Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB3141

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
13-11-2001
Zaaknummer
01934/00 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB3141
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Mijnreglement continentaal plat 7
Mijnreglement continentaal plat 11
Mijnreglement continentaal plat 49a
Wetboek van Strafrecht 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 675
NJ 2002/219
M en R 2002, 70 met annotatie van L.E.M. Hendriks
JM 2002/26 met annotatie van Koopmans
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 1934/00/E

Zitting 5 juni 2001

Conclusie inzake:

[Verdachte] thans geheten [...]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is op 24 december 1999 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot een geldboete van tienduizend gulden wegens overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de Mijnwet continentaal plat, begaan door een rechtspersoon.

2. Namens verdachte hebben mrs. J.M. Sjöcrona en D.V.A. Brouwer, advocaten te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst twee klachten. Als eerste bevat het middel de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op het verweer dat de inleidende dagvaarding nietig is.

4. Dat is een wonderlijke klacht. De door mr. Sjöcrona ter terechtzitting van het hof overgelegde pleitnota, welke deel uitmaakt van het betreffende proces-verbaal, houdt immers in:

"In eerste aanleg zijn formeelrechtelijke verweren gevoerd in verband met geldigheid dagvaarding en ontvankelijkheid van het OM. Die verweren wil cliënte niet handhaven, aangezien zij afleiden van de wezenlijke materieelrechtelijke kern van de zaak."

5. Dat het in eerste aanleg gevoerde verweer ten aanzien van de nietigheid van de dagvaarding niet werd gehandhaafd, blijkt bovendien uit het op pagina 3 van de pleitnota verwoorde verzoek om bepaalde pagina's uit de pleitnota in eerste aanleg als in hoger beroep herhaald te beschouwen. In dat verzoek worden van het in de pleitnota opgenomen hoofdstuk II, dat als opschrift heeft nietigheid van de dagvaarding, genoemd de pagina's 8 tot en met 11 bovenste 2 regels. Dat zijn de pagina's waarin, voorafgaand aan het verweer dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, beschouwingen worden gegeven over de vraag of verdachte als mijnonderneming kan worden beschouwd.

6. De eerste klacht faalt dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

7. De tweede klacht die het middel behelst betreft schending van art. 326, vierde lid, Sv. Ondanks een daartoe strekkend verzoek van de raadsman zou het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof geen aantekening bevatten omtrent diens verzoek een aantal in eerste aanleg gevoerde verweren te beschouwen als in hoger beroep herhaald.

8. Het is mij niet duidelijk of die klacht als een zelfstandige klacht is bedoeld, dan wel als een subsidiaire klacht moet worden beschouwd voor het geval de Hoge Raad zou oordelen dat, nu is volstaan met een verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg, van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding geen sprake is geweest. In het laatste geval behoeft de klacht, nu de eerste klacht om een andere reden feitelijke grondslag mist, geen bespreking.

9. In het andere geval kan dit onderdeel van het middel niet slagen bij gebrek aan belang. In het middel wordt niet aangevoerd dat het Hof (buiten het ten onrechte in het middel genoemde beroep op nietigheid van de dagvaarding) enig in eerste aanleg gevoerd verweer ten onrechte niet heeft besproken. Ik heb een dergelijk niet door het Hof besproken verweer in die pleitnota ook niet aantroffen. Derhalve is verdachte op geen enkele wijze geschaad door het gestelde ontbreken van een beslissing op het verzoek om de in eerste aanleg gevoerde verweren als herhaald te beschouwen.

10. Het middel is ondeugdelijk.

11. Het tweede middel voert tegen de motivering van de bewezenverklaring aan dat enkele bewijsmiddelen inhouden dat Neddrill 3 heeft geloosd, wat in strijd zou zijn met de bewezenverklaring dat verdachte heeft geloosd. Die klachten miskennen dat de enkele omstandigheid dat de feitelijke lozing is geschied door Neddrill 3 niet uitsluit dat verdachte als functioneel dader van dat lozen wordt beschouwd. Het is immers het kenmerkende van functioneel daderschap dat een ander de delictshandelingen in enge zin verricht.

12. Ook het derde middel behelst de klacht dat het daderschap van verdachte niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kan volgen.

13. Allereerst bespreek ik een van de klachten welke het derde middel behelst, en waarin wordt betwist dat de overtreden norm de verdachte adresseert. Daartoe wordt in de toelichting een beroep gedaan op de systematiek van het Mijnreglement continentaal plat. Het in dat reglement in de artikelen 7 jo 11 MRCP neergelegde systeem van overdracht van zorgplichten zou met zich meebrengen dat niet de mijnonderneming, maar de onderaannemer strafrechtelijk aansprakelijk moet worden geacht voor de door deze begane wetsovertredingen.

14. De artikelen 7 en 11 MRCP luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 7

1. Voor zover in dit besluit niet anders is bepaald, zijn de bestuurders van een mijnonderneming verplicht zorg te dragen voor de naleving in hun onderneming van de bij en krachtens dit besluit gegeven voorschriften en regelen.

2. Gelijke verplichting rust op personen in dienst bij de onderneming, voor zover zij door de bestuurders zijn belast met de zorg voor de naleving van die voorschriften en regelen.

3. De bestuurders en de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende personen worden geacht aan hun in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde verplichting te hebben voldaan, wanneer zij de nodige instructies hebben gegeven, de nodige middelen hebben verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht hebben gehouden om de naleving van de voorschriften en regelen te verzekeren.

4. ()

5. Onverminderd de verplichting tot naleving van de bij en krachtens dit besluit gegeven voorschriften en regelen, die zich rechtstreeks tot hem richten, is een ieder verplicht tot elk handelen en elk nalaten, waardoor de naleving van de overige bij en krachtens dit besluit gegeven voorschriften en regelen kan worden verzekerd, voor zover dat handelen of nalaten redelijkerwijs van hem kan worden verwacht.

Artikel 11

1. De bestuurders van een mijnonderneming zijn verplicht aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen onverwijld opgave te doen van andere ondernemingen, die in opdracht van die mijnonderneming mijnbouwkundig werk uitvoeren of bij mijnbouwkundig werk, door of in opdracht van die mijnonderneming uitgevoerd, werkzaamheden verrichten en van de aard van dat werk of die werkzaamheden. ()

2. De bestuurders zijn verplicht vóór de aanvang van werkzaamheden als in het eerste lid bedoeld de bestuurders van de andere ondernemingen in kennis te stellen van: ()

b. alle bijzonderheden, die in verband met de uitvoering van de te verrichten werkzaamheden van belang zijn: ()

2º. ter voorkoming van verontreiniging van de zee ().

3. De in artikel 7, eerste en tweede lid, bedoelde verplichting geldt niet ten opzichte van personen, die als bestuurders van of in dienst bij een andere onderneming als bedoeld in het eerste lid van het onderhavige artikel in het bedrijf van die andere onderneming werkzaam zijn.

Hieruit zou volgens de stellers van het middel volgen dat niet de mijnonderneming maar de (onder)aannemer (lees: Neddrill 3) strafrechtelijk aansprakelijk is voor het tenlastegelegde feit.

15. Dit verweer is door het hof verworpen met de overweging dat naast de hier niet van toepassing zijnde bijzondere verplichting die in lid 1 en lid 2 van art. 7 MRCP is verwoord, lid 6 (voorheen lid 5) van genoemd art. 7 bepaalt dat onverminderd de verplichting tot naleving van voorschriften en regelen die zich rechtstreeks tot hem richten, een ieder verplicht is tot elk handelen en elk nalaten, waardoor de naleving van de overige voorschriften en regelen kan worden verzekerd, voor zover dat handelen of nalaten redelijkerwijs kan worden verwacht. Dat oordeel, dat in het middel niet wordt weersproken, acht ik juist. Het komt erop neer dat art. 11 MRCP weliswaar de bijzondere zorgplicht uit art. 7 lid 1 en 2 in gevallen van inschakeling van andere ondernemingen doet overgaan op de bestuurders van die ondernemingen, maar dat dit gelet op het bepaalde in art. 7 lid 5 MRCP niet een algemene uitsluiting van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor overtredingen begaan in het kader van door die andere ondernemingen verrichte activiteiten betekent.

16. Ook om een andere reden kan uit deze bepalingen niet volgen dat het in art. 49a MRCP gegeven verbod zich niet tot verdachte richtte maar exclusief tot degene die de olie feitelijk loosde (Neddrill 3). Naast de art. 7 en 11 MRCP welke zijn opgenomen in het hoofdstuk I (Algemene bepalingen) bevat art. 101, eerste lid, MRCP in hoofdstuk IVa (De veiligheid) een algemene, tot een ieder gerichte verplichting. Deze luidt als volgt:

Een ieder is verplicht bij het verrichten van arbeid bij mijnbouwkundig werk de zorgvuldigheid te betrachten, die noodzakelijk is ten einde te voorkomen, dat gevaar voor de veiligheid van de daarbij werkzame personen, van de scheepvaart of van de visserij, dan wel voor verontreiniging van de zee optreedt.

17. Ook de overtreden verbodsnorm is algemeen gesteld en niet in die zin exclusief dat deze zich slechts tot de 'fysieke lozer' (Neddrill 3) zou richten . Art. 49a, eerste lid, MRCP luidt als volgt:

Het is verboden olie, een oliehoudend mengsel, sanitair afval of vuilnis vanaf een mijnbouwinstallatie te lozen.

18. Aldus is niet aannemelijk dat deze bepaling niet functioneel zou kunnen worden uitgelegd (F. Vellinga-Schootstra, 'Het daderschap van natuurlijke personen', in J.L. van der Neut e.a. (red.) Daderschap en deelneming, 4e druk 1999, blz. 19-40 op blz. 22-25; A.M. van Woensel, In de daderstand verheven, diss. 1993, blz. 81-88). Op grond van de Nota van toelichting bij art. 49a MRCP kan worden betoogd dat deze zich in ieder geval tevens richt op de mijnonderneming c.q. de exploitant van het boorplatform (lees: verdachte):

"De Wet verontreiniging zeewater (Stb. 1975, 352) is mede van toepassing op installaties, die op het continentaal plat zijn geplaatst of opgericht. De bij die wet gestelde verboden gelden echter niet voor het lozen van afvalstoffen, verontreinigende stoffen of schadelijke stoffen, voor zover dat lozen samenhangt met of voortvloeit uit het normale gebruik van zodanige installaties. Het is desniettemin wenselijk dat mijnondernemingen maatregelen nemen om verontreiniging van de zee door het in dit kader lozen van stoffen als vorenbedoeld, bijvoorbeeld aanwezig in te lozen boorspoeling, zoveel mogelijk te voorkomen. Dit te meer waar het hier gaat om installaties die altijd gedurende een langere of kortere aaneengesloten tijd op een vaste plaats zijn opgesteld." (Stb. 1983, 82 blz. 20).

19. Niets verzet zich dus tegen de mogelijkheid om verdachte in strafrechtelijke zin aansprakelijk te houden voor het lozen van olie dat feitelijk door Neddrill 3 is gedaan.

20. Voor zover het middel daarnaast wil aanvoeren dat het oordeel van het hof over schending van een toezichtsnorm door verdachte nog niet betekent dat zij heeft geloosd, faalt het omdat het hof het daderschap van verdachte niet heeft gegrond op de enkele vaststelling dat zij haar toezichthoudende taak heeft verwaarloosd.

21. In de toelichting op het derde middel wordt aangevoerd dat Neddrill 3 een eigen verantwoordelijkheid had voor wat betreft de bescherming van het milieu. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat het bestaan van deze verantwoordelijkheid de aansprakelijkheid van verdachte zou uitsluiten. Deze gedachte berust echter op de onjuiste veronderstelling dat er sprake zou zijn van een exclusieve en alternatieve verantwoordelijkheid van Neddrill 3 of verdachte. Hierboven heb ik reeds uiteengezet dat het MRCP niet dwingt tot een dergelijk exclusieve verantwoordelijkheid maar dat er veeleer sprake is van elkaar aanvullende verantwoordelijkheden. Ook de instructienorm zoals die is neergelegd in art. 12 MRCP - dat werkzaamheden bij mijnbouwkundig werk, indien zij aan een andere onderneming worden opgedragen, uitsluitend mogen worden opgedragen aan ondernemingen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij de opgedragen arbeid naar behoren zullen verrichten - kan niet als een exclusieve verplichting gelden in die zin dat geen strafrechtelijke aansprakelijkheid zou bestaan zodra aan deze verplichting is voldaan. De aanwezigheid van een door verdachte aangestelde manager voor onder meer milieu, bevestigt dat ook verdachte haar eigen verantwoordelijkheid onderkende.

22. In de toelichting op het middel wordt nog betoogd dat het aannemen door het hof van een eigen verantwoordelijkheid van verdachte, onverenigbaar zou zijn met de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting van het hof op 20 oktober 1999. Deze klacht miskent dat de omstandigheid dat verdachte het in eerste instantie aan Neddrill 3 overliet om te beslissen in kwesties die van belang waren voor het milieu, niet uitsluit dat verdachte kon beschikken over de wijze waarop de werkzaamheden werden verricht en dat zij de wijze waarop die werden verricht placht te aanvaarden.

23. Het in de toelichting op het middel benadrukte onvolledige (namelijk technisch) toezicht op de werkzaamheden van Neddrill 3, doet evenmin af aan de verantwoordelijkheid van verdachte. Het hof heeft namelijk vastgesteld dat Neddrill 3 de werkzaamheden verrichtte 'voor rekening en in opdracht van verdachte'. Dat wordt bevestigd door de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 20 oktober 1999, welke het hof tot bewijs bezigt:

"De Neddrill 3 was door [verdachte] belast met het heropenen van de put, zodat (door verdachte, JWF) tot gaswinning kon worden overgegaan."

24. Met andere woorden: de werkzaamheden van Neddrill 3 faciliteerden en maakten deel uit van de bedrijfsvoering van verdachte (zie HR 31 maart 1998, DD 98.235 alsmede HR 23 februari 1993, NJ 1993, 605 rov. 7.2 m.nt. 'tH).

25. Ook het derde middel faalt.

26. Het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,