Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB3173

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
20-12-2001
Zaaknummer
02100/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB3173
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 349, geldigheid: 2001-10-09
Wetboek van Strafvordering 359a, geldigheid: 2001-10-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 786

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 02100/00

Zitting 26 juni 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. De enkelvoudige appelrechter in de arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij vonnis van 27 augustus 1999 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging(1). Deze zaak hangt samen met de zaak met parketnummer 02067/00 waarin ik heden eveneens concludeer.

2. De officier van justitie in het arrondissement Arnhem heeft beroep in cassatie ingesteld en heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt erover dat de rechtbank het openbaar ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, althans dat zij die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding blijkt het volgende. Ter terechtzitting van 22 maart 1999 is verstek verleend tegen de niet- verschenen verdachte. De officier van justitie heeft medegedeeld "dat de verdachte momenteel verblijft in de gesloten inrichting FPK te Assen en daarom hoogstwaarschijnlijk niet is verschenen". De enkelvoudige appelrechter (in het proces-verbaal wordt gesproken over de politierechter, NJ) heeft daarop het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voor onbepaalde tijd geschorst. Ter terechtzitting van 27 augustus 1999 is de verdachte wederom niet verschenen. De officier van justitie deelt desgevraagd mede dat de verdachte niet is aangevoerd door de Dienst Vervoer en Ondersteuning omdat deze heeft opgegeven de vervoersopdracht te laat te hebben ontvangen. De enkelvoudige appelrechter heeft daarop het onderzoek gesloten(2) en de volgende uitspraak gedaan:

"De appelrechter verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk nu de Staat de verdachte in de gelegenheid behoort te stellen ter terechtzitting zijn verdediging te voeren en dat niet gebeurd is."

5. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie slechts plaats is indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan (vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 m.nt. Sch).

6. Zonder nadere motivering - die ontbreekt - vermag ik niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat de Dienst Vervoer en Ondersteuning heeft opgegeven een vervoersopdracht te laat te hebben ontvangen,(3) waardoor de verdachte niet ter terechtzitting kon worden aangevoerd, een dusdanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat daarop de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dient te volgen.

7. Indien onderzoek uitwijst dat de verdachte tengevolge van detentie niet in staat is ter terechtzitting te verschijnen, dient het onderzoek ter terechtzitting in beginsel te worden geschorst teneinde de verdachte in staat te stellen op de volgende terechtzitting van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te maken (HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 136). Als het te vaak gebeurt dat de zitting geen doorgang kan vinden omdat niet of niet bijtijds is geregeld dat de verdachte vanuit de instelling waarin hij onder verantwoordelijkheid van justitie verblijft naar de rechtbank wordt overgebracht, dan kan dat tot het oordeel leiden dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Dit leidt in beginsel tot strafvermindering en slechts in zeer uitzonderlijke situaties tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH). Daaronder zou ik scharen het geval dat het OM stelselmatig een verdachte ervan weerhoudt zijn verdediging te kunnen voeren, door nimmer voor diens transport vanuit een justitiële inrichting naar het gerechtsgebouw te zorgen.

8. Hoewel het niet (tijdig) regelen van het transport niet als onherstelbaar verzuim in het voorbereidend onderzoek kan worden aangemerkt, volgt ook uit de volgorde van sancties in art. 395a, eerste lid, Sv dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie voor uitzonderlijke situaties is gereserveerd.

9. Ik kan mij wel voorstellen dat de omstandigheid dat de behandeling van een (op zichzelf niet ten hemel schreiende zaak) zaak (wederom) geen doorgang kan vinden terwijl zulks voorkomen had kunnen worden, bij de rechtbank tot frustratie heeft geleid. Een dergelijke frustratie ware dan te uiten in op verbetering van die situatie gericht overleg, in plaats van in het hanteren van de botte bijl.

10. Het middel klaagt daar terecht over.

11. Mijnerzijds wil ik wel klagen over de plaats waar de schriftuur met het middel is ingediend, nl. bij de griffie van de rechtbank. Ingevolge de wijziging van art. 437, eerste lid, Sv bij Wet van 14 maart 2001 (Stb. 591) had de schriftuur aan de Hoge Raad moeten worden gericht. Echter, omdat de schriftuur gelijktijdig met het dossier naar de Hoge Raad is gezonden, vloeit hieruit geen bloed.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Nu de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard, had zij het vonnis van de kantonrechter in eerste aanleg dienen te vernietigen. De bestreden uitspraak houdt niet in dat dit is geschied.

2 Bij de stukken bevindt zich weliswaar een vordering ter terechtzitting d.d. 27 augustus 1999 waarin de officier van justitie vordert dat de zaak zal worden aangehouden om de verdachte alsnog te laten aanvoeren, maar het proces-verbaal van de terechtzitting houdt niet in dat de officier om aanhouding heeft gevraagd en die vordering heeft overgelegd alvorens de rechter tot sluiting van het onderzoek is overgegaan. Waarschijnlijk heeft de officier van justitie na afloop van de zitting een stapeltje vorderingen overgelegd, waaronder die met betrekking tot de onderhavige zaak, welke laatste vordering vervolgens door de griffier in het dossier is gevoegd zonder dat deze zich heeft afgevraagd of de betreffende vordering wel ter zitting is gedaan.

3 De rechtbank heeft niet onderzocht of de mededeling van de DVO op waarheid berustte.