Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD2687

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
26-10-2001
Zaaknummer
R01/020HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD2687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 565
JWB 2001/273

Conclusie

Rek.nr. R01/020

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 29 juni 2001

Conclusie inzake:

De korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland

tegen

[Verweerder]

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 De regiopolitie Amsterdam-Amstelland heeft op 3 maart 1998 een proces-verbaal met nummer 98 - 024893 tegen verweerder in cassatie, [verweerder], opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 240b, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, vermoedelijk gepleegd in de periode van 1 maart 1996 tot 20 januari 1998.

1.2 Naar aanleiding van dit proces-verbaal is bij het parket van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam een strafzaak tegen [verweerder] ingeschreven onder nummer 13.127036-98. Deze strafzaak is op 15 februari 1999 geseponeerd wegens onvoldoende aanwijzing van schuld.

1.3 Een foto van [verweerder] komt voor in het herkenningsdienstsysteem HKS. Het gehele politieonderzoek is opgenomen in het politieregister X-Pol van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

1.4 Op 25 juni heeft [verweerder] zich gewend tot de Dienst Privacyzaken van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland met het verzoek bedoelde feiten uit vorenbedoelde registers te verwijderen. Dit verzoek is bij brief van 17 augustus 1999 namens verzoeker tot cassatie, de Korpsbeheerder, afgewezen.

1.5 Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie op 3 maart 2000, heeft [verweerder] de arrondissementsrechtbank te Amsterdam verzocht de Korpsbeheerder te gelasten de gegevens over verzoeker uit de politieregisters X-Pol en HKS te verwijderen.

1.6 Bij beschikking van 20 juni 2000 heeft de rechtbank het verzoek toegewezen.

1.7 De Korpsbeheerder is bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2000, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. [Verweerder] heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de Korpsbeheerder in de kosten van de procedure in eerste en tweede aanleg.

Het hof heeft de Korpsbeheerder bij beschikking van 21 december 2000 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

1.8 Tegen deze beschikking is door de Korpsbeheerder tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel van cassatie. [Verweerder] heeft bij brief van 5 maart 2001 te kennen gegeven geen verweerschrift te zullen indienen.

2. Beoordeling van het middel

2.1 Het gaat in deze zaak uitsluitend om de vraag of in de onderhavige verzoekschriftprocedure voor het hof procureursbijstand verplicht is.

2.2 Het hof heeft in rechtsoverweging 3 als volgt overwogen:

"Het hof heeft bij zijn beraadslagingen moeten vaststellen dat de indiening van het beroepschrift niet is geschied door een procureur. Aldus is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 429o jo. 429d Rv. Het hof dient de Korpsbeheerder derhalve niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep."

2.3 Volgens het cassatiemiddel heeft het hof de Korpsbeheerder ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep, omdat in deze procedure ingevolge art. 34 lid 6 Wet persoonsregistraties art. 429 lid 3 Rv. niet van toepassing is zodat de Korpsbeheerder niet verplicht was zich door een procureur te laten bijstaan.

2.4 Het verzoekschrift van [verweerder] betreft een verzoekschrift als bedoeld in art. 23 lid 1 Wet politieregisters. Ingevolge lid 2 van dit artikel is artikel 34, tweede tot en met achtste lid, van de Wet persoonsregistraties (hierna: WPR) van overeenkomstige toepassing. Het zesde lid van dat artikel verklaart de twaalfde titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering van toepassing, met uitzondering van artikel 429d, derde lid. Het derde lid van art. 429d Rv. luidt:

"de indiening geschiedt in zaken waarvan een rechterlijk college of zijn president kennis neemt, door een procureur".

Dit brengt mee dat procureursbijstand in verzoekschriftprocedures gebaseerd op art. 23 Wet politieregisters in verbinding met art. 34 Wet persoonsregistraties niet is vereist.

2.5 De parlementaire geschiedenis vermeldt de achtergrond van deze bepaling. Omdat de regeling van art. 34 WPR nagenoeg ongewijzigd is overgenomen uit art. 78 van het ingetrokken wetsvoorstel 17 207(3), moet daarvoor worden teruggegaan tot de parlementaire stukken met betrekking tot dit ingetrokken wetsvoorstel. Blijkens de memorie van toelichting tot dit laatste wetsvoorstel stond de wetgever een eenvoudige beroepsgang voor ogen, waarbij het uitzonderen van art. 429d lid 3 Rv. mede werd gebaseerd op het geringe financiële belang van procedures als de onderhavige:

"Intussen is er naar gestreefd deze beroepsgang niet ingewikkelder te maken dan nodig is. Daarom is op de behandeling van correctiezaken de minder formele verzoekschriftenprocedure van toepassing verklaard, met dien verstande dat het vereiste van verplichte procureursbijstand daarbij niet zal gelden"(4).

en voorts:

"De procedure voor de rechter moet worden afgewikkeld op de wijze, voorzien in de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (zesde lid). Artikel 429d, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is echter uitgezonderd, hetgeen betekent dat verplichte procureursbijstand niet wordt voorgeschreven. Dit mede met het oog op het financieel soms geringe belang van correctieprocedures. Artikel 429f van hetzelfde wetboek bepaalt overigens wel dat de verzoeker, wenst hij een procesvertegenwoordiger, geen ander dan een procureur kan kiezen"(5).

2.6 Art. 429o Rv., dat de indiening van het beroepschrift regelt, verwijst naar 429d Rv., zodat deze bepaling in beginsel ook in hoger beroep geldt. Nu art. 34 Wet persoonsregistraties voor de procedure verwijst naar de gehele twaalfde titel - inclusief de regeling voor het hoger beroep in art. 429o Rv. - en hierbij art. 429d Rv. algemeen van toepassing uitzondert, geldt deze uitzondering ook in hoger beroep.

2.7 De reikwijdte van het zesde lid van art. 34 WPR is in een tweetal arresten van de Hoge Raad aan de orde gekomen. Nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 december 1998, NJ 1999, 448 had overwogen dat het zesde lid van art. 34 WPR slechts betrekking heeft op de procesvertegenwoordiging in de procedure voor de rechtbank, heeft de Hoge Raad de reikwijdte van artikel 34 WPR nader gepreciseerd in zijn arrest van 18 juni 1999, NJ 1999, 629 - eveneens een geval waarin een verzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad - en daarbij overwogen dat het zesde lid van art. 34 WPR

"[...] slechts betrekking heeft op de procesvertegenwoordiging in de procedure voor de feitelijke instanties".

2.8 Het middel slaagt derhalve.

2.9 [verweerder] heeft in zijn onder 1.8 genoemde brief met het oog op de proceskosten - naar ik aanneem in cassatie - bericht dat hij de stelling dat voor de Korpsbeheerder procureursbijstand niet verplicht was, in de appelprocedure noch heeft erkend noch heeft betwist.

2.10 Met betrekking tot de proceskosten bij het beroep in cassatie in verzoekschriftprocedures bepaalt art. 429 derde lid, eerste volzin Rv. dat de Hoge Raad bij de beschikking zodanige uitspraak omtrent de kosten doet, als hij vermeent te behoren. Nu hier sprake is van een (ambtshalve gegeven) onjuiste beslissing, zouden volgens Heemskerk(6) de kosten ten laste moeten worden gebracht van de Staat, doch hij voegt er aan toe dat de wet die ruimte niet biedt. Er is in ieder geval geen enkele aanleiding [verweerder] in (een deel van) de kosten te veroordelen. Ik meen daarom dat de kosten in cassatie dienen te worden gecompenseerd.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en terugverwijzing naar het Gerechtshof te Amsterdam.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, onder 1.

2 Het verzoekschrift in cassatie is op 8 februari 2001 ingekomen.

3 Zie Kamerstukken II, 1986-1987, 19095, nr.6, p. 35 en Kamerstukken II, 1981-1982, 17 207, nrs. 1-2, p. 17-18.

4 Kamerstukken II, 1981-1982, 17 207, nr. 3, p. 40.

5 Kamerstukken II, 1981-1982, 17 207, nr. 3, p. 90.

6 In zijn noot onder HR 23 maart 1979, NJ 1980, 126 met verdere verwijzingen.