dan ook deed.

De beslissing werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard(4). [Verweerder] c.s. hebben de rechtbank vervolgens verzocht dit alsnog te doen(5). Na inhoudelijk verweer van [eiser] heeft de rechtbank het vonnis (van 20 oktober 1999) alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met de overweging dat sprake was van een kennelijke fout.

4) [Eiser] heeft (tijdig(6)) cassatieberoep ingesteld. Hij voert drie middelen aan. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. [Eiser] heeft gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Ik meen er goed aan te doen eerst middel II te bespreken. Dit richt zich tegen rov. 7.1 en 7.2, waarin de Rechtbank heeft beslist dat van andere passende woonruimte voor [eiser] voldoende is gebleken.

Het middel bestrijdt dit oordeel alleen met een motiveringsklacht. Het bestrijdt dus niet de door de rechtbank toegepaste beoordelingsmaatstaf. Die maatstaf is m.i. inderdaad juist. Het gaat dan met name om de regel dat andere woonruimte ook dan "passend" kan zijn, als die in grootte, ligging of anderszins een wezenlijk ander woongenot biedt dan het gehuurde; al mag de rechter het woongenot dat de huurder in het gehuurde heeft, bij zijn beoordeling - men is geneigd te zeggen: allicht - wel in aanmerking nemen(7).

6) De motiveringsklacht houdt in dat de rechtbank niet, of onvoldoende, zou hebben aangegeven waarom (zij van oordeel was dat) de door [eiser] aangevoerde argumenten ten betoge dat de door de rechtbank in aanmerking genomen woonruimte niet als "passend" mocht worden gekwalificeerd, niet opgingen.

Ik stel voorop dat er op dit punt geen bijzondere of "verzwaarde" motiveringsplicht geldt. De motivering is (dus) toereikend als daaruit valt op te maken waarom de rechter in de aangegeven zin beslist heeft, en er geen (te grote marge van) onzekerheid is over de beoordelingsmaatstaf die de rechter daarbij heeft aangelegd. Daarbij moet de rechter wel ingaan op alle wezenlijke argumenten die de in het ongelijk gestelde partij hem heeft voorgelegd: in zoverre is de motiveringsplicht een afgeleide van wat de partijen aan argumentatie hebben aangevoerd.

7) Wat [eiser] in dit opzicht heeft aangevoerd was maar heel summier. In appel heeft hij in het geheel niet toegelicht waarom de als "passend" voorgedragen woningen die kwalificatie niet zouden verdienen; dit ondanks het feit dat dit gegeven door de grieven in appel (m.n. door Grief I tegen het vonnis van 17 november 1998) wel aan de rechtbank ter (nadere) beoordeling werd voorgelegd. In eerste aanleg had [eiser] gesteld(8) dat een "...huis in de Trisken ...in het geheel niet (valt) te vergelijken met hetgeen gedaagde huurt, te weten een huis op het platte land en vrijstaand, waarbij hij ongestoord en zonder overlast te veroorzaken zijn muziekhobby kan beoefenen."

8) Strikt genomen gaat deze stelling heen langs de vraag waarover de rechtbank moest beslissen: het doet er niet toe of de betreffende woningen vergelijkbaar zijn, waar het om gaat is of de beschikbare woning(en) met het oog op de woonbehoefte van [eiser] "passend" is c.q. zijn (waarbij het woongenot dat [eiser] in het gehuurde had, wel in aanmerking mag worden genomen).

9) Tegenover dit summiere betoog van de kant van [eiser] - de schriftelijke toelichting namens [verweerder] c.s. wijst er terecht op dat van het enige inhoudelijke gegeven waarop een beroep wordt gedaan, nl. de muziekhobby, in het geheel niet wordt toegelicht waarin die bestaat, laat staan waarom die voor [eiser] van (bijzondere) betekenis is - vind ik de motivering die de rechtbank voor haar beslissing heeft gegeven ruimschoots voldoende(9).

Ik vind voor deze mening temeer aanleiding, omdat het resultaat waartoe de rechtbank is gekomen bepaald niet als verrassend aandoet. Gegeven de huurprijs die [eiser] aan [verweerder] c.s. moest betalen, ligt het bepaald in de rede dat (twee) woningen met huurprijzen van f. 420,- en f. 520,- per maand, die over een aparte slaapkamer beschikten(10), (ieder) een redelijk en dus passend alternatief bieden voor de woonbehoeften van een alleenstaande zelfstandige zoals [eiser].Veel alleenstaanden in Nederland wonen in vergelijkbare woningen (en menigeen slaagt er ook in, daarbij een muziekhobby te beoefenen). Het had dan op de weg van [eiser] gelegen om de omstandigheden te specificeren, die konden meebrengen dat dergelijke woningen desondanks voor hem niet al passend mochten worden beoordeeld.

10) De klacht over onvoldoende weerlegging van [eisers] argumenten lijkt mij dus ongegrond. Hetzelfde geldt voor een tweede aspect waarover wordt geklaagd, nl. dat de rechtbank haar beslissing zou hebben gebaseerd op niet door de partijen te berde gebrachte feiten. Het middel doelt daarmee op het door de rechtbank in aanmerking genomen gegeven dat de boerderij waarin de door [eiser] gehuurde woning zich bevond, zowel qua onderhoud als qua veiligheid in zeer slechte staat verkeert.

[Verweerder] c.s. hadden zowel in eerste aanleg(11) als in appel(12) expliciet ter sprake gebracht dat de zeer slechte staat van het gehuurde mede in aanmerking mocht worden genomen bij de beoordeling van [eisers] woonbehoefte - en [eiser] had het betoog van [verweerder] c.s. op dit punt ook niet expliciet weersproken. Dan zou een klacht dat de rechtbank dit gegeven niet in haar oordeel had betrokken (stel dat dat gebeurd was) misschien mogen slagen, maar niet de klacht dat de rechtbank daar wèl rekening mee heeft gehouden.

11) Dat leidt ertoe dat ik middel II als ongegrond beoordeel.

Ik meen dat de door dit middel bestreden overweging de beslissing van de rechtbank zelfstandig draagt, en dat daarom [eiser] bij de overige klachten van het middel geen belang heeft.

Voor het geval de Hoge Raad mijn opvatting over middel II niet zou delen, zal ik niettemin kort op de overige middelen ingaan.

12) Middel I klaagt dat de Rechtbank heeft miskend dat [verweerder] c.s de bewijslast dragen dat de huurder andere passende woonruimte kan krijgen, nu de Kantonrechter dat zou hebben beslist en [verweerder] c.s. daartegen geen grief hadden gericht.

Die klacht faalt in de eerste plaats omdat ik de hiervoor besproken overweging van de rechtbank (die in middel II wordt bestreden) zo lees, dat de rechtbank op grond van de daar genoemde productie aanneemt dat gebleken is dat andere passende woonruimte beschikbaar was. Wat [verweerder] c.s. volgens middel I zouden moeten bewijzen, heeft de rechtbank dus als (voldoende) bewezen aangemerkt. Dat oordeel bestrijdt het middel voor het overige niet.

13) Bovendien lijkt dit middel mij ongegrond omdat de rechtbank kennelijk, en alleszins begrijpelijk, heeft geoordeeld dat [verweerder] c.s. in appel wèl aan de orde hebben gesteld dat [eisers] weigering om zich als woningzoekende in te schrijven in aanmerking moest worden genomen bij de beoordeling van de vraag of aan het vereiste van andere passende woonruimte was voldaan(13), en daarmee ook de vraag op wie stelplicht en bewijslast rustten in het debat in appel hebben betrokken. (De toelichting op) Grief I tegen het tussenvonnis van de kantonrechter van 18 augustus 1998 brengt dit gegeven inderdaad duidelijk naar voren. Ook hier geldt daarom, dat een klacht dat de rechtbank dit argument niet in aanmerking had genomen (stel dat dat gebeurd zou zijn), misschien kans van slagen zou hebben gehad - maar niet de klacht dat de rechtbank daar wèl rekening mee heeft gehouden(14).

14) Ook hier is het zo dat het middel zich beperkt tot de zojuist besproken klacht, en dus niet het uitgangspunt bestrijdt dat de weigering, of het nalaten, van een huurder om naar andere passende woonruimte te zoeken of om zich in dat opzicht coöperatief op te stellen inderdaad in aanmerking mag worden genomen, als moet worden beoordeeld of (gebleken is dat) aan het vereiste van beschikbaarheid van andere passende woonruimte is voldaan. Ook hier vind ik dat terecht, omdat de rechter inderdaad met deze omstandigheid rekening mag houden(15).

15) Daarom meen ik dat ook dit middel niet opgaat.

16) Middel III bestrijdt de nadere beslissing van 1 december 1999, waarbij de rechtbank haar vonnis van 20 oktober 1999 alsnog uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. In de kern betoogt het, dat het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren zich niet leent voor een hersteluitspraak, gegrond op de overweging dat het achterwege laten van uitvoerbaarverklaring bij voorraad op een klaarblijkelijke vergissing berust.

17) Ook bij dit middel heeft [eiser] geen belang - als de andere middelen falen niet, omdat het vonnis van de rechtbank dan kracht van gewijsde krijgt, en als de andere middelen zouden slagen niet, omdat dat vonnis dan zijn rechtskracht hoe dan ook verliest(16). Ten overvloede maak ik - ofschoon ik Mr Van Staden ten Brink gelijk geef als die hier van "l'art pour l'art" spreekt - de volgende opmerkingen.

18) Zoals hiervóór in voetnoot 4 al even aangestipt, vertoont deze zaak de eigenaardigheid dat daarbij een wetsartikel van toepassing is - nl. art. 7A:1623 c BW - dat dwingend voorschrijft dat het huurrecht van de huurder van woonruimte na opzegging door de verhuurder niet mag worden beëindigd(17) voordat daarover bij onherroepelijke rechterlijke beslissing ten gunste van de verhuurder is beslist. Eenvoudiger gezegd: de wet verbiedt uitvoerbaarverklaring bij voorraad voor de onderhavige beslissingen. De Hoge Raad heeft een aantal malen beslist(18) dat dit niet betekent dat iedere mogelijkheid van uitvoerbaarverklaring bij voorraad uitgesloten is; maar het betekent wel dat àls de rechter in weerwil van deze bepaling tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad besluit, dat niet de routineuze toepassing van een discretionaire bevoegdheid betreft, die bij "gewone" toepassing van art. 52 Rv. aan de orde is. De rechtbank lijkt daaraan bij de op 1 december 1999 gegeven beslissing te hebben voorbijgezien, en in zoverre te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

19) Uit het zojuist in al. 18 besprokene vloeit tevens voort dat het achterwege laten van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in het vonnis van 20 oktober 1999, niet kan worden gekwalificeerd als een kennelijke verschrijving. Of uitvoerbaarverklaring bij voorraad in weerwil van de regel van art. 7A:1623 c lid 1 BW in aanmerking komt, vergt een inhoudelijke afweging van de daartoe aangevoerde argumenten. In de onderhavige zaak waren er vóór het vonnis van 20 oktober 1999 helemaal geen inhoudelijke argumenten aangevoerd ten betoge dat de regel van art. 1623 c lid 1 BW in dit geval opzij diende te worden gezet (allicht lag het op de weg van [verweerder] c.s. om dergelijke argumenten aan te voeren). Daarom ontbreekt deugdelijke houvast voor het oordeel dat het vonnis van 20 oktober in dit opzicht een kennelijke omissie zou bevatten, en à fortiori voor het oordeel dat dat ook voor de rechter en voor (alle) partijen buiten redelijke twijfel kenbaar zou zijn.

20) In het recente verleden(19) heeft de Hoge Raad rechtstreeks getoetst of een in lagere instantie gegeven beslissing als een kennelijke verschrijving kon worden aangemerkt, in een geval waarin het in ongeveer dezelfde mate als in de onderhavige zaak in de rede lag, dat dat niet zo was(20). In het betreffende arrest gaf de Hoge Raad bovendien aan dat tegen een beslissing waarbij ten onrechte is aangenomen dat er van een voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving sprake was, in afwijking van de voor dergelijke gevallen geldende "hoofdregel"(21), wèl hogere voorziening openstaat.

Als in deze zaak inhoudelijke beoordeling van middel III aan de orde komt, meen ik daarom dat het middel gegrond is: in de beslissing van 1 december 1999 is ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat de rechtbank een voor eenvoudig herstel vatbare vergissing voor zich had, en kon de rechtbank dus ook niet tot herstel van de (ten onrechte aanwezig veronderstelde) "evidente" vergissing besluiten.

Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Bij de hiervóór primair verdedigde opvatting geldt, dat de zaak geen vragen aan de orde stelt, die een gemotiveerde beoordeling in cassatie vereisen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Dagvaarding in eerste aanleg, p. 3 - 5.

2 Tussenvonnis van 28 april 1998.

3 Dit laatste in het eindvonnis van 17 november 1998.

4 Het kan zijn dat de concipiënt van het vonnis daarbij de regel van art. 7A:1623 c lid 1 BW voor ogen heeft gehad. Aan die regel is daarna, enigszins verrassend, nauwelijks aandacht meer besteed.

5 Bij brief van 24 november 1999. [Verweerder] c.s. wijzen er tevens op dat zij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitvoerbaarverklaring bij voorraad hadden gevorderd.

6 De cassatiedagvaarding is van 20 januari 2000, zodat het beroep binnen de termijn van art. 402 Rv is ingesteld.

7 HR 18 oktober 1985, NJ 1986, 291, m. nt. PAS, rov. 3.3; HR 24 januari 1992, NJ 1992, 301, rov. 3.3; Dozy - Jacobs, Hoofdstukken huurrecht (etc.), 1999, p. 201-202; Zuidema, Recht voor de huurder, 2001, p. 94-95; De Wijkerslooth-Vinke, Handboek Huurrecht (losbl.), art. 1623e, aant. 127c en d; Asser-Abas 5-II (tweede supplement 2001), nr 144. Lagere rechtspraak is te vinden in: Elsinga, Passende woonruimte, 1991 en in: De Feyter e.a., begeleiding door Abas, De belangenafweging bij dringend eigen gebruik, 1988.

8 Bij antwoordakte van 27 oktober 1998, al. 2. Als uitvloeisel van de zgn. devolutieve werking van het appel stond deze stelling ook in appel ter beoordeling, hoewel [eiser] die in appel niet opnieuw naar voren had gebracht.

9 Zie voor gevallen waarin eveneens met een beperkte motivering werd volstaan HR 4 november 1988, NJ 1989, 125, rov. 3.2; HR 30 november 1984, NJ 1985, 290, rov. 3.3.

10 Zie rov. 7.2 van het eindvonnis van de rechtbank.

11 Akte van 6 oktober 1998, onder nr. 3.

12 Memorie van grieven, p. 12.

13 De vraag of de verhuurder inderdaad met betrekking tot de beschikbaarheid van andere passende woonruimte de bewijslast draagt (uiteraard: in gevallen waarin de huurder dit gegeven betwist) is in dit cassatiegeding niet rechtstreeks aan de orde. Ik meen overigens dat niet kan worden gezegd dat de verhuurder in dit opzicht de bewijslast draagt, zie bijv. HR 20 januari 1984, NJ 1984, 388, rov. 3.2; de Wijkerslooth-Vinke, Handboek Huurrecht (losbl.), art. 1623 e, aant. 127 g; Bockwinkel, Huurbescherming bij woonruimte (1991) p. 113 - 114; Asser-Abas 5-II, supplement II (2001), nr. 147.

14 Ik merk ten overvloede op dat het daarbij niet van belang is dat [verweerder] c.s. hun onderhavige stellingen niet specifiek onder de titel "grief" hadden ingebracht. De appelrechter is gehouden met alle tegen de in appel betrokken vonnissen ingebrachte bezwaren rekening te houden, of die nu in de vorm van een "grief" zijn voorgedragen of niet.

15 Zie bijv. HR 26 april 1985, NJ 1985, 802 m.nt. PAS, rov. 3.6; HR 4 november 1988, NJ 1989, 125, rov. 3.2; HR 18 oktober 1985, NJ 1986, 291 m.nt. PAS, rov. 3.2; Bockwinkel, a.w. p.114; Zuidema, a.w. p. 95.

16 A-G Asser bespreekt in zijn conclusie gepubliceerd in NJ 1996, 655 nog andere omstandigheden die aan het belang bij een cassatieberoep op het onderhavige punt ten grondslag kunnen liggen - zie ook HR 10 december 1943, NJ 1944, 159, laatste overweging; maar ook zulke omstandigheden worden in het middel niet aangevoerd. In de bij al. 18 (in voetnoot 18) hierna aan te halen arresten heeft de Hoge Raad overigens klachten over uitvoerbaarverklaring bij voorraad wèl (inhoudelijk) onderzocht, en die niet reeds bij gebrek aan belang afgewezen. Zie ook HR 9 juli 1999, NJ 1999, 698, rov. 4.7; HR 13 november 1998, NJ 1999, 71 rov. 4 en HR 19 november 1994, NJ 1994, 330 m.nt. WH-S, rov. 3.8.

17 Uiteraard: tegen de zin van de huurder.

18 HR 8 januari 1982, NJ 1982, 445 m.nt. PAS, rov. 4 en HR 3 mei 1996, NJ 1996, 655 m.nt. PAS, rov. 3.9.

19 HR 17 december 1999, NJ 2000, 171.

20 Zie voor de ruimte die hiervoor in cassatie beschikbaar is ook de conclusie van A-G Spier voor het aangehaalde arrest, nrs. 2.2 - 2.6.

21 O.a. blijkend uit HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672 m.nt. HJS, rov. 3.3.