Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AD2657

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
C00/007HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AD2657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Provinciewet 131
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 600
JWB 2001/287
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C00/007

Zitting 29 juni 2001

Conclusie mr J. Spier inzake

1. [Eiseres 1]

2. [Eiser 2]

3. [Eiser 3]

(hierna gezamenlijk: [eiser])

tegen

De provincie Utrecht

(hierna: de Provincie)

Edelhoogachtbaar College,

1. Inzet van de procedure

1.1 In deze procedure tracht de Provincie de kosten van jegens [eiser] uitgeoefende bestuursdwang (de verwijdering van 1130 autowrakken) op [eiser] te verhalen. Die vordering is door de Rechtbank in essentie toegewezen. Het Hof heeft haar vonnis bekrachtigd.

1.2.1 In cassatie is nog slechts van belang of de Provincie bevoegd was om de autowrakken binnen twee weken te verkopen, hoewel art. 131 lid 1 (oud) Provinciewet(1) - kort gezegd - bepaalt dat ten minste een termijn van drie maanden in acht moet worden genomen. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het het Hof het volgende overwogen.

1.2.2 Het Hof verwijlt bij de stellingen van de Provincie dat sprake was van waardeloze autowrakken die gedeeltelijk niet van afvalstoffen waren ontdaan. De opslagkosten zouden - kort gezegd - ƒ 150 per wrak per maand belopen (rov. 4.3.14).

1.2.3 [Eiser] heeft, volgens het Hof, niet (voldoende gemotiveerd) bestreden dat de kosten van opslag fors zouden zijn opgelopen en dat de wrakken en losse onderdelen niet op milieuhyginisch verantwoorde wijze konden worden opgeslagen. De autowrakken konden, wegens het ontbreken van een vergunning, ook niet op afzienbare termijn terugkeren naar het bedrijfsterrein van [eiser]. Onder deze omstandigheden kon de Provincie redelijkerwijs oordelen dat de kosten in verhouding tot de waarde van de zaken onevenredig hoog zouden worden. Daarom behoefde de Provincie de termijn van drie maanden niet af te wachten (rov. 4.3.15).

1.2.4 Ook de in artikel 131 lid 1 (oud) Provinciewet genoemde termijn van twee weken behoefde de Provincie niet in acht te nemen. Het Hof motiveert zijn oordeel als volgt:

"De wrakken en onderdelen bevatten deels, naar de provincie - niet of niet voldoende gemotiveerd door [eiser] bestreden - heeft gesteld, afvalstoffen als motorolie, accuzuur, asbest remvoeringen e.d., waarvoor een uit milieuhygiënisch oogpunt verantwoorde opslag niet kon plaatsvinden. Mede gelet op de aard van de overtreding van de Wet milieubeheer, die tot de uitgeoefende bestuursdwang noopte, en de (aanvullende) bevoegdheid tot uitoefening van bestuursdwang van artikel 18.8 Wet milieubeheer, die in een geval als het onderhavige ook kan omvatten het onverwijld verkopen, om niet in eigendom overdragen of vernietigen van zaken, heeft de Provincie in redelijkheid kunnen oordelen dat zaken die deze afvalstoffen bevatten, dienden te worden aangemerkt als 'gevaarlijke stoffen' als bedoeld in artikel 131 Provinciewet, waarvoor de bedoelde termijn niet gold" (rov. 4.3.16).

1.2.5 In rov. 4.3.17 heeft het Hof ten slotte overwogen dat "voor het overige en bovendien" geldt dat [eiser] niet voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden doordat de Provincie de termijn niet in acht heeft genomen.

1.3 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De Provincie heeft het beroep tegengesproken.

2. Bespreking van het middel

2.1 De klachten zijn in "Middel I" (een ander middel trof ik niet aan) verwoord onder 1.8 - 1.10. Onderdeel 1.8 voert aan dat artikel 131 (oud) Provinciewet niet toelaat dat de zaken die zijn onderworpen aan bestuursdwang "worden verkocht zonder dat daarbij de termijnen ex artikel 131 Prov.w. in acht genomen hoeven te worden." Uit onderdeel 1.9 vloeit voort dat [eiser] hierbij het oog heeft op de termijn van drie maanden.

2.2 De klacht faalt. Reeds uit de tekst van artikel 131 lid 1 (oud) Provinciewet blijkt dat de termijn van drie maanden niet in acht behoeft te worden genomen wanneer de kosten anders onevenredig hoog zouden worden. Zoals hiervoor onder 1.2.2 en 1.2.3 aangegeven doet die situatie zich in casu, volgens het Hof, voor. Het middel bestrijdt dat laatste niet.

2.3 Onderdeel 1.9 in samenhang met onderdeel 1.10 kant zich tegen de hierboven onder 1.2.5 weergegeven overweging. Nog daargelaten dat de klacht niet voldoet aan de eisen van artikel 407 lid 2 Rv. (onduidelijk blijft waarom het bestreden oordeel onjuist zou zijn) strandt zij omdat het hier gaat om een obiter dictum.

2.4 Het hiervoor onder 1.2.4 weergegeven oordeel - dat in cassatie niet (op een wijze die voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.) wordt bestreden - kan 's Hofs oordeel zelfstandig dragen. Immers heeft het Hof geoordeeld dat de onderhavige autowrakken gevaarlijke stoffen (zoals accuzuur en asbest remvoeringen) bevatten. Daarvan uitgaande kon het Hof geredelijk oordelen dat het bepaalde in artikel 131 lid 1 derde volzin (oud) Provinciewet hier van toepassing is.

2.5 Mogelijk behelst de s.t. van mr Martens op blz. 6 nog een additionele klacht. Daarop behoeft niet te worden ingegaan omdat deze in het middel niet is terug te vinden.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het artikel is vervallen verklaard bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510, inwerkingtreding 1 januari 1998.