Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB3102

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
02-11-2001
Zaaknummer
R01/010HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB3102
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 96
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 807a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 595
JWB 2001/285
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R01/010

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 29 juni 2001

Conclusie inzake:

[De vader]

tegen

STICHTING JEUGDBESCHERMING ZEELAND

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Op 17 oktober 2000 hebben [de vader] en [de echtgenote], de met het gezag belaste ouders van de onder toezicht gestelde minderjarigen [kind 1], geboren op 13 december 1983 te [geboorteplaats], [kind 2], geboren op 7 maart 1986 te [geboorteplaats], [kind 3], geboren op 15 januari 1989 te [geboorteplaats] en [kind 4], geboren op 27 december 1993 te [geboorteplaats]; een verzoekschrift bij de arrondissementsrechtbank te Middelburg ingediend, strekkende tot geheel of gedeeltelijk vervallen verklaring van de door verweerster in cassatie, Jeugdbescherming Zeeland, gegeven aanwijzing.

1.2 Op 9 november 2000 is van de gezinsvoogdij-instelling het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling van iedere minderjarige afzonderlijk ontvangen. Op 16 november 2000 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

1.3 De ouders en de gezinsvoogdij-instelling zijn gehoord. De pleegouders van de minderjarigen en de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] hebben hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

1.4 Bij beschikking van 16 november 2000 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen op de grond dat de gegeven aanwijzing passend is en dat in het belang van (een goede ontwikkeling van) de kinderen de contacten met de kinderen en hun pleegouders, conform de aanwijzing van de gezinsvoogdij-instelling, alleen door tussenkomst van de gezinsvoogdes mogelijk kunnen zijn.

1.5 Verzoeker tot cassatie, de vader, heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. In het verzoekschrift tot cassatie wordt een middel voorgesteld. Jeugdbescherming Zeeland heeft in haar verweerschrift van 15 februari 2001 primair verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren. De vader heeft daarop gereageerd met een verweerschrift van 8 maart 2001, waarna de Stichting bij brief van 27 maart 2001 heeft verzocht daarop nog te mogen reageren. Vervolgens heeft de Stichting zich bij faxbericht van 12 juni 2001 over het verweerschrift uitgelaten.

2. Ontvankelijkheid

2.1 Zoals onder 1 vermeld gaat het hier om een verzoek tot geheel of gedeeltelijk vervallen verklaring van een gegeven aanwijzing, dat bij beschikking van de rechtbank van 16 november 2000 is afgewezen.

In beginsel kan slechts beroep in cassatie worden ingesteld tegen een beschikking waartegen geen ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan (art. 96 RO). Voor verzoeker heeft op grond van art. 807 onder a Rv. in verbinding met art. 1: 263a lid 2 BW hoger beroep open gestaan tot 16 januari 2001(2). De vader is derhalve niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot cassatie.

2.2 Ingevolge art. 340 Rv. in verbinding met art. 429n lid 2 Rv.(3) zou alsnog hoger beroep kunnen worden ingesteld tegen de bestreden beschikking binnen twee maanden vanaf de dag van de uitspraak in cassatie. Vereist is dan wel dat het cassatieberoep tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn van hoger beroep, is ingesteld.

2.3 De rolkaart vermeldt dat het verzoekschrift tot cassatie op 16 januari 2001 is ingekomen. Uit ambtshalve ingewonnen inlichtingen bij de griffie van de Hoge Raad blijkt dat het verzoekschrift per fax op 16 januari 2001 is ontvangen. Per abuis is een datumstempel met als datum: 17 januari 2001, op het verzoekschrift geplaatst, waarna met pen de juiste datum, 16 januari 2001, is aangegeven. Het afschrift van het verzoekschrift dat aan de verweerder is gestuurd, is eveneens gedateerd op 16 januari 2001. Een en ander brengt mee dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld.

2.4 Overigens zou uit de door de vader overgelegde productie 1 bij verweerschrift inzake de niet-ontvankelijkheid kunnen worden afgeleid dat wellicht al hoger beroep was ingesteld doch dat dit als ingetrokken wordt beschouwd. Deze kwestie speelt thans in cassatie geen rol, maar komt bij een eventueel hoger beroep aan de orde.

3. Conclusie

Deze strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de bestreden beschikking.

2 De rechtbank heeft een en ander ook in haar beschikking aangegeven.

3 Zie voor de toepasselijkheid van art. 340 Rv. in verzoekschriftprocedures de literatuur en jurisprudentie genoemd in Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 429n, aant. 13.