Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB3175

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-10-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
02110/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB3175
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 269, geldigheid: 2001-10-23
Wetboek van Strafvordering 326, geldigheid: 2001-10-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 02110/00

Zitting 5 juni 2001

Conclusie inzake

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens doodslag en poging tot doodslag, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Meijer, advocaat te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Subsidiair dient deze overschrijding te leiden tot strafvermindering, aldus de steller van het middel.

4. Tussen het instellen van het cassatieberoep d.d. 30 december 1998 en de binnenkomst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad d.d. 22 mei 2000 zijn bijna zeventien maanden verstreken. Dat is te lang (HR NJ 2000, 721). In zoverre is het middel gegrond. De sanctie van niet-ontvankelijkheid is alleen dan de aangewezen sanctie indien sprake is van een uitzonderlijk geval. Alhoewel de overschrijding in deze zaak erg lang is, is de overschrijding niet dusdanig dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard (zie HR NJ 1998, 304 en HR NJ 1999, 27). De Hoge Raad kan rekening houdend met de mate van overschrijding de opgelegde straf verminderen.

5. Het tweede middel houdt in dat de voorzitter ten onrechte aan de raadsman heeft medegedeeld dat verzoeken van de raadsman om aantekening te doen in het proces-verbaal van de zitting niet meer zouden worden toegestaan. Een beperking van het recht op aantekening van bepaalde omstandigheden, verklaringen of opgaven als daarom wordt verzocht, zoals dat is neergelegd in art. 326, vierde lid, j° 330 Sv is niet toegestaan, aldus de steller van het middel.

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt in:

"De raadsman deelt mee dat hij zojuist in de strafzaak tegen de gelijktijdig terechtstaande verdachte [betrokke[betrokkene A] deze [betrokkene A] heeft horen verklaren (...) De raadsman verzoekt de voorzitter deze verklaring van [betrokkene A] in het proces-verbaal van deze zaak te relateren.

De voorzitter deelt mede dat van vermeld verzoek aantekening wordt gedaan in het proces-verbaal van deze terechtzitting, maar dat het heel ongebruikelijk is dat op deze wijze van verklaringen, afgelegd in de zaken van de gelijktijdig terechtstaande verdachten [betrokkene A] en [betrokkene B], in het proces-verbaal van de terechtzitting in deze zaak melding wordt gemaakt en dat dergelijke verzoeken niet meer worden toegestaan."

7. Het middel kan niet slagen. In de eerste plaats is het door de verdediging gedane verzoek door de voorzitter ingewilligd en blijkt niet dat een dergelijk verzoek nogmaals is gedaan en toen is afgewezen. In de tweede plaats kan de klacht niet slagen, omdat art. 326 Sv ziet op al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. De verklaring van een medeverdachte in een andere strafzaak valt daar niet onder.

8. Het derde middel houdt in dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 1998 niet blijkt dat de openbare zitting weer is hervat toen de reden voor de sluiting van de deuren niet meer bestond.

9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 1998 heeft de raadsman verzocht met gesloten deuren uiteen te mogen zetten waarom verdachte niet ter zitting was verschenen. Hierop is door de voorzitter als beslissing van het Hof meegedeeld:

"dat het verzoek van de raadsman om sluiting van de deuren wordt ingewilligd aangezien naar het oordeel van het hof de openbaarheid het belang van een goede rechtspleging zou schade en hij beveelt dat de zaak verder zal worden behandeld met gesloten deuren."

10. Nadat de raadsman had toegelicht waarom verdachte niet was verschenen, heeft de voorzitter als beslissingen van het Hof medegedeeld dat het onderzoek voor onbepaalde tijd werd geschorst, dat de getuige [getuige] opnieuw moest worden opgeroepen en dat de verdachte voor de nadere terechtzitting diende te worden opgeroepen. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de deuren zijn geopend, voordat die beslissingen zijn meegedeeld, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied.

11. Nu de eerstvolgende terechtzitting in het openbaar heeft plaatsgevonden en uit het proces-verbaal van die terechtzitting kan blijken dat pogingen tot het achterhalen van het verblijfsadres van de getuige [getuige] niet zijn geslaagd, dat diens oproeping aan de griffier is betekend en dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht ter terechtzitting te verschijnen, is dat verzuim gecompenseerd omdat de betreffende beslissingen van het Gerechtshof alsnog ter openbare terechtzitting aan de orde zijn gekomen. Het middel kan dan ook niet slagen.

12. Het vierde middel stelt dat de behandeling in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdig gerecht. Op de terechtzitting van 16 september 1998 heeft de raadsman het hof gewraakt omdat de voorzitter op de terechtzitting van 3 juli 1998 een uiteenzetting van de zaak heeft gegeven, waarbij hij heeft gesproken over het verwisselen van kleding en het kaliber van de kogel waardoor het slachtoffer [slachtoffer] getroffen zou zijn. Volgens de raadsman ging het hier om omstreden punten en heeft het hof door deze uiteenzetting van de voorzitter er blijk van gegeven niet onbevooroordeeld tegenover de zaak te staan.

13. De wrakingskamer heeft dit wrakingsverzoek als volgt afgewezen:

"Het hof neemt als uitgangspunt dat de gewraakte opmerkingen door de voorzitter ten onrechte zijn gemaakt. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de opmerking over de kleding werd gemaakt in een inleiding op een ingewikkelde en geruchtmakende strafzaak met kennelijk mede een voorlichtend karakter, voorafgaande aan de eigenlijke behandeling ter zitting en voorts dat de voorzitter -zo begrijpt het hof de gang van zaken- de opmerking na gemaakt bezwaar onmiddellijk heeft teruggenomen. Voor de opmerking over de kogel geldt dat het een als zodanig onmiddellijk onderkende misslag betrof, die ook onmiddellijk is gecorrigeerd. Gezien deze omstandigheden kan in redelijkheid niet worden geconcludeerd dat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid in deze zaak schade zou (hebben) kunnen leiden, noch dat de gerechtvaardigde schijn zou zijn gewekt dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou (hebben) kunnen leiden."

14. De betreffende uitlatingen zijn niet weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting. Wel is in het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek om wraking van het hof terug te vinden wat ter terechtzitting van 3 juli 1998 heeft plaatsgevonden. Nu dit proces-verbaal deel uitmaakt van de stukken kan op grond van dat proces-verbaal de feitelijke grondslag voor het middel worden gevonden. Vgl. HR NJ 1998, 189 en de noot van Knigge onder dat arrest.

15. Het middel bevat drie klachten. De eerste klacht betreft de omstandigheid dat het Hof voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting kennis heeft genomen van de stukken uit het vooronderzoek. Hierdoor zou het Hof hebben gehandeld in strijd met de onschuldspresumptie en heeft de berechting in hoger beroep niet plaatsgevonden door een onpartijdig gerecht, aldus de steller van het middel. Deze klacht faalt reeds omdat de enkele omstandigheid dat de rechter voorafgaand aan de terechtzitting kennis heeft genomen van de zaak, niet betekent dat hij niet onpartijdig is. Vgl EHRM inzake Thomann (NJ 1998, 184), in welke zaak de omstandigheid dat de rechter de verdachte bij verstek had veroordeeld volgens het Hof nog niet betekende dat dezelfde rechter de zaak na verzet niet meer als een onpartijdige rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM kan behandelen.

16. De tweede klacht ziet op het feit dat door de voorzitter is gemeld dat het Hof alvorens het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op basis van het dossier een analyse van de gebeurtenissen heeft gemaakt. Ook die omstandigheid betekent niet dat het hof niet meer als een onpartijdig gerecht kon gelden: het stond het hof vrij om bij de voorbereiding van de zaak een analyse te maken van de punten die bij het onderzoek ter terechtzitting in het bijzonder aan de orde zouden moeten komen, omdat deze opheldering behoefden. Met rechterlijke vooringenomenheid heeft dat niets te maken.

17. De derde klacht betreft de hierboven genoemde uitlatingen van de voorzitter over verwisseling van kleding en het kaliber van de in het lichaam van [slachtoffer] geschoten kogel. Ten aanzien van hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, moet worden uitgegaan van het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek tot wraking. Uitgaande van die vaststellingen kan ik voor de gronden waarom deze klacht faalt, verwijzen naar de beslissing op het verzoek tot wraking van de strafkamer van het hof.

18. Het middel faalt.

19. Het vijfde middel houdt in dat het Hof heeft nagelaten gemotiveerd te beslissen op een in hoger beroep gevoerd Meer-en-Vaartverweer.

20. Door de verdediging is aangevoerd:

"In verband met de verwonding van [slachtoffer] valt in het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium d.d. 20 mei 1997 te lezen dat het hier zowel om een kogel van het kaliber 6.35 mm als 7.65 mm of kogels met overeenkomstige afmetingen zou kunnen gaan. Nu verschillende getuigen verklaren dat zij binnen twee of drie mannen hebben zien schieten, blijft de met de bewijsmiddelen te verenigen maar met een bewezenverklaring strijdige mogelijkheid open dat de betreffende kogel niet van het kaliber 7.65 mm is."

21. Anders dan de steller van het middel meent, is hier geen sprake van een Meer-en -Vaartverweer. Uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte ter plaatse een aantal kogels van het kaliber 7.65 heeft afgevuurd en dat [slachtoffer] aldaar toen door een kogel is getroffen. Uit het tot het bewijs gebezigde rapport van het gerechtelijk laboratorium volgt dat het kaliber van de kogel in het lichaam van [slachtoffer] - die niet uit het lichaam van [slachtoffer] verwijderd kon worden - niet met zekerheid kan worden vastgesteld, maar dat het zeer wel een kogel van het kaliber 7.65 zou kunnen zijn. Uit dit geheel - er is geschoten met een wapen van het kaliber 7.65 en [slachtoffer] is getroffen door een kogel die van dat kaliber zou kunnen zijn - is door het Hof niet onbegrijpelijk geconcludeerd dat de kogel die [slachtoffer] heeft getroffen inderdaad een kogel van het kaliber 7.65 was. De met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid dat de kogel in het lichaam van [slachtoffer] een ander kaliber had, wordt in de bewijsvoering dus niet opengelaten.

Het middel faalt.

22. Het zesde middel keert zich tegen 's Hofs verwerping van het door de verdediging ter zitting in hoger beroep gevoerde verweer dat verklaringen van verdachte niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat zij onrechtmatig verkregen zijn. De overweging van het hof dat niet aannemelijk is dat er enige rechtsregel is geschonden bij de verhoren zou onbegrijpelijk zijn, nu vaststaat dat verdachte bij een van de verhoren is misleid, doordat hem in strijd met de waarheid is verteld dat een getuige zou hebben verklaard dat hij had gezien, dat verdachte gericht op de portier had geschoten.

23. Ook dit middel is ondeugdelijk. De overweging van het hof heeft betrekking op de politieverhoren op 23 en 24 februari 1997. Dat verdachte bij zijn verhoor op 5 maart 1997 is misleid doet daar niet aan af, omdat de tijdens dat verhoor afgelegde verklaring niet voor het bewijs is gebruikt.

24. De middelen II tot en met VI kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering.

Het eerste middel deels gegrond achtend, concludeer ik dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voor wat betreft de strafoplegging, de opgelegde straf zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,